Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
200901841/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 17 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van een volwaardige camping inclusief twee sanitairgebouwen en twaalf trekkerswoningen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901841/1/H1.

Datum uitspraak: 6 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 2 februari 2009 in zaak nrs. 08/3291 en 08/2255 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 17 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van een volwaardige camping inclusief twee sanitairgebouwen en twaalf trekkerswoningen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 juni 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, de besluiten van 17 april 2007 herroepen en opnieuw aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van een volwaardige camping inclusief twee sanitairgebouwen en twaalf trekkerswoningen op het perceel. Het college heeft voorts de kosten van [wederpartij] in verband met de behandeling van het bezwaar, € 644,00, vergoed.

Bij uitspraak van 2 februari 2009, verzonden op 4 februari 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juni 2008 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 april 2009.

Bij besluit van 24 maart 2009, neergelegd in brieven van 2 april 2009 en 28 april 2009, heeft het college het door [wederpartij] tegen de besluiten van 17 april 2007 gemaakte bezwaar opnieuw gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, die besluiten gedeeltelijk herroepen en aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van een camping inclusief twee sanitairgebouwen en twaalf trekkerswoningen op het perceel. Voorts heeft het college het verzoek van [wederpartij] om vergoeding van de kosten, die hij in bezwaar heeft gemaakt, afgewezen.

Bij brief, bij de rechtbank Alkmaar ingekomen op 23 april 2009, heeft [wederpartij] daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep doorgezonden naar de Raad van State.

Het college en [wederpartij] hebben verweerschriften ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Been en H. Struiken Boudier, ambtenaren in dienst van de gemeente respectievelijk de Milieudienst Kop van Holland, en [wederpartij], bijgestaan door mr. L.T. van Eyck van Heslinga, advocaat te Alkmaar, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door mr. P. van Lingen, advocaat te Alkmaar, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel grenst aan de percelen van [wederpartij], die ter plaatse paarden houdt.

2.2. Het project is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Harenkarspel". Het college heeft daarvan met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.3. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het onvoldoende heeft gemotiveerd waarom kan worden afgeweken van de afstand van 50 m die volgens de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en Milieuzonering" (hierna: de brochure) dient te worden aangehouden tussen de camping en de paardenhouderij van [wederpartij]. Daartoe voert het college aan dat niet vanaf de perceelsgrens, maar vanaf de paardenstal 50 m dient te worden aangehouden. Daartoe voert het college voorts aan dat zich op het perceel een strook van 30 m bevindt waarin geen recreatieve activiteiten zullen plaatsvinden.

2.3.1. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat op het gehele perceel van [wederpartij] een bestemming rust die milieubelastende activiteiten toestaat en dat het college vrijstelling heeft verleend voor het gebruik als camping van het gehele perceel. Geen grond bestaat derhalve voor het oordeel dat vanaf de paardenstal en niet vanaf de perceelsgrens dient te worden gemeten. Niet in geschil is dat wordt afgeweken van de afstand van 50 m. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het college in het besluit van 18 juni 2008 niet heeft gemotiveerd waarom van de afstand van 50 m is afgeweken. Hetgeen het college daarover in hoger beroep aanvoert, is niet opgenomen in dit besluit en doet er derhalve niet aan af dat dit besluit niet berust op een deugdelijke motivering in de zin van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.4. Het hoger beroep is ongegrond.

2.5. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw besloten op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.6. [wederpartij] betoogt dat de aanvraag om bouwvergunning voor het oprichten van twaalf trekkerswoningen niet ter inzage heeft gelegen. Daartoe voert hij aan dat deze aanvraag mogelijk na de terinzagelegging van stukken bij de gemeente is ingekomen, aangezien deze niet is ondertekend en dat het college niet heeft aangegeven dat deze bij de gemeente is ingekomen.

2.6.1. Het betoog slaagt niet. Het college heeft een ondertekende bouwaanvraag en een ontvangstbevestiging daarvan van 26 juli 2006 overgelegd. In hetgeen [wederpartij] heeft aangevoerd, is derhalve geen grond gelegen voor het oordeel dat de aanvraag om bouwvergunning voor het oprichten van twaalf trekkerswoningen zich niet bevond bij de stukken die vanaf 24 oktober 2007 ter inzage hebben gelegen.

2.7. [wederpartij] betoogt dat het besluit van 24 maart 2009 niet te beschouwen is als het resultaat van de heroverweging van de besluiten van 17 april 2007, nu daarbij vrijstelling is verleend voor meer dan het realiseren van een volwaardige camping inclusief twee sanitairgebouwen en twaalf trekkerswoningen.

2.7.1. Het betoog faalt. Dat bij besluit van 24 maart 2009 voorwaarden zijn verbonden aan de verleende vrijstelling, betekent niet dat hetgeen waarvoor bij het besluit van 24 maart 2009 vrijstelling is verleend afwijkt van hetgeen waarvoor bij besluit van 17 april 2007 vrijstelling is verleend. Eerstgenoemd besluit is derhalve te beschouwen als het resultaat van de heroverweging van laatstgenoemd besluit.

2.8. [wederpartij] betoogt dat het besluit van 24 maart 2009 in strijd is met de rechtszekerheid. Daartoe voert hij aan dat de inrichtingstekening die bij dat besluit hoort niet volledig op schaal is getekend. Voorts is zijns inziens de strook die dient als buffer tussen de camping en de paardenhouderij niet duidelijk aangegeven.

2.8.1. Eerst ter zitting heeft [wederpartij] geklaagd dat op de inrichtingstekening geen zichtlijnen zijn ingetekend. Niet valt in te zien waarom [wederpartij] deze klacht niet eerder dan ter zitting heeft kunnen inbrengen, zodat het college daarop naar behoren had kunnen reageren. Wegens strijd met de goede procesorde, zal de Afdeling deze klacht niet in haar oordeel betrekken.

2.8.2. Het door [wederpartij] aangevoerde leidt niet tot het oordeel dat de inrichtingstekening wat betreft de afstand tussen de gronden waarop de kampeeractiviteiten mogen plaatsvinden en de percelen van [wederpartij] afwijkt van de omschrijving daarvan in het besluit. De omstandigheid dat niet alleen de strook, maar ook een groot deel van de camping op de inrichtingstekening, die deel uitmaakt van de verleende vrijstelling en bouwvergunning, is aangegeven als grasland, betekent niet dat deze tekening onvoldoende duidelijk is. Op deze strook zijn geen nummers aangegeven, die standplaatsen weergeven. Bovendien is deze strook door middel van een hekwerk gescheiden van de rest van de camping. Ter zitting heeft [vergunninghouder] ook aangegeven dat hij het besluit van 24 maart 2009 zo heeft begrepen, dat ter plaatse een hekwerk dient te worden opgericht waardoor de strook redelijkerwijs niet begaanbaar zal zijn voor kampeerders.

Ook de omstandigheid dat de hoogte van de aarden wal niet op de inrichtingstekening is vermeld, betekent niet dat de inrichtingstekening onvoldoende duidelijk is. Het realiseren van een aarden wal met groenblijvende beplanting is, gelet op het onder 2.9.1. overwogene, van belang ter voorkoming van hinder voor zowel de camping als de paardenhouderij. De hoogte van de aarden wal is daarbij niet doorslaggevend.

2.9. [wederpartij] betoogt voorts dat het college in het besluit van 24 maart 2009 niet heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van de afstand van 50 m die volgens de brochure dient te worden aangehouden tussen de camping en de paardenhouderij van [wederpartij].

2.9.1. Het college heeft in het besluit van 24 maart 2009 de afwijking van de afstand van 50 m, onder verwijzing naar het advies van de Milieudienst Kop van Noord-Holland van 25 februari 2009, gemotiveerd. Het college heeft aangaande de hinder van de paardenhouderij voor de camping uiteengezet dat geur het bepalende milieuaspect is. De camping is op meer dan 50 m gelegen van de paardenstal, zijnde het emissiepunt. Volgens het college kan wat de in de weilanden lopende paarden betreft worden volstaan met een kortere afstand, aangezien, naar niet wordt bestreden, de geurhinder daarvan kleiner is. De stelling dat dit deel van de percelen van [wederpartij] veel intensiever wordt gebruikt dan bij alleen een weiland zou mogen worden verwacht, heeft [wederpartij] niet onderbouwd. Over de hinder van de camping voor de paardenhouderij heeft het college aangegeven dat geluid het bepalende milieuaspect is. Het heeft erop gewezen dat de percelen waarop de paarden grazen niet kunnen worden aangemerkt als geluidgevoelige bestemming. Om te voorkomen dat de paarden hinder ondervinden van de campinggasten, wordt, door het plaatsen van een hek, een strook van 30 m tot aan de percelen van [wederpartij] gerealiseerd, waarop geen recreatieve activiteiten zullen plaatsvinden. Voorts zal ter voorkoming van hinder voor zowel de camping als de paardenhouderij langs de perceelsgrens een dichte, min of meer ondoordringbare groenstrook worden gerealiseerd en ter hoogte van de bedrijfsopstallen van [wederpartij] een aarden wal met groenblijvende beplanting.

Gezien het voorgaande, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling een deugdelijke motivering gegeven voor zijn standpunt dat voor een gedeelte van de camping een kleinere afstand kan worden aangehouden dan de 50 m die de brochure als indicatieve afstand geeft, zodat ook dit betoog van [wederpartij] niet slaagt.

2.10. [wederpartij] betoogt tenslotte dat het college ten onrechte zijn verzoek om vergoeding van de kosten, die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt, heeft afgewezen.

2.10.1. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college de besluiten van 17 april 2007 gedeeltelijk herroepen. Aangezien de herroeping van deze besluiten is ingegeven door aan het college te wijten onrechtmatigheid, zou het college aan [wederpartij] de in bezwaar redelijkerwijs gemaakte proceskosten, zijnde twee punten als genoemd in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, dienen te vergoeden. Dit betreft een bedrag van € 644,00. Bij besluit van 18 juni 2008 heeft het college reeds een vergoeding van de kosten van [wederpartij] toegewezen en het college heeft een bedrag van € 644,00 aan [wederpartij] betaald. Gelet hierop, dient de aangevallen uitspraak aldus te worden verstaan, dat het besluit van 18 juni 2008 niet is vernietigd, voor zover het college daarbij de kosten van [wederpartij] in verband met de behandeling van het bezwaar, € 644,00, heeft vergoed.

2.11. Het beroep tegen het besluit van 24 maart 2009 is ongegrond.

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 24 maart 2009 ongegrond;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010

499.