Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
200904099/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college van gedeputeerde staten) een verklaring van geen bezwaar verleend voor het oprichten van een schoolgebouw zijnde een brede school op het perceel Maximiliaanlaan ongenummerd te Waalre (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet op de Ruimtelijke Ordening 41c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/496
JOM 2010/631
ABkort 2010/19

Uitspraak

200904099/1/H1.

Datum uitspraak: 6 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de vereniging Vereniging tot Behoud van Natuur, Speelterrein en Rust in Ekenrooi, gevestigd te Waalre,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Waalre,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college van gedeputeerde staten) een verklaring van geen bezwaar verleend voor het oprichten van een schoolgebouw zijnde een brede school op het perceel Maximiliaanlaan ongenummerd te Waalre (hierna: het perceel).

Bij besluiten van 22 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalre (hierna: het college van burgemeester en wethouders), met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan Stichting Wooninc. (hierna: Wooninc) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een schoolgebouw zijnde een brede school, vergunning verleend voor het kappen van 6 eiken en 19 berken op het perceel en vergunning verleend voor het maken van inritten op het perceel.

Tegen deze besluiten hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2009, en de vereniging Vereniging tot Behoud van Natuur, Speelterrein en Rust in Ekenrooi (hierna: de Vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2009, beroep ingesteld. De Vereniging heeft haar beroep aangevuld bij brief van 1 juli 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Wooninc een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college van burgemeester en wethouders van Waalre heeft een verweerschrift ingediend.

De Vereniging en [appellanten sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2009, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigden], de Vereniging, vertegenwoordigd door H. van Assen en H.W. Muusze, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M.W. de Brouwer en mr. M. Foederer-Roels, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar Wooninc, vertegenwoordigd door mr. P.W.M. Dorn, advocaat te Geldrop, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 1 april 2008 heeft de raad van de gemeente Waalre (hierna: de gemeenteraad) het project tot de oprichting van een brede school aan de Maximiliaanlaan als project aangewezen waarop de coördinatieregeling, als bedoeld in de artikelen 41c, 41d en 41e van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) toegepast kan worden. Daarbij heeft de gemeenteraad de besluiten omtrent bouwvergunning inclusief procedure op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO, aanlegvergunning inclusief procedure op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO, inritvergunning, kapvergunning en het besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting aangemerkt als de mogelijk te coördineren procedurebesluiten waarop dit coördinatiebesluit betrekking heeft en waarvan het college van burgemeester en wethouders gedurende het traject kan besluiten om alsnog een procedure buiten het traject te laten vallen.

Volgens onderdeel A, onder 2.1, van het besluit van 1 april 2008 stelt het college van burgemeester en wethouders gelijktijdig, binnen een door hem te noemen termijn, de ontwerpbesluiten op.

2.2. De Vereniging betoogt tevergeefs dat het college van burgemeester en wethouders gehouden was de voorbereiding en bekendmaking van alle door de gemeenteraad in het besluit van 1 april 2008 vermelde besluiten te coördineren. De gemeenteraad heeft op grond van artikel 41c van de WRO gevallen aangewezen waarin hij coördinatie van voorbereiding en bekendmaking wenselijk acht. Toepassing van artikel 41 c van de WRO leidt er niet toe dat bundeling en parallelschakeling van procedures verplicht wordt, zoals wordt bevestigd door de Memorie van Toelichting op dit artikel (Kamerstukken II, 2004/05, 29 871, nr. 3, blz. 55).

2.3. De Vereniging klaagt voorts tevergeefs dat het college van burgemeester en wethouders niet binnen vier weken de verschillende ontwerpbesluiten heeft opgesteld. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het besluit van 22 april 2009 om die reden zou moeten worden vernietigd.

Ten aanzien van de vrijstelling en bouwvergunning

2.4. Het bouwplan betreft het oprichten van een gebouw met een oppervlakte van 5040 m². Het gebouw, dat bestaat uit twee bouwlagen, biedt ruimte aan 22 permanente lokalen en 8 semipermanente lokalen voor primair onderwijs. Het betreft een zogenoemde brede school met buitenschoolse opvang, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal en jeugdbibliotheek.

2.5. Op het perceel gelden de bestemmingsplannen "Ekenrooi-Noord", "Ekenrooi-Midden", "Ekenrooi-Zuid" en "Ekenrooi 1968".

Ingevolge het bestemmingsplan "Ekenrooi-Noord" rust op het perceel de bestemming "Verkeersdoeleinden".

Ingevolge het bestemmingsplan "Ekenrooi-Midden" rust op het perceel de bestemming "Groenvoorzieningen".

Ingevolge het bestemmingsplan "Ekenrooi-Zuid" rust op het perceel de bestemming "Openbaar groen".

Ingevolge het bestemmingsplan "Ekenrooi 1968" rust op het perceel de bestemming "Natuurschoongebied".

2.6. Het bouwplan is in strijd met deze bestemmingsplannen. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling verleend.

2.7. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het vierde lid wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 19a, achtste lid, van de WRO kunnen gedeputeerde staten de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, wordt een bestemmingsplan tenminste eenmaal in de tien jaren herzien.

2.8. De Vereniging betoogt dat het college van gedeputeerde staten haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. Voorts betogen [appellanten sub 1] en de Vereniging dat het college van gedeputeerde staten niet is ingegaan op de zienswijzen die zij hebben ingediend bij het college van burgemeester en wethouders.

2.8.1. Ingevolge artikel 55, aanhef en onder a, van de WRO, voor zover thans van belang, worden voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft als één besluit aangemerkt. De verklaring heeft betrekking op de verleende vrijstelling. Tegen het ontwerpbesluit heeft de Vereniging bij het college van burgemeester en wethouders zienswijzen kunnen indienen. Uit het besluit van 24 maart 2009 kan worden afgeleid dat het college van gedeputeerde staten, na kennis te hebben genomen van de ingediende zienswijzen, heeft ingestemd met de weerlegging van deze zienswijzen door het college van burgemeester en wethouders door de gevraagde verklaring van geen bezwaar te verlenen. Bedoelde beroepsgronden falen.

2.9. De Vereniging betoogt voorts dat het college van gedeputeerde staten de verklaring van geen bezwaar had moeten weigeren, aangezien het bouwplan in strijd is met het beleid om het accent te leggen op inbreiden, met het regionaal structuurplan regio Eindhoven (hierna: het regionaal structuurplan) en met het reconstructieplan "Boven-Dommel 2005" (hierna: het reconstructieplan).

2.9.1. Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college van gedeputeerde staten de beleidsregel "Paraplunota ruimtelijke ordening" (hierna: de Paraplunota) vastgesteld. Volgens artikel 1, tweede lid, van de Paraplunota, voor zover thans van belang, heeft deze beleidsregel betrekking op de toepassing van de bevoegdheden van het college van gedeputeerde staten op grond van de WRO zolang op grond van het overgangsrecht toezicht van gemeentelijke planologische maatregelen (goedkeuring dan wel verklaring van geen bezwaar) van het college van gedeputeerde staten vereist is. Ingevolge artikel 9.1.10. van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) blijft de WRO van toepassing ten aanzien van de gevraagde vrijstelling. Derhalve is voor het verlenen van vrijstelling een verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten vereist. Anders dan de Vereniging betoogt, heeft het college van gedeputeerde staten het bouwplan, gelet op artikel 1, tweede lid, van de Paraplunota, terecht getoetst aan de Paraplunota.

In paragraaf 2.1 van de Paraplunota is vermeld dat het college van gedeputeerde staten met het accent dat het in zijn ruimtelijk beleid legt op zuinig ruimtegebruik de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag wil afremmen. In paragraaf 2.2 is vermeld dat door verschillende functies op een locatie te combineren extra ruimtebeslag kan worden voorkomen of beperkt en dat het college van gedeputeerde staten meervoudig gebruik van de ruimte wil stimuleren.

Nu het bouwplan, onder meer doordat stapelend wordt gebouwd, verschillende functies op een locatie combineert, heeft het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met het provinciaal planologisch beleid, zoals verwoord in de Paraplunota. Voorts is het perceel, zoals de Vereniging ter zitting heeft erkend, niet gelegen in de ecologische hoofdstructuur, zodat het bouwplan reeds daarom niet in strijd is met het beleid uit de Paraplunota dat geldt voor de ecologische hoofdstructuur.

2.9.2. Het regionaal structuurplan is een plan als bedoeld in artikel 36c, eerste lid, van de WRO, waarin de toekomstige ontwikkeling van het gebied is aangegeven. Het regionaal structuurplan behelst het beleidsuitgangspunt de verstedelijking te concentreren in stedelijke regio's. De Afdeling stelt vast dat de bij het regionaal structuurplan behorende kaart een globaal karakter heeft in die zin dat daarop niet op perceelsniveau een volledige afweging heeft plaatsgevonden van alle in het geding zijnde belangen. De omstandigheid dat de grens van de stedelijke regio is gelegen op het perceel, betekent derhalve niet zonder meer dat het bouwplan in strijd is met het regionaal structuurplan. Ook overigens is van een dergelijke strijdigheid niet gebleken.

2.9.3. Het reconstructieplan bevat maatregelen om met prioriteit de sectorale waterdoelen in natte natuurparels te behalen. Om te voorkomen dat de huidige hydrologische situatie van de natte natuurparels verder verslechtert, bevat het plan een beschermingsbeleid voor de natte natuurparels, inclusief de zogenaamde 'beschermingszone natte natuurparel' (een zone van gemiddeld 500 m daaromheen). Het beleid in deze gebieden is gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur en op bescherming tegen ingrepen die een ongewenste beïnvloeding van natuurwaarden kunnen hebben. Er geldt een hydrologisch standstill beginsel. In het gebied of in de omgeving mogen geen activiteiten plaatsvinden die een verslechtering van de situatie in de natte natuurparel tot gevolg hebben.

Ter zitting is vastgesteld aan de hand van een kaart, die is afgedrukt uit de cd-rom van de gemeente Waalre, die identiek is aan de kaart van de provincie behorende bij het reconstructieplan, dat het zuidoostelijk deel van het perceel is gelegen in een zogenaamde 'beschermingszone natte natuurparel'. Aangezien, zo is verklaard, het waterschap geen belemmeringen heeft gezien voor het verwezenlijken van het bouwplan en dit bouwplan, gelet daarop, geen afbreuk doet aan de zogenaamde 'beschermingszone natte natuurparel', is in het aangevoerde geen grond gelegen voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid de gevraagde verklaring van geen bezwaar heeft kunnen verlenen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de Afdeling bij uitspraak van 16 mei 2007 in zaak nr. 200506839/1, voor zover thans van belang, het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant van 22 april 2005 tot vaststelling van het reconstructieplan heeft vernietigd voor zover artikel 27 van de Reconstructiewet concentratiegebieden van toepassing is verklaard op de begrenzing en werking van de natte natuurparels en de 500 m zones daaromheen. Het college van gedeputeerde staten diende het reconstructieplan, voor zover vernietigd, als beleidsuitspraak te betrekken bij zijn beslissing omtrent verlening van de verklaring van geen bezwaar. Voorts heeft het college ter zitting verklaard dat de gemeenteraad bij besluit van 29 september 2009 het bestemmingsplan "Buitengebied, tweede partiële herziening" heeft vastgesteld en het perceel ingevolge dat bestemmingsplan niet is gelegen in de zogenaamde 'beschermingszone natte natuurparel'.

2.10. Het betoog van de Vereniging dat het college van gedeputeerde staten aan het college van burgemeester en wethouders mondeling heeft toegezegd dat de gevraagde verklaring van geen bezwaar zou worden verleend, terwijl deze nog niet door de betreffende commissie was beoordeeld, leidt, wat daarvan zij, niet tot het daarmee beoogde doel nu zich daartegen geen geschreven of ongeschreven rechtsregel verzet.

2.11. De Vereniging betoogt voorts dat het college van burgemeester en wethouders haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar zienswijze mondeling naar voren te brengen.

2.11.1. De Vereniging heeft haar zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren kunnen brengen. Het college heeft daarmee voldaan aan artikel 3:15, eerste lid, van de Awb, dat niet noopt tot het houden van een hoorzitting.

2.12. [appellanten sub 1] betogen dat de ruimtelijke onderbouwing die aan de vrijstelling ten grondslag is gelegd ten onrechte niet ter inzage is gelegd. Voorts betoogt de Vereniging dat het college van burgemeester en wethouders de Paraplunota niet ter inzage heeft gelegd.

2.12.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.12.2. In het zich in het dossier bevindende overzicht van de ter inzage gelegde stukken is vermeld dat de ruimtelijke onderbouwing ter inzage heeft gelegen in de periode van 28 augustus 2008 tot en met 8 oktober 2008. Het college van burgemeester en wethouders heeft in zoverre niet gehandeld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Aan de omstandigheid dat de ruimtelijke onderbouwing niet ter inzage heeft gelegen van 19 juni 2008 tot en met 30 juli 2008 komt derhalve geen betekenis toe.

De Paraplunota heeft geen betrekking op het ontwerp van het besluit, zodat deze niet met dit ontwerp ter inzage behoefde te worden gelegd.

2.13. De Vereniging betoogt tevergeefs dat het college van burgemeester en wethouders onzorgvuldig heeft gehandeld door de ingediende zienswijzen ter inzage te leggen en daarmee de privacy van de indieners heeft geschonden. De omstandigheid dat het college zienswijzen ter inzage heeft gelegd, betekent niet dat het college bij de voorbereiding van het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel vereist. Evenmin heeft het college enige andere, geschreven of ongeschreven, rechtsregel geschonden door deze zienswijzen ter inzage te leggen.

2.14. Het betoog dat de communicatie onvoldoende is geweest en [appellanten sub 1] niet de mogelijkheid hebben gehad om deel te nemen aan een stuur- of werkgroep om hun ideeën kenbaar te maken, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Geen geschreven of ongeschreven rechtsregel verplicht daartoe.

2.15. De omstandigheid dat de kosten van het bouwplan zijn gestegen ten opzichte van het ontwerpbesluit leidt evenmin tot het daarmee door [appellanten sub 1] en de Vereniging beoogde doel. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het besluit niet mag afwijken van het ontwerpbesluit. Ook betekent dit niet dat opnieuw een ontwerpbesluit ter inzage gelegd diende te worden, nu het bouwplan niet is gewijzigd.

2.16. De Vereniging betoogt dat bij het verlenen van vrijstelling voor de keuze van de architect en de financier een aanbestedingsprocedure had moeten worden gevolgd, nu de geraamde waarden van deze opdrachten de drempelbedragen van artikel 7 van de richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten overschrijden.

2.16.1. Gelet op artikel 1, aanhef en onder k, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder h, i en j, van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten is voor het voldoen aan de definitie van een overheidsopdracht onder meer vereist dat sprake is van een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel. Het besluit tot verlening van vrijstelling betreft geen schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel en is reeds daarom geen overheidsopdracht. Het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten is derhalve niet van toepassing op het besluit van 22 april 2009. Het betoog faalt.

2.17. [appellanten sub 1] en de Vereniging betogen dat het college van burgemeester en wethouders niet met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bouwplan heeft kunnen verlenen, nu de ter plaatse geldende bestemmingsplannen niet binnen tien jaren zijn herzien.

2.17.1. Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft de gemeenteraad verklaard dat een bestemmingsplan wordt voorbereid. Nu voor het perceel ten tijde van het besluit van 22 april 2009 derhalve een voorbereidingsbesluit gold, betekent de omstandigheid dat de ter plaatse geldende bestemmingsplannen niet in tien jaren zijn herzien, gelet op artikel 19, vierde lid, aanhef en onder b, van de WRO, niet dat het college van burgemeester en wethouders niet met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling kon verlenen.

2.18. De Vereniging betoogt dat de gemeenteraad ten onrechte op basis van artikel 3.7, eerste lid, van de Wro heeft verklaard dat een bestemmingsplan wordt voorbereid, aangezien dit artikel nog niet in werking was getreden op het moment dat de gemeenteraad besloot het project tot de oprichting van een brede school aan de Maximiliaanlaan als project aan te wijzen waarop de coördinatieregeling kon worden toegepast.

2.18.1. Ten tijde van het besluit van 7 oktober 2008 gold de Wro. De gemeenteraad heeft zijn besluit derhalve terecht genomen op basis van die wet. De omstandigheid dat tegen een voorbereidingsbesluit op grond van artikel 21 van de WRO rechtsmiddelen konden worden aangewend terwijl dit tegen een voorbereidingsbesluit op basis van artikel 3.7, eerste lid, van de Wro niet mogelijk is, betekent niet dat de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit kon nemen op basis van een ingetrokken wet. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het college slechts vrijstelling kon verlenen indien een voorbereidingsbesluit gold dat was genomen op basis van de WRO.

2.19. [appellanten sub 1] en de Vereniging betogen dat de gemeenteraad het voorbereidingsbesluit van 7 oktober 2008 in strijd met de rechtszekerheid heeft genomen, aangezien de gemeenteraad bij besluit van 6 juni 1989 heeft verklaard dat ter plaatse maximaal vijf jaren een school zou worden gevestigd.

2.19.1. Bij besluit van 14 maart 1989 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen ten behoeve van het perceel Maximiliaanlaan/Hutdijk teneinde door middel van anticipatie ter plaatse een openbare school te realiseren. Bij besluit van 6 juni 1989 heeft de gemeenteraad de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en verklaard dat de situering van de openbare school aan de Maximiliaanlaan slechts tijdelijk zal zijn, gedurende welke periode een definitieve locatie zal worden bepaald in het nog te ontwerpen bestemmingsplan voor het gebied "Ekenrooi-Noord", gelegen ten noordoosten van de groenvoorziening aan de Maximiliaanlaan.

Aan dit besluit konden [appellanten sub 1] en de Vereniging niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat de gemeenteraad niet ten behoeve van het verlenen van vrijstelling voor het oprichten van een schoolgebouw zou verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid op het perceel, reeds omdat thans niet dezelfde school en niet dezelfde plek op de Maximiliaanlaan aan de orde zijn.

2.20. [appellanten sub 1] en de Vereniging betogen dat het college van burgemeester en wethouders niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het bouwplan. Daartoe voeren zij het volgende aan. Het oprichten van 30 schoollokalen is niet nodig. Het bouwplan leidt tot verlies van een speelmogelijkheid in de wijk. Het bouwplan leidt tot verkeersonveilige situaties. Het bouwplan leidt tot sociale onveiligheid, omdat geen zicht bestaat op de speelplaats aan de achterzijde van het gebouw. Er bestaan alternatieven voor het bouwplan, te weten de Ekenrooisestraat, het door de provincie aangewezen uitbreidingsgebied Ekenrooi-Zuid en het centrum Jeugd en Gezin. Het bouwplan zal vanwege de verkeersaantrekkende werking leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Het perceel is nabij het Habitatrichtlijngebied "Groote Heide" gelegen.

2.20.1. In juni 2006 zijn voor de basisscholen Ekenrooi en Sint Christoffel leerlingenprognoses opgesteld voor de jaren 2006-2026. Hieruit valt af te leiden dat deze scholen tezamen in 2010 uit 27 groepen zullen bestaan en in 2020 uit 13 groepen. Het bouwplan voorziet, gelet hierop, in ieder geval in voldoende lokalen. In de Nota van beantwoording zienswijzen is vermeld dat de 8 semipermanente lokalen nodig zijn aangezien de leerlingenprognoses uitwijzen dat bij de start van de bouw de meeste lokalen nodig zijn en dat daarnaast ervoor is gekozen om op termijn vrijkomende capaciteit flexibel in te vullen met kernpartners en partners van de brede school, zoals Basisschool Ekenrooi, Basisschool Sint Christoffel, Stichting Peuterspeelzalen Waalre, Bibliotheek De Kempen en Kinderopvangorganisatie Kinderstad. Voorts is aangegeven dat is gekozen voor meer lokalen dan nodig, omdat steeds minder klassikaal wordt lesgegeven.

Gelet op het gebruik dat door de partners van de brede school zal worden gemaakt en de leerlingenprognoses van juni 2006, is in het aangevoerde geen grond gelegen voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Dat volgens het rapport "Prachtig Ekenrooi" van D'norm 71% van de inwoners geen behoefte heeft aan de brede school, doet daar niet aan af, reeds omdat, wat er ook verder zij van dit rapport, deze uitkomst voor het college geen grond behoefde te zijn om in redelijkheid de vrijstelling niet te verlenen.

Voor zover [appellanten sub 1] beogen te betogen dat leegstand van het schoolgebouw zal leiden tot vergunningverlening voor een appartementencomplex ter plaatse, leidt dat niet tot het daarmee beoogde doel, nu in deze procedure slechts de vergunningen voor de brede school aan de orde zijn.

2.20.2. Niet in geschil is dat het bouwplan zal leiden tot verlies aan speelruimte ter plaatse. Dit betekent niet dat het college van burgemeester en wethouders aan het belang van speelruimte ter plaatse een groter gewicht diende toe te kennen dan aan het belang van een brede school ter plaatse. Het verlies aan speelruimte zal deels worden gecompenseerd doordat op het perceel een verhard basketbalveld zal worden aangelegd en buiten schooltijden kan worden gespeeld op de zogenoemde "Kiss and Ride"-zone. In het aangevoerde is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders, die bij de bevoegdheid om al dan niet vrijstelling te verlenen over een ruime mate van beslissingsruimte beschikt, niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.20.3. In het rapport Verkeerstoets Brede School te Ekenrooi van 24 mei 2008 van Grontmij Nederland bv is vermeld dat de toename van het verkeer als het gevolg van het project ten opzichte van 2017 autonoom 10% is en dat de effecten van deze toename gering zijn als het gaat om bereikbaarheid en doorstroming. Ter zitting is namens het college van burgemeester en wethouders toegelicht dat de verkeerstelling op 28 februari 2008, waarop het rapport is gebaseerd, voldoende representatief is. Hetgeen [appellanten sub 1] en de Vereniging hiertegen hebben ingebracht, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is. Voorts is in het rapport vermeld dat met het realiseren van het ontwerp voor de openbare ruimte een logisch stelsel ontstaat van voetpaden en oversteekplaatsen. Dat in het rapport geen vergelijking is gemaakt tussen de verkeerssituatie bij het perceel en bij de Ekenrooisestraat, betekent, gelet op het hierna onder 2.20.5. overwogene, niet dat het college van burgemeester en wethouders zich niet op het rapport heeft mogen baseren.

In de Nota van beantwoording zienswijzen heeft het college van burgemeester en wethouders vermeld dat alle adviezen uit het rapport Verkeerstoets Brede School zijn uitgewerkt in het inrichtingsplan Openbare Ruimte. Voorts is daar vermeld dat de snelheidsbeperkende maatregelen bestaan uit een inritconstructie, een aansluiting Maximiliaanlaan, een verkeersplateau Maximiliaanlaan/Karel de Stoutelaan en het verlengen van de middengeleider op de Sophiastraat. Het advies van Veilig Verkeer Nederland van 15 oktober 2009, dat [appellanten sub 1] hebben overgelegd, om de toegestane snelheid in de Sophiastraat terug te brengen van 50 km per uur tot 30 km per uur zou ertoe leiden dat het kruispunt Maximiliaanlaan/Sophiastraat een gelijkwaardig kruispunt wordt, hetgeen volgens het college van burgemeester en wethouders ertoe zou leiden dat de doorstroom ter plaatse zou stagneren. Ter zitting is toegelicht dat de verwachting is dat op de Sophiastraat, door de snelheidsbeperkende maatregelen, niet harder dan 30 km per uur zal worden gereden en dat in zoverre wordt tegemoetgekomen aan het advies. Gelet hierop, bestaat geen grond voor het oordeel dat met het realiseren van de brede school een zodanig gevaarlijke verkeerssituatie wordt gecreëerd dat het college van burgemeester en wethouders niet in redelijkheid vrijstelling daarvoor heeft kunnen verlenen.

2.20.4. Anders dan [appellanten sub 1] en de Vereniging aanvoeren, is er geen speelveld voorzien aan de achterzijde van het gebouw waarvoor vrijstelling en bouwvergunning is verleend. De ruimte tussen dit gebouw en het bos daarachter is voorts niet openbaar toegankelijk. Voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het bouwplan omdat dit zal leiden tot sociale onveiligheid, bestaat reeds daarom geen grond.

2.20.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (o.m. in haar uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200800359/1), dient het college van burgemeester en wethouders te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het bouwplan, waarvoor vrijstelling is gevraagd. Indien een bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [appellanten sub 1] en de Vereniging hebben niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is.

2.20.6. In het Luchtkwaliteitsonderzoek Brede School Ekenrooi van 23 mei 2008 van Grontmij Nederland bv is geconcludeerd dat in alle toetsjaren wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer en dat er daarom vanuit luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn om het project te verwezenlijken. [appellanten sub 1] en de Vereniging hebben niet betwist dat bij dit onderzoek is uitgegaan van de juiste achtergrondconcentratie. Voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders zich niet heeft kunnen baseren op voormeld onderzoek van 23 mei 2008 bestaat derhalve geen grond. Het Luchtkwaliteitsplan Valkenswaard en Waalre van 24 augustus 2006 heeft geen betrekking op het perceel en leidt derhalve niet tot een andere conclusie.

2.20.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (voormelde uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200800359/1), komen de vragen of voor de uitvoering van het bouwplan ontheffingen nodig zijn, en zo ja, of deze ontheffingen kunnen worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat het college van burgemeester en wethouders geen vrijstelling voor het bouwplan had kunnen verlenen indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. In het rapport van Grontmij van 14 maart 2008 "Toetsing natuur- en soortenbeleid Brede School Ekenrooi" is vermeld dat door de ontwikkeling van de brede school geen beschermde natuurwaarden worden vernietigd en dat geen sprake is van versnippering van natuurwaarden. Voorts is daar vermeld dat mogelijk sprake is van verstoring van natuurwaarden, maar dat in de huidige situatie al sprake is van verstoring.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 oktober 2007 in zaak nr. 200701240/1), komen de vragen of voor de uitvoering van het project een vergunning nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, en zo ja, of deze vergunning kan worden verleend aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Dat doet er niet aan af dat het college van burgemeester en wethouders geen vrijstelling voor het bouwplan had kunnen verlenen indien en voor zover het op voorhand had moeten inzien dat de Natuurbeschermingswet 1998 aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. In het rapport van Grontmij 199699.ehv.VT01 is vermeld dat de bouw en het gebruik van de brede school geen negatieve effecten heeft op de kwalificerende habitattypen en soorten uit het Natura2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Voorts is daar vermeld dat de ontwikkeling van de brede school, omdat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op dit gebied, niet vergunningsplichtig is in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998.

Gelet op het voorgaande, heeft het college van burgemeester en wethouders zich op het standpunt kunnen stellen dat de toepasselijke bepalingen van de Flora- en faunawet en van de Natuurbeschermingswet 1998 niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staan.

Ten aanzien van de kapvergunning

2.21. Voor zover de Vereniging betoogt dat bomen zullen worden gekapt waarvoor geen kapvergunning is aangevraagd, is dat in deze procedure niet aan de orde.

Ten aanzien van de inritvergunning

2.22. De Vereniging betoogt dat het college van burgemeester en wethouders onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het inritvergunning heeft verleend, terwijl ingrijpende infrastructurele aanpassingen in de buurt van het perceel zijn voorzien.

2.22.1. Het betoog faalt. Gelet op het onder 2.20.3. overwogene, bestaat geen grond voor het oordeel dat in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg aanleiding bestond om de inritvergunning te weigeren.

2.23. De beroepen zijn ongegrond.

2.24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010

499.