Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8953

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200904677/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ1733, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om toekenning van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/212
Module Ruimtelijke ordening 2010/195

Uitspraak

200904677/1/H2.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2009 in zaak nr. 07/4782 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn (hierna: het college) een verzoek van [appellant] om toekenning van planschade afgewezen.

Bij besluit van 8 november 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 juli 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2009, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door E.C. van der Salm-Zandvliet en E. van den Klinkenberg, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat gold ten tijde hier van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant] is sinds 26 juli 1994 mede-eigenaar van het perceel met woning aan de [locatie] te [plaats]. Hij heeft verzocht om vergoeding van de waardevermindering van zijn woning ten gevolge van de vaststelling door de raad van de gemeente Uithoorn (hierna: de raad) op 27 januari 2005 van het bestemmingsplan "Legmeer-West", goedgekeurd door gedeputeerde staten van Zuid-Holland op 30 augustus 2005 en in werking getreden op 21 oktober 2005. Dit plan voorziet, voor zover thans van belang, in de realisering van een nieuwe woonwijk op een afstand van ongeveer 90 meter ten westen van zijn woning en een fietspad ter ontsluiting van deze woonwijk op de gronden tegenover zijn woning.

2.2.1. Het college heeft bij besluit van 8 november 2007, in afwijking van een advies van de bezwaarschriftencommissie van 10 augustus 2007, maar in navolging van aan hem uitgebrachte adviezen van de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van februari 2007 en 11 september 2007, de afwijzing van het verzoek gehandhaafd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] ten gevolge van de planologische wijzigingen in een enigszins nadeliger situatie is komen te verkeren. De realisering van de nieuwe woonwijk was evenwel voorzienbaar, en daarmee ook het bijbehorende fietspad, zodat [appellant] hiermee rekening heeft kunnen houden en de schade voor zijn rekening komt, aldus het college.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de rapporten van de SAOZ niet aan het besluit van 8 november 2007 ten grondslag heeft mogen leggen, omdat de SAOZ niet onpartijdig is.

2.3.1. De SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade, zodat het college in beginsel op een door de SAOZ uitgebracht advies mag afgaan. Het enkele feit dat de SAOZ voornamelijk aan overheidsorganen adviseert, zoals [appellant] heeft aangevoerd, betekent, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 12 januari 1999 in zaak nr. H01.97.1283; BR 1999, 685), niet zonder meer dat de advisering niet als onafhankelijk en onpartijdig kan worden aangemerkt. [appellant] heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de adviezen niet als onafhankelijk en onpartijdig zouden moeten worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 8 november 2007 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het college ten onrechte heeft nagelaten om het rapport van de SAOZ van 11 september 2007 ter nadere advisering voor te leggen aan de bezwaarschriftencommissie.

2.4.1. Dit betoog faalt. [appellant] is niet in zijn belangen geschaad door het achterwege blijven van een nader advies van de bezwaarschriftencommissie over het rapport van de SAOZ van 11 september 2007, reeds nu dit rapport slechts een nadere toelichting bevat op het eerder door de SAOZ uitgebrachte rapport van februari 2007, waarvan de bezwaarschriftencommissie wel kennis heeft genomen.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college de rapporten van de SAOZ niet aan het besluit van 8 november 2007 ten grondslag heeft mogen leggen omdat deze rapporten onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en gebreken vertonen. Volgens [appellant] heeft het college ten onrechte nagelaten het advies van de bezwaarschriftencommissie aan dit besluit ten grondslag te leggen.

2.5.1. Voor zover [appellant] betoogt dat de SAOZ heeft miskend dat de realisering van de nieuwe woonwijk en de aanleg van het fietspad ter ontsluiting van deze woonwijk niet voorzienbaar waren, faalt dat betoog. Of sprake is van voorzienbaarheid moet, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 februari 2003 in zaak nr. 200202248/1), worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij is van belang of concrete beleidsvoornemens bestonden die openbaar zijn gemaakt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich in navolging van de SAOZ op het standpunt heeft mogen stellen dat de realisering van de nieuwe woonwijk ten tijde van de aankoop van de woning voor [appellant] kenbaar was uit de op 2 juli 1992 door de raad vastgestelde structuurvisie "Uithoorn 2015", waarin de huidige locatie Legmeer-West, aangeduid als 'Noorddam', wordt genoemd als uitbreidingslocatie voor woningbouw. Op de bij de structuurvisie behorende plankaart wordt de locatie ook als zodanig aangeduid. De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden overwogen dat, nu de realisatie van de nieuwe woonwijk op grond van deze structuurvisie voorzienbaar was, dat ook gold voor het fietspad ter ontsluiting van deze woonwijk.

[appellant] heeft zijn stelling dat de geluidscontouren voor Schiphol destijds aan de realisering van de nieuwe woonwijk in de weg stonden, niet aannemelijk gemaakt, nog daargelaten het antwoord op de vraag of dat aan voorzienbaarheid in vorenbedoelde zin in de weg zou hebben gestaan. [appellant] heeft ook overigens geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de adviezen van de SAOZ voor onjuist zouden moeten worden gehouden. De enkele omstandigheid dat de rapporten van de SAOZ verkleinwoorden bevatten, zoals [appellant] heeft gesteld, is onvoldoende voor dat oordeel.

Nu niet is gebleken dat de rapporten van de SAOZ onjuist zijn, terwijl dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wel geldt voor het advies van de bezwaarschriftencommissie, waarin er ten onrechte van is uitgegaan dat de aanleg van het fietspad niet voorzienbaar was, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college de rapporten van de SAOZ niet aan het besluit van 8 november 2007 ten grondslag heeft mogen leggen.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de hoogte van de door hem geleden planschade behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

344.