Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200909690/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 19 augustus en 15 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (hierna: het college) aan verzoekster (hierna: de stichting) vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het oprichten van appartementen op het perceel Compagniesterpoort (hierna: het perceel) te Sappemeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909690/2/H1.

Datum uitspraak: 6 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de stichting Stichting Woningbouw Slochteren, gevestigd te Slochteren,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 december 2009 in de zaken nrs. 09/554 en 09/555 in het geding tussen:

1. [wederpartij sub 1]

2. [wederpartij sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 19 augustus en 15 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (hierna: het college) aan verzoekster (hierna: de stichting) vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het oprichten van appartementen op het perceel Compagniesterpoort (hierna: het perceel) te Sappemeer.

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft het college de door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 1] (hierna: [wederpartijen]) daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 december 2009, verzonden op 4 december 2009, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) de door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het college een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en de bouwvergunning geschorst.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2009, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 december 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door haar [directeur] en mr. R.P. Doting, advocaat te Groningen, en [wederpartijen], beiden vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek strekt tot opheffing van de schorsing van de bouwvergunning, zodat de bouw van de appartementen na 1 januari 2010 kan worden voortgezet. De stichting voert daartoe aan dat de rechtbank, door te overwegen dat het college het bouwplan ten onrechte niet aan het beeldkwaliteitsplan heeft getoetst, heeft miskend dat het college zich op grond van het welstandsadvies op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

2.2. Zelfs indien de aangevallen uitspraak in het bodemgeschil wat betreft het welstandsaspect niet voor bevestiging in aanmerking komt, betekent dat niet dat de schorsing van de bouwvergunning kan worden opgeheven. De rechtbank heeft naar aanleiding van de door [wederpartijen] ook aangevoerde beroepsgrond dat het bouwplan niet binnen het in het bestemmingsplan opgenomen bouwvlak past overwogen dat zij ervan uit gaat dat het college hieraan bij het nieuw op bezwaar te nemen besluit aandacht zal besteden, nu het zich bereid heeft verklaard dit aspect middels een hermeting nader te onderzoeken. Door aldus niet op die beroepsgrond te beslissen, is thans niet zeker dat het bouwplan in zoverre niet met het bestemmingsplan in strijd is. Onder die omstandigheden en nu geen nieuwe opmeting heeft plaatsgevonden en geen vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend voor eventuele overschrijding van het bouwvlak, is niet op voorhand uit te sluiten dat de bouwvergunning in het bodemgeschil niet in stand zal blijven. Gelet hierop, bestaat thans onvoldoende reden om de schorsing van de bouwvergunning op te heffen. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010

374.