Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8951

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
200902448/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wormerland (hierna: het college) geweigerd aan [appellante sub 2] een bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een woning en berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902448/1/H1.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Wormerland,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 maart 2009 in zaak nr. 08/6401 in het geding tussen:

[appellante sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wormerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wormerland (hierna: het college) geweigerd aan [appellante sub 2] een bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een woning en berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft het college het door [appellante sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 maart 2009, verzonden op 5 maart 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 augustus 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2009, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2009, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 6 mei 2009.

[appellante sub 2] en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2009, waar het college, vertegenwoordigd door A. Warmenhoven en E. Kluyskens, ambtenaren van de gemeente, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. Y.A. van Baak, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft nagelaten [appellante sub 2] te horen omtrent de second opinion van adviesbureau KuiperCompagnons van 16 juli 2008. Vaststaat dat [appellante sub 2] naar aanleiding van het door haar gemaakte bezwaar is gehoord door de Commissie bezwaarschriften van de gemeente Wormerland, zodat van strijd met die bepaling geen sprake is. Van strijd met artikel 7:9 van de Awb is evenmin sprake. De second opinion is gevraagd naar aanleiding van het advies van de Commissie bezwaarschriften van 8 april 2008 waarin is geconcludeerd tot gegrondverklaring van het bezwaar en herroeping van het besluit van 4 maart 2008. De second opinion bevat slechts een standpunt over de rechtmatigheid van het besluit van 4 maart 2008 en is niet gebaseerd op andere feiten en omstandigheden dan die ten grondslag zijn gelegd aan het advies van de Commissie bezwaarschriften.

2.2. Het perceel is ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk gebied gemeente Wormerland" (hierna: het bestemmingsplan) bestemd voor "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 6.1.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor - voor zover thans van belang - woonhuizen.

Ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder a en c, gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepalingen:

a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;

c. de afstand van een hoofdgebouw ten opzichte van de weg mag ten minste de bestaande afstand en ten hoogste 25,00 m bedragen, tenzij de bestaande afstand daarvan afwijkt, in welk geval de bestaande afstand geldt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 47, wordt in de voorschriften onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

2.3. Het bouwplan voorziet in de bouw van een woning en tuinberging op het perceel. De afstand van de woning tot - het hart van - de weg bedraagt ongeveer 31 meter. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat de woning is gesitueerd op meer dan 25 meter van de weg. De rechtbank heeft niettemin het besluit van 28 augustus 2008 vernietigd omdat het college heeft nagelaten [appellante sub 2] in de gelegenheid te stellen het bouwplan zodanig aan te passen dat deze strijd wordt opgeheven.

2.4. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan vanwege de afstand tot de weg in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens [appellante sub 2] moet de op het perceel aanwezige schuur op ongeveer 65 meter afstand van de weg worden aangemerkt als hoofdgebouw in de zin van artikel 1 van de planvoorschriften en mag gelet op artikel 6.2.1, aanhef en onder c, tot op maximaal die afstand worden gebouwd.

Dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de woning waarin het bouwplan voorziet moet worden aangemerkt als hoofdgebouw in de zin van de planvoorschriften. Dit is, gelet op de woonbestemming die op het perceel rust, aan te merken als het belangrijkste bouwwerk op het perceel. Op dat perceel mag ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften als hoofdgebouw uitsluitend een woonhuis worden gebouwd.

2.5. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 28 maart 2007, zaak nr. 200604714/1, dient het college als regel te beslissen op een aanvraag om bouwvergunning zoals deze is ingediend, maar is het onder omstandigheden bevoegd of zelfs gehouden, de aanvrager vooraf in de gelegenheid te stellen het bouwplan aan te passen. Voor overleg daaromtrent kan met name aanleiding bestaan indien door aanpassing kan worden bewerkstelligd dat een zich voordoende weigeringsgrond wordt weggenomen, alsook indien twijfel rijst of de bouwaanvraag de bedoelingen van de aanvrager juist en volledig weergeeft.

2.5.1. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het [appellante sub 2] in de gelegenheid had moeten stellen het bouwplan zodanig aan te passen dat dit in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de strijd van het bouwplan met het bestemmingsplan is gelegen in de afstand van de in het bouwplan voorziene woning tot de weg. Daartegen zijn in hoger beroep geen gronden gericht. Eerst ter zitting in hoger beroep is van de zijde van het college gesteld dat het bouwplan ook op andere punten in strijd zou zijn met het bestemmingsplan. Niet valt in te zien dat dit niet eerder kon worden aangevoerd. Aan die stelling moet wegens strijd met de goede procesorde worden voorbijgegaan.

Niet in geschil is dat het voor het college duidelijk was dat [appellante sub 2] beoogde een aanvraag om bouwvergunning in te dienen die in overeenstemming was met het bestemmingsplan. Gelet op de ligging in het buitengebied en de grootte van het perceel heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat een verschuiving van het bouwplan met zes meter in de richting van de weg is aan te merken als een wijziging van ondergeschikte aard. Anders dan het college stelt is daarvoor geen nieuwe aanvraag om bouwvergunning vereist. Gelet op de zorgvuldigheid die is vereist bij het voorbereiden van besluiten heeft het college onder die omstandigheden ten onrechte verzuimd [appellante sub 2] in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag om bouwvergunning aan te passen ten einde de strijd met het bestemmingsplan weg te nemen en heeft het ten onrechte zijn besluit om de bouwvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan te weigeren gehandhaafd. De stelling van het college dat realisering van het bouwplan tot gevolg heeft dat de bedrijfsvoering van een op het aangrenzende perceel gevestigd agrarisch bedrijf wordt gehinderd en dat dit bedrijf de bedrijfsactiviteiten mogelijk zal moeten beƫindigen, wat daar van zij, mist in dit verband relevantie. Voor zover die gevolgen zich zouden voordoen, vloeien deze voort uit de mogelijkheden die in het bestemmingsplan aan het perceel zijn toegekend.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep van [appellante sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond voor zover de rechtbank het besluit van 28 augustus 2008 in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft geacht. Nu de rechtbank dat besluit terecht heeft vernietigd, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

412.