Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8965

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200806825/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente De Ronde Venen (hierna: de raad) bij besluit van 1 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Westerheul IV".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200806825/1/R2.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente De Ronde Venen (hierna: de raad) bij besluit van 1 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Westerheul IV".

Tegen dit besluit hebben [partij] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2008, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2008, beroep ingesteld.

Het beroep voor zover ingesteld door [partij] is overgenomen door [appellant sub 1].

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2009, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], en [appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [appellant sub 2], en het college, vertegenwoordigd door ing. G.J. Jaspers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad daar gehoord, vertegenwoordigd door drs. ing. R.F. van der Helm, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van de woonwijk Westerheul IV met ongeveer 270 woningen ten zuiden van de kern Vinkeveen, tussen de Mijdrechtse Dwarsweg en het bedrijventerrein Voorbancken. Het grootste deel van het plangebied heeft de bestemming "Uit te werken woondoeleinden", waarbij de deelgebieden "rand" (UWr), "dorp" (UWd) en "balkon" (UWb) worden onderscheiden.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals die bepalingen luidden ten tijde hier van belang, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Standpunten van partijen

2.3. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover het de bouw mogelijk maakt van appartementen tot een bouwhoogte van 17 meter in het deelgebied met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden (UWb)". Naar hun mening is een dergelijke bouwhoogte niet passend in de kern Vinkeveen, die een agrarisch en toeristisch karakter heeft en hoofdzakelijk uit laagbouw bestaat. [appellant sub 1] en anderen vrezen aantasting van het uitzicht, zowel vanuit de bestaande woningen ten noorden van het plangebied als vanuit de overige in dat gebied voorziene woningen en vanuit het daaraan grenzende natuurgebied Marickenland. Als hoogbouw al onontkoombaar is zou deze volgens hen moeten worden gerealiseerd aan de oostzijde van het plangebied.

[appellant sub 1] en anderen voeren verder aan dat het verkavelingsplan voor het deelgebied met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden (Uwr)" niet overeenstemt met de verkaveling zoals die eerder door het gemeentebestuur naar buiten is gebracht. De gewijzigde verkaveling voorziet in de mogelijkheid van de bouw van patiowoningen met een hoogte van zes meter, wat vergeleken met de eerder voorgestelde verkaveling leidt tot een verdergaande aantasting van uitzicht en privacy van de bewoners van bestaande woningen aan de noordkant van het plangebied, aldus [appellant sub 1] en anderen.

[appellant sub 1] en anderen stellen voorts dat de voorgenomen ophoging van de grond waarop de woningen zijn voorzien met 2,20 meter zal leiden tot onnodig en ongewenst hoogteverschil tussen het plangebied en de aangrenzende wijk Westerheul III, wat naar zij vrezen zal leiden tot wateroverlast. Ten slotte zou verwezenlijking van het plan betekenen dat het noordelijk deel van een in het plangebied aanwezig elzenbosje zou moeten worden gekapt. Volgens [appellant sub 1] en anderen blijkt onder meer uit een aanvullend rapport van Arcadis dat dit elzenbosje een waardevol karakter heeft.

2.4. [appellant sub 2] en anderen betogen eveneens dat het college het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Daartoe voeren zij aan dat de in het plan voorziene woonbebouwing, gezien de omvang van 270 woningen en de maximale bouwhoogte van 14 tot 17 meter, leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Verder vrezen zij nadelige gevolgen voor de waterhuishouding. Zij verwijzen in dit verband naar het rapport "Water en bodemdaling in Groot-Mijdrecht" van de Onderzoekscommissie water en bodemdaling Groot-Mijdrecht-Noord (de commissie-Remkes), dat naar hun mening ook van belang is voor het gebied waarop het plan betrekking heeft. Naar hun mening is het plan voorts in strijd met het zogenoemde migratiesaldo-nul-beleid dat is vastgelegd in de Nota Ruimte, nu het aantal in het plan voorziene woningen, bezien in samenhang met de woningen die in andere nieuwbouwprojecten zijn voorzien, het ingevolge dat beleid toegestane aantal overschrijdt.

[appellant sub 2] en anderen betogen verder dat het plan in strijd is met de toepasselijke luchtkwaliteitsnormen. Volgens hen is ten onrechte de zogenoemde zeezoutaftrek toegepast en is ervan uitgegaan dat de aanvoer van zand voor ophoging van het te bebouwen terrein zal plaatsvinden met behulp van buizen, terwijl dit laatste niet in het plan is vastgelegd.

[appellant sub 2] en anderen betogen verder dat ten onrechte is afgeweken van de afstandsnorm van 100 meter die op grond van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor bedrijven behorend tot categorie 3.2. Dat het plan voorziet in woonbebouwing op een kleinere afstand dan 100 meter zal volgens hen geluidsoverlast met zich brengen voor toekomstige bewoners van het plangebied en zal er daarnaast toe leiden dat de huidige bewoners en gebruikers van het bedrijventerrein Voorbancken, waar al verscheidene bedrijven in deze categorie aanwezig zijn, worden beperkt in hun mogelijkheden om nieuwe bedrijven te beginnen of bestaande te wijzigen.

[appellant sub 2] en anderen vrezen voorts verslechtering van de bereikbaarheid van de bedrijven op het bedrijventerrein Voorbancken, nu het gehele plangebied, evenals het bedrijventerrein, wordt ontsloten op de bestaande weg Voorbancken. Verder is naar zij stellen de afstand van de voorziene woningen tot de onder de Voorbancken gelegen gastransportbuis en het daar aanwezige gasdrukregel- en meetstation onvoldoende, is het college er ten onrechte vanuit gegaan dat zich geen geluidsoverlast zal voordoen als gevolg van het toenemend verkeer op de weg Voorbancken, en dient voor aanvang van de werkzaamheden een nulmeting te worden uitgevoerd.

2.5. Het college stelt zich op het standpunt dat een maximale bouwhoogte van 17 meter aan de westrand van het plangebied vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. Volgens het college is het beleid erop gericht onnodige aantasting van de open ruimte te voorkomen en de contrastwerking tussen stad en land te versterken, en is het daarom wenselijk nieuwe bouwmogelijkheden binnen bestaand stedelijk gebied goed te benutten. Dat in het plan het elzenbosje niet gehandhaafd kan blijven acht het college eveneens aanvaardbaar, waarbij het in aanmerking neemt dat het nieuw te ontwikkelen natuurgebied Marickenland een gevarieerde invulling krijgt met nieuwe bosschages en struwelen. Volgens het college blijkt uit hydrologisch onderzoek dat het plan kan worden uitgevoerd zonder ernstige nadelige gevolgen voor de waterhuishouding in de omgeving. Het rapport van de commissie-Remkes doet niet af aan de conclusies van het uitgevoerde onderzoek, aldus het college. Voorts is de in het plan voorziene bouw van 270 woningen opgenomen in het woningbouwprogramma in het streekplan, en nu dat programma is gebaseerd op het zogenoemde migratiesaldo-nul-beleid is volgens het college ook het plan met dat beleid in overeenstemming. Het college betwijfelt niet dat het plan voldoet aan de toepasselijke regelgeving betreffende de luchtkwaliteit. Dat zandaanvoer per buis niet mogelijk zou zijn is volgens het college niet gebleken. Toepassing van de zeezoutcorrectie is blijkens eerdere uitspraken van de Afdeling toegestaan en behoefde daarom naar het college meent niet nader te worden gemotiveerd.

Ten aanzien van de aan te houden afstand tussen de woonbebouwing en het bedrijventerrein Voorbancken stelt het college zich op het standpunt dat het enige bedrijf waarvoor volgens de VNG-brochure een afstand van 100 meter zou moeten worden aangehouden reeds wordt beperkt in de hoeveelheid geluid die het mag produceren door de aanwezigheid van een bestaande woning. De nieuwe woonwijk vormt daardoor geen extra beperking, aldus het college. Verder meent het college in navolging van de raad dat de bereikbaarheid van het bedrijventerrein ook na verwezenlijking van het plan gewaarborgd is omdat de weg Voorbancken voldoende verkeerscapaciteit heeft. Over inpassing in het plan van het gasregelstation en de leidingen heeft overleg met de Gasunie plaatsgevonden en de afstand van de voorziene woonbebouwing tot het gasregelstation is volgens het college in overeenstemming met de toepasselijke NEN-normen. Nader onderzoek naar geluidhinder veroorzaakt door verkeer op de Voorbancken acht het college niet nodig, omdat die weg wordt aangewezen en ingericht als weg met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Ten slotte komt volgens het college een nulmeting pas aan de orde als daadwerkelijk met de werkzaamheden ter uitvoering van het plan wordt begonnen. Dat een dergelijke meting moet worden uitgevoerd hoeft niet in het plan te worden geregeld, aldus het college.

Oordeel van de Afdeling

2.6. Naar mag worden aangenomen zal de bouw van woningen op voordien niet bebouwde gronden in het plangebied leiden tot enige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Naar het oordeel van de Afdeling is de te verwachten aantasting in dit geval echter niet zodanig dat het college om die reden goedkeuring aan het plan had moeten onthouden.

Met betrekking tot hetgeen is aangevoerd over het uitzicht vanuit de in de wijk Westerheul III gelegen, bestaande woningen en de persoonlijke levenssfeer van de bewoners daarvan, acht de Afdeling in dit verband onder meer van belang dat de maximaal toegestane bouwhoogte in het gebied met de aanduiding "UWr", dat het dichtst bij de bestaande woningen in de wijk Westerheul III ligt, beperkt is tot 10 meter, en voor de gebieden met de aanduidingen "UWd" en "UWb" 14 respectievelijk 17 meter bedraagt. Verder worden de nieuw op te richten woningen van de bestaande gescheiden door een groenstrook, de Mijdrechtse Dwarsweg en de langs die weg gelegen watergang. Volgens de plankaart bedraagt de kortste afstand tussen de bestaande woningen in de wijk Westerheul III en de in het plan voorziene bebouwing ten minste ongeveer 32 meter, in aanmerking genomen dat ingevolge het plan een afstand van ten minste vijf meter moet worden aangehouden tussen die watergang en de te bouwen woningen.

De Afdeling ziet evenmin grond voor het oordeel dat de ten hoogste toegestane bouwhoogte van 17 meter in het deelgebied "UWb" zal leiden tot onaanvaardbaar nadelige gevolgen voor het uitzicht vanuit de binnen het plangebied voorziene woningen in de richting van het omliggende gebied, of andersom. Zij overweegt daarbij dat die hoogte slechts geldt voor een beperkt deel van het plangebied, en dat ingevolge artikel 3.2.3, aanhef en onder n, van de planvoorschriften vanuit het centrale groene plein vier zichtassen dienen te worden aangelegd, waarvan ten minste één bebouwingsvrije, oost-west gerichte zichtas met een profiel van gemiddeld 15 meter. De ontsluitingsweg voor het gebied dient, naar blijkt uit de plankaart, op twee plaatsen aan te sluiten op de Voorbancken, waarbij deze weg een profiel van minimaal 11 meter breed dient te hebben, hetgeen ook een onderbreking van de bebouwing met zich brengt. Verder is volgens de toelichting bij het plan bewust gekozen voor een grotere bouwhoogte en relatief grote woningdichtheid in dit deelgebied, zodat vanuit een groter aantal woningen kan worden uitgekeken over het nieuw aan te leggen natuurgebied ten westen van het plangebied. Aan de omstandigheid dat de kern Vinkeveen in hoofdzaak uit laagbouw bestaat - wat daar overigens van zij - heeft het college, mede gezien het voorgaande, geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Overigens is volgens de bespreking van de zienswijzen de mogelijkheid van gestapelde woningbouw mede in het plan opgenomen om ruimte te creëren voor het aanbrengen van zichtlijnen in het plangebied. Verder heeft het college zijn beleid inzake zuinig ruimtegebruik, zoals vastgelegd in het streekplan, in redelijkheid aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen.

2.6.1. Met betrekking tot hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd over het verkavelingsplan overweegt de Afdeling dat in deze procedure niet dat plan, maar het besluit van het college betreffende de goedkeuring van het bestemmingsplan ter beoordeling voorligt. Zoals in de plantoelichting staat vermeld is het verkavelingsplan slechts bedoeld als voorbeelduitwerking op basis van de structuurschets, zodat het verkavelingsplan op zichzelf slechts indicatieve waarde heeft. Nadere uitwerking van de in het bestemmingsplan gegeven bestemmingen en de invulling in woningtypen en lokaties dient, binnen de in het bestemmingsplan neergelegde kaders, te zijner tijd plaats te vinden in een uitwerkingsplan en kan in dat verband worden getoetst. Aan eventuele verschillen tussen eerder en later gepubliceerde versies van het verkavelingsplan kan, gelet op het voorgaande, in de onderhavige procedure geen betekenis toekomen.

2.6.2. In opdracht van het gemeentebestuur heeft Arcadis onderzoek verricht naar de verenigbaarheid van de plannen voor de ontwikkeling van het "parklandschap" Marickenland met de toepasselijke natuurwetgeving, waarbij onder meer is getoetst aan de Vogel- en de Habitatrichtlijn, de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de landelijke en provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Uit het onderzoeksrapport "Natuurtoets polder Groot-Mijdrecht Zuid" van 29 november 2005 blijkt dat het onderzoek mede betrekking heeft op de verwezenlijking van woningbouw in het plangebied. Voor zover het betreft de gevolgen voor het door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen bedoelde elzenbosje, wordt in het rapport geconcludeerd dat slechts ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is vereist voor het verdwijnen van broedplaatsen van de grote bonte specht, waarvan in het bosje een nest is aangetroffen, en de buizerd. Volgens de raad is ten behoeve van beide soorten ontheffing gevraagd, waarbij bleek dat uiteindelijk alleen voor de grote bonte specht daadwerkelijk ontheffing was vereist. Deze ontheffing is ook verleend, aldus de raad. Uit het rapport blijkt, voor zover het de kap van het elzenbosje betreft, niet van verdere wezenlijk nadelige gevolgen voor de natuurwaarden in de omgeving.

De door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen bedoelde aanvullende onderzoeksnotitie, die eveneens door Arcadis is opgesteld, vermeldt dat het elzenbosje vooral waardevol is vanwege het feit dat het behoort tot de weinige boselementen in de omgeving, en dat het in die hoedanigheid van betekenis is als wijkplaats en rust- en voortplantingsgebied voor zoogdieren, als broed- en overwinteringsgebied voor vogels en als land- en overwinteringsbiotoop voor amfibieën. De conclusies uit het rapport van 29 november 2005 worden echter in de notitie niet weersproken. Verder blijkt uit de stukken dat aangrenzend aan het plangebied een omvangrijk natuurgebied wordt ontwikkeld dat wordt ingericht met compenserende bosschages en struwelen. Het voorgaande in aanmerking genomen ziet de Afdeling in hetgeen op dit punt is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college het plan in zoverre ten onrechte heeft goedgekeurd.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen met hun beroep beogen te bereiken dat de verleende kapvergunning wordt vernietigd, wijst de Afdeling erop dat hier slechts het besluit van het college betreffende de goedkeuring van het bestemmingsplan beoordeeld dient te worden. Vernietiging van het besluit tot verlening van de kapvergunning kan in deze procedure niet aan de orde komen. Ter zitting is overigens gebleken dat de kapvergunning inmiddels onherroepelijk is geworden en dat het elzenbosje is gekapt.

2.6.3. De gevolgen van de verwezenlijking van het plan voor de waterhuishouding in het gebied zijn onder meer onderzocht door Grontmij Nederland, dat daarover heeft gerapporteerd in de onderzoeksrapporten "Westerheul-4 te Vinkeveen - Geotechnisch en waterhuishoudkundig onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van het plan Westerheul-4" van 13 mei 2005 en "Hydrologische berekeningen Westerheul IV" van 30 november 2006. Deze rapporten zijn ten grondslag gelegd aan zowel het besluit tot verlening van vrijstelling voor het bouwrijp maken van het plangebied van 1 november 2007, als aan het thans bestreden besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan. Volgens het rapport van 30 november 2006 zal verwezenlijking van het plan, met inachtneming van bepaalde randvoorwaarden, alleen in een smalle strook langs de zuidwestrand van het gebied leiden tot een verhoging van de grondwaterstand van meer dan vijf centimeter. Deze verhoging is eenvoudig te ondervangen door het waterpeil in verschillende in het plangebied aanwezige sloten onderling af te stemmen, aldus het rapport. Stijgingen van vijf centimeter of minder, zoals die zijn berekend voor het bedrijventerrein Voorbancken en de wijk Westerheul III, vallen volgens het rapport weg tegen de natuurlijke variatie in de grondwaterstanden, die in dit gebied tussen de 50 centimeter en één meter bedraagt.

Het college heeft als bijlage bij het verweerschrift een brief van Grontmij Nederland opgenomen, gedateerd 4 november 2008, waarin wordt ingegaan op vragen die de Afdeling, bij de behandeling van het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen betreffende het besluit tot vrijstelling, heeft gesteld. In die brief wordt beschreven hoe de kritiek die de commissie-Remkes had op het door Grontmij gebruikte model is ondervangen. Volgens deze brief is inmiddels een nieuw watermodel beschikbaar, dat rekening houdt met dichtheidsverschillen in het grondwater en dat zelf kan bepalen waar wellen optreden en waar niet, waarmee aan de belangrijkste kritiek van de commissie-Remkes is tegemoetgekomen. Vergelijking van resultaten van berekeningen volgens het oude en het nieuwe model wijst uit dat deze nagenoeg gelijk zijn, zeker voor wat betreft de grondwaterstand, aldus de brief. Verder wordt geconcludeerd dat de resultaten van het nieuwe model geen aanleiding geven om de gemeente De Ronde Venen te waarschuwen dat de eerdere berekeningen voor Westerheul IV onbetrouwbaar zijn, en wordt opgemerkt dat grondwatermeetbuizen zijn geplaatst in Westerheul III en op het bedrijventerrein Voorbancken, waarmee tijdens de aanleg van Westerheul IV onder meer de grondwaterstand zal worden gemonitord. De brief is mede gebaseerd op aanvullend onderzoek, uitgevoerd door Deltares, Royal Haskoning en Acacia Water uit september 2008.

Gezien het voorgaande, en onder verwijzing naar hetgeen zij heeft overwogen in haar uitspraak van 25 maart 2009, nr. 200801899/1 betreffende het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen inzake het besluit tot verlening van vrijstelling, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de genoemde rapporten van Grontmij van 13 mei 2005 en 30 november 2006 niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen, en evenmin voor het oordeel dat het college op dit punt ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend.

2.6.4. De Nota Ruimte vermeldt dat binnen de nationale landschappen, waaronder Het Groene Hart, een migratiesaldo-nul-beleid wordt gevoerd, hetgeen volgens de Nota betekent dat binnen de landschappen ruimte is voor ten hoogste de eigen bevolkingsgroei. Uit de Nota kan worden afgeleid dat concrete invulling van dat beleid dient plaats te vinden door provincies en gemeenten, die volgens de Nota afspraken maken over de omvang en locatie van woningbouw. In het streekplan 2005-2015, vastgesteld door provinciale staten van Utrecht op 13 december 2004, wordt ingegaan op de wijze waarop het provinciebestuur vorm geeft aan het migratiesaldo-nul-beleid. Daarin wordt onder meer vermeld dat is gekozen voor een regionale benadering en dat belang wordt gehecht aan een open regionale woningmarkt.

Ter zitting is van de zijde van het college toegelicht dat het beleid met betrekking tot de aantallen te bouwen woningen betrekking heeft op het gehele nationaal landschap Het Groene Hart, en dat niet is beoogd de aantallen te bouwen woningen per kern of per gemeente vast te leggen. De aantallen woningen die in het streekplan voor de gemeenten zijn opgenomen hebben volgens het college daarom slechts een indicatief karakter. Afstemming van de woningaantallen voor de verschillende gemeenten vindt plaats op regionaal niveau en bij dreigende overschrijding van het door het rijk voor het nationaal landschap vastgestelde aantal woningen vindt overleg plaats met de rijksoverheid, aldus het college.

De Afdeling ziet in hetgeen de Nota Ruimte en het streekplan met betrekking tot het migratiesaldo-nul-beleid vermelden, mede gezien de ter zitting van de zijde van het college gegeven toelichting, geen aanleiding aan te nemen dat het plan, voor zover dat de bouw van ongeveer 270 woningen mogelijk maakt, in strijd is met het rijks- of het provinciaal beleid op dit punt. Daarbij acht zij nog van belang dat het plangebied volgens het streekplan ligt binnen de zogenoemde rode contour en daarmee op grond van dat plan als mogelijke woningbouwlocatie is aangemerkt. Voorts is van belang dat, naar namens het college ter zitting is gesteld en niet gemotiveerd is bestreden, de rijksoverheid al met de bouw van de in het plan voorziene woningen rekening heeft gehouden bij het bepalen van het totale aantal woningen dat in het nationaal landschap mag worden gebouwd, omdat de voorziene woningaantallen zijn opgenomen in het woningbouwprogramma in het streekplan, dat dateert van voor de vaststelling van de Nota Ruimte.

De verwijzing door [appellant sub 2] en anderen naar de uitspraak van 28 februari 2007 begrijpt de Afdeling aldus dat wordt gedoeld op haar uitspraak van die datum met nr. 200602344/1. In die zaak ging het om een situatie waarin de voorschriften van het betrokken bestemmingsplan bepaalden dat binnen een bestemmingsvlak een zeker aantal woningen mocht worden gebouwd, met dien verstande dat aangetoond zou worden dat het migratiesaldo nul niet werd overschreden. Wat met "migratiesaldo nul" werd bedoeld was evenwel in het plan niet nader omschreven, hetgeen leidde tot het oordeel dat de voorschriften op dit punt rechtsonzeker waren. Anders dan [appellant sub 2] en anderen betogen volgt uit deze uitspraak niet dat het migratiesaldo-nul-beleid en de wijze waarop dat wordt nageleefd in de voorschriften van een bestemmingsplan dienen te worden vastgelegd.

2.6.5. Ter zitting is gebleken dat op het perceel Voorbancken 20, op het bedrijventerrein Voorbancken, een lasbedrijf is gevestigd, dat op grond van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" en de daarbij behorende bijlagen wordt gerekend tot categorie 3.2. Bij deze categorie hoort volgens de brochure een zoneringsafstand van 100 meter, vanwege mogelijke geluidsoverlast. Eveneens is gebleken dat zich op een afstand van ongeveer 15 meter van het lasbedrijf, op het perceel Voorbancken 18, al een woning bevindt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de voorschriften met betrekking tot geluidhinder die zijn vervat in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van toepassing zijn op woningen ongeacht of deze op een bedrijventerrein liggen of niet, zodat de geluidbelasting vanwege het lasbedrijf ter plaatse van de gevel van de woning aan de Voorbancken 18 moet voldoen aan de op grond van het genoemde Besluit geldende normen. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het lasbedrijf op dit punt al in zijn mogelijkheden om zijn bedrijfsactiviteiten uit te breiden wordt beperkt door de bestaande woning aan de Voorbancken 18, zodat de komst van de voorziene woningen in het plangebied op ongeveer 50 meter afstand in zoverre geen bijkomende beperking oplevert. Mede gezien het voorgaande heeft het college zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van de activiteiten van het lasbedrijf geen zodanige hinder te verwachten is dat ter plaatse van de voorziene woningen een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan. Dat ter zitting is gebleken dat in het inmiddels vastgestelde, maar nog niet onherroepelijke bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Mijdrecht en Vinkeveen" voor het lasbedrijf een specifieke aanduiding is opgenomen die vestiging van een categorie 4-bedrijf mogelijk zou maken doet daar niet aan af, nu ter zitting namens de raad is erkend dat deze aanduiding berust op een vergissing en deze kan worden hersteld.

2.6.6. De gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving zijn in opdracht van het gemeentebestuur onderzocht door Royal Haskoning. Het onderzoeksrapport "Inventarisatie (toekomstige) luchtkwaliteit rondom Marickenland en Westerheul" van 15 november 2006 bevat de resultaten van dat onderzoek. Tabel 4.3 en tabel 4.6 in het rapport bevatten een vergelijking van de berekende waarden zowel uitgaand van de autonome ontwikkeling als na realisatie van het plan, respectievelijk voor 2010 en 2015. Het rapport vermeldt als conclusie dat bij alle beschouwde wegen wordt voldaan aan de grenswaarden voor alle componenten zoals opgenomen in het Besluit luchtkwaliteit 2005, zowel uitgaand van de autonome ontwikkeling als na realisatie van het plan. Volgens het rapport zijn daarom voor het ontwikkelingsproject Westerheul IV geen maatregelen nodig om het effect op de luchtkwaliteit te verminderen.

De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat in het rapport ten onrechte een aftrek voor zeezout is toegepast, zoals [appellant sub 2] en anderen betogen. Daarbij verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 8 april 2009, nr. 200802437/1/M2, waarin zij toepassing van de zeezoutaftrek mede in het licht van de toepasselijke Europese richtlijnen niet ontoelaatbaar heeft geacht. Hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geeft ook voor het overige geen aanleiding aan te nemen dat het rapport zodanige tekortkomingen vertoont dat het college zich daarop niet heeft mogen baseren bij het nemen van het bestreden besluit.

Met betrekking tot hetgeen wordt aangevoerd over de zandstort overweegt de Afdeling dat deze plaatsvindt ten behoeve van de ophoging en het bouwrijp maken van het plangebied. De ophoging en het bouwrijp maken vinden plaats op grond van een vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die met de reeds genoemde uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2009, nr. 200801899/1 (www.raadvanstate.nl), onherroepelijk is geworden. De zandstort en de eventuele gevolgen daarvan voor de luchtkwaliteit in de omgeving kunnen daarom in de onderhavige procedure niet aan de orde komen.

2.6.7. Ingevolge artikel 9 van de planvoorschriften geldt een vrijwaringszone van vier meter, gerekend vanaf de hartlijn van de onder de straat Voorbancken lopende gasleiding, binnen welke zone uitsluitend bouwwerken ten behoeve van die leiding mogen worden gebouwd. Uit de stukken blijkt dat de Gasunie als beheerder van de leiding schriftelijk heeft ingestemd met een vrijwaringszone van deze breedte. Verder voorziet het plan in een toetsingszone van 20 meter waarbinnen geen gebouwen mogen worden opgericht, hetgeen volgens de toelichting in overeenstemming is met de toepasselijke circulaire van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ten opzichte van het gasontvangstation dient ingevolge artikel 3.2.3, aanhef en onder q, van de planvoorschriften een afstand van minimaal 25 meter te worden aangehouden voor het oprichten van woningen. Deze afstand is in overeenstemming met de toepasselijke NEN-norm 1059, aldus de Gasunie, die ook op dit punt met het plan heeft ingestemd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] en anderen op dit punt hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

2.6.8. Met betrekking tot de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer na verwezenlijking van het plan overweegt de Afdeling het volgende. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder (Wgh) heeft een weg een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot een in dat lid nader bepaalde breedte aan weerszijden van de weg. Ingevolge artikel 77 Wgh wordt, voor zover hier van belang, bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, vanwege burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld naar de geluidbelasting die door woningen binnen de zone vanwege de weg zou worden ondervonden, alsmede de doeltreffendheid van maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de weg optredende geluidbelasting de ten hoogste toelaatbare waarden te boven zou gaan. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van artikel 74, geldt het eerste lid onder meer niet met betrekking tot wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt.

Artikel 3.2.3, aanhef en onder d, van de planvoorschriften bepaalt dat de Voorbancken, de Mijdrechtse Dwarsweg en de hoofdontsluitingsstructuur dienen te worden ingericht als dertigkilometergebied, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met betrekking tot deze wegen geen verplichting op grond van de Wgh bestond tot het verrichten van akoestisch onderzoek. Een redelijke wetsuitleg leidt ertoe dat aan de voorwaarden voor het aannemen van een uitzondering als bedoeld in artikel 74, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgh ook is voldaan indien in het plan is bepaald dat de betrokken weg dient te worden ingericht voor een maximumsnelheid van 30 km per uur. Verder hebben [appellant sub 2] en anderen onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verwezenlijking van het plan zal leiden tot een dermate hoge geluidbelasting op de voorziene woningen als gevolg van het verkeer op de genoemde wegen, dat hiernaar, ondanks het ontbreken van een verplichting daartoe op grond van de Wgh, niettemin onderzoek had moeten worden verricht.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts onvoldoende grond om aan te nemen dat de aanleg van de voorziene woningen zal leiden tot onaanvaardbare verslechtering van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein, waarbij zij onder meer het aantal te realiseren woningen in aanmerking neemt alsmede de aanleg van een rotonde op de kruising Voorbancken-Mijdrechtse Dwarsweg, waarin het plan voorziet.

2.6.9. De vraag of een nulmeting moet worden uitgevoerd teneinde op een later moment te kunnen vaststellen of als gevolg van verwezenlijking van in het plan opgenomen bestemmingen schade is opgetreden, en zo ja, op welk moment die meting moet plaatsvinden, betreft niet het plan zelf, maar de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond blijft hier derhalve buiten beschouwing. Overigens heeft de raad in de reactienota naar aanleiding van de ingediende zienswijzen te kennen gegeven dat voor de start van het bouwrijp maken een nulmeting zou plaatsvinden, die zou worden uitgevoerd door een onafhankelijk bureau en mede een bouwkundige opname zou inhouden.

2.6.10. Ten aanzien van de door [appellant sub 1] en anderen bepleite verplaatsing van de woningen waarvoor een bouwhoogte van ten hoogste 17 meter is voorzien naar de oostkant van het plangebied, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich gelet op al het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Conclusie

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

568.