Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BK8357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
200903132/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand Arnhem (hierna: de raad) de aanvraag van [appellante] om afgifte van een toevoeging voor rechtsbijstand ter zake van de begeleiding bij de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903132/1/H2.

Datum uitspraak: 6 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 maart 2009 in zaak

nr. 08/4475 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand Arnhem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand Arnhem (hierna: de raad) de aanvraag van [appellante] om afgifte van een toevoeging voor rechtsbijstand ter zake van de begeleiding bij de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel, afgewezen.

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2009, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2009, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij de raad, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Ingevolge artikel 32 geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de afhandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

Ter nadere invulling van zijn in onder meer artikel 28 van de Wrb neergelegde bevoegdheid heeft de raad beleidsregels vastgesteld die zijn neergelegd in het Handboek Toevoegen, uitgave april 2007 (hierna: het Handboek).

Volgens aantekening 15, bij artikel 28 van de Wrb, van het Handboek wordt voor de rechtsbijstand in de AC-procedure aan een gezin in de eerste fase in beginsel één toevoeging verleend.

2.2. Gelet op het in de eerdere uitspraak van 8 juli 2008, in zaak nr. 08/148, neergelegde oordeel van de rechtbank dat de werkzaamheden waarvoor toevoeging is aangevraagd, dienen ter behandeling van hetzelfde rechtsbelang als waarvoor reeds eerder een toevoeging is verstrekt en dat zich geen verschillende procedures voordoen, betreft het geschil thans nog slechts de vraag of het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat voor [appellante] een uitzondering zou moeten worden gemaakt op het door de raad vastgestelde beleid dat slechts één toevoeging per gezin wordt verleend.

2.3. Het betoog van [appellante] dat de raad haar voorafgaande aan het nieuwe besluit op bezwaar van 19 augustus 2008 ten onrechte niet opnieuw heeft gehoord, faalt, omdat de door de rechtbank veronderstelde verschrijving bij de eerdere uitspraak van de rechtbank van 8 juli 2008 geen nieuwe feiten of omstandigheden opleveren die nopen tot het nader horen op de voet van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Ook het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de raad ten onrechte haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd faalt.

2.4.1. Het standpunt van [appellante] dat in de zaak Naderi/Rezaie beide echtgenoten een verschillend vluchtrelaas hebben en dat die vluchtrelazen gelijk zijn aan haar geval en derhalve ook in haar geval aanleiding bestond tot het maken van een uitzondering op het beleid, kan niet worden gevolgd nu uit het door [appellante] ter zake overgelegde stuk hier niet van blijkt.

2.4.2. Voorts heeft [appellante] haar standpunt dat haar geval gelijk is aan de zaak Sheikzadeh, waarin volgens de raad wegens medische redenen een uitzondering op het beleid is gemaakt, niet aannemelijk gemaakt.

2.4.3. Tot slot heeft [appellante] aangevoerd dat in de zaak Harutunjan een aparte toevoeging is verstrekt, en dat het gelijkheidsbeginsel er toe noopte om ook haar een toevoeging te verlenen. Dit betoog faalt evenzeer. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat er van uit kan worden gegaan dat het in de zaak Harutunjan een ten onrechte afgegeven toevoeging betrof en dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat een gemaakte fout dient te worden herhaald. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de raad in dit geval niet gehouden was om een eerder gemaakte fout in de uitvoeringspraktijk voort te zetten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010

47-616.