Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8960

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200904453/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2009, nr. 09017240/90/16, heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Terneuzen (hierna: de raad) bij besluit van 11 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Philippine" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904453/1/R2.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging Bewonersbelangen Spuikompark, gevestigd te Philippine, gemeente Terneuzen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2009, nr. 09017240/90/16, heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Terneuzen (hierna: de raad) bij besluit van 11 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Philippine" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft de vereniging Vereniging Bewonersbelangen Spuikompark (hierna: de vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De vereniging heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2009, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [voorzitter], is verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. J.M. den Boer, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Als formeel bezwaar voert de vereniging aan dat ten onrechte geen gelegenheid tot inspraak is geboden. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat met ingang van 1 juli 2005 artikel 6a van de WRO is vervallen. Ingevolge de WRO, zoals deze ten tijde hier van belang luidde, vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu het bieden van inspraak geen onderdeel meer uitmaakt van de in WRO geregelde procedure kan, indien in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet de mogelijkheid of de verplichting is opgenomen inspraak te bieden, het al dan niet op juiste wijze voldoen aan deze mogelijkheid of verplichting geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten met zich brengen.

2.3. Het plan voorziet in een actualisering van de voorheen geldende juridisch-planologische regelingen voor de kern Philippine en enkele aangrenzende agrarische gronden.

2.4. De vereniging betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "wijzigingsgebied 3" die ziet op het gedeelte van het Spuikompark dat grenst aan de Braakmanweg, en die wijziging van de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" mogelijk maakt ten behoeve van de bouw van een nieuw woonzorgcomplex ter plaatse. In dit verband voert de vereniging aan dat de wijzigingsbevoegdheid voor dit gedeelte van het Spuikompark een ingrijpende bestemmingswijziging behelst en dat artikel 11 van de WRO hiervoor geen grondslag biedt. Daarnaast is volgens de vereniging de wijzigingsbevoegdheid op oneigenlijke gronden in het plan opgenomen, gelet op de omstandigheid dat medewerking is verleend aan een vrijstellingsprocedure ten behoeve van het verlenen van een bouwvergunning voor het woonzorgcentrum. Ook voert de vereniging aan dat de noodzaak tot het realiseren van een woonzorgcomplex niet is aangetoond en dat er geen onderzoek is verricht naar alternatieve locaties. In het bestreden besluit is de keuze voor de locatie in het Spuikompark onvoldoende gemotiveerd en hieraan ligt ook geen zorgvuldige belangenafweging ten grondslag. Voorts is in de gemeentelijke woonvisie niets bepaald over het gedeeltelijk bebouwen van het park. Ook is de vereniging van mening dat het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid in strijd is met het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 (hierna: het Omgevingsplan). In dit verband vreest zij dat de voorziene bebouwing in de toekomst zal worden uitgebreid en dat het park hierdoor versnipperd raakt. Daarbij is niet gebleken dat sprake is van een inbreidingslocatie, aldus de vereniging.

2.5. Het college stelt zich op het standpunt dat het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid voor het gedeelte van het Spuikompark met de aanduiding "wijzigingsgebied 3" niet leidt tot een ingrijpende wijziging van de structuur van het plan. Volgens het college bevatten de planvoorschriften duidelijke criteria op grond waarvan gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Voorts meent het college dat, zolang geen sprake is van ernstige bezwaren tegen de gekozen locatie in het Spuikompark, het bestaan van alternatieven op zichzelf niet met zich brengt dat van deze locatie moet worden afgezien. Daarbij komt dat het cultuurhistorische verleden van het Spuikompark niet in de weg staat aan het realiseren van een woonzorgcentrum. Verder is het college van mening dat het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid in overeenstemming is met het Omgevingsplan. Tot slot volgt de noodzaak tot het realiseren van een woonzorgcomplex uit het provinciale beleid, aldus het college.

2.6. Het desbetreffende gedeelte van het Spuikompark is in het plan bestemd voor "Groenvoorzieningen (G)". Op de plankaart is aan dit gedeelte de aanduiding "wijzigingsgebied 3" toegekend.

Ingevolge artikel 23.3 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Groen (G)" (lees: "Groenvoorzieningen (G)") ter plaatse van deze aanduiding te wijzigen in de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. planwijziging dient te zijn gericht op het bereiken van een nieuw woonzorgcomplex passend binnen de ruimtelijk-functionele structuur van de omgeving;

[…]

e. het nieuwe woonzorgcomplex geen hinder ondervindt van de aanwezige bedrijven binnen en/of nabij het plangebied;

[…]

g. in het wijzigingsplan dient aandacht te worden besteed aan de gemaakte belangenafweging.

2.7. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 11 van de WRO een ontoereikende grondslag biedt voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid voor het gedeelte van het Spuikompark met de aanduiding "wijzigingsgebied 3". Hierbij is in aanmerking genomen dat het Spuikompark reeds gedeeltelijk voor woondoeleinden wordt gebruikt en dat het park grotendeels zijn bestemming "Groenvoorzieningen (G)" zal behouden. Niet is gebleken dat deze wijzigingsbevoegdheid tot een wijziging van de structurele opzet van het plan leidt. Dat volgens de vereniging het college van burgemeester en wethouders reeds sinds 2001 deze locatie voor het woonzorgcomplex op het oog heeft, staat verder niet in de weg aan het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

Anders dan de vereniging stelt, is voorts niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende wijzigingsbevoegdheid op oneigenlijke gronden in het plan is opgenomen.

2.8. Volgens het Omgevingsplan hebben gemeenten de taakstelling om in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik in hun woningbouwplanning 50% van de woningbouwproductie binnen de grens van het bestaand bebouwd gebied te realiseren (inbreiding). Door te sturen op inbreiding wordt het bestaand bebouwd gebied beter benut, waardoor zorgvuldig gebruik van de ruimte wordt ondersteund.

Het college heeft, anders dan de vereniging meent, het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid voor het gedeelte van het Spuikompark met de aanduiding "wijzigingsgebied 3" terecht niet in strijd geacht met het provinciaal beleid terzake van woningbouw binnen bestaand bebouwd gebied, zoals dat is neergelegd in het Omgevingsplan. Niet valt in te zien dat het Spuikompark buiten de grenzen van een bestaand bebouwd gebied ligt. Dat de vereniging voor uitbreiding en versnippering van het Spuikompark vreest, maakt dit niet anders.

Voorts is gesteld noch gebleken dat het plan strijdig is met de gemeentelijke woonvisie, nog daargelaten of aan de woonvisie bindende betekenis toekomt.

2.9. Volgens de notitie "Zeeland Woonzorgland" (hierna: de notitie) van de Stuurgroep Regiovisie Zorg voor ouderen Zeeland van 28 februari 2003 heeft onderzoek uitgewezen dat in de provincie Zeeland tot het jaar 2010 1910 zorgwoningen dienen te worden gerealiseerd om aan de vraag naar zorgwoningen te kunnen voldoen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van regionale spreidingsplannen. Volgens het regionaal spreidingsplan Zeeuws-Vlaanderen zijn in de woonkern Philippine 30 zorgwoningen voorzien, waaronder twee groepswoningen.

De Afdeling overweegt dat uit het aan de notitie ten grondslag liggende onderzoek het maatschappelijk belang en de noodzaak is gebleken om in de provincie Zeeland 1910 zorgwoningen te realiseren tot het jaar 2010. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies van het onderzoek onjuist zijn.

2.10. Het bestaan van alternatieven voor een locatie voor het woonzorgcentrum kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan een gedeelte van het plan. Het karakter van de besluitvorming over de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Overigens heeft de raad ter zitting toegelicht dat het door de vereniging als vervangende locatie gesuggereerde Spamixterrein geen reëel alternatief vormt, aangezien dit terrein deel uitmaakt van een bedrijventerrein en de financiële haalbaarheid van een woonzorgcomplex op deze plaats niet zeker is gesteld.

2.11. De conclusie is dat hetgeen de vereniging heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de desbetreffende aanduiding niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

177-629.