Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK8688

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
200906810/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ranov / jeugddetentie / gevangenisstraf

Nu het beleid inzake ongewenstverklaring tot uitgangspunt is genomen voor het in de Regeling opgenomen openbare orde criterium en uit de Regeling, noch de geschiedenis van de totstandkoming ervan blijkt dat het in de Regeling opgenomen begrip "gevangenisstraf" een andere betekenis heeft dan in dat beleid, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zich in het kader van de Regeling ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat jeugddetentie gelijkgesteld dient te worden met gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906810/1/V1.

Datum uitspraak: 24 december 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 6 augustus 2009 in zaak nr. 08/7580 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), voor zover thans van belang, het door [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) gemaakte bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Regeling) ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 september 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven 1 en 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich in het kader van de Regeling niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat jeugddetentie gelijkgesteld dient te worden met gevangenisstraf, omdat daarin, in tegenstelling tot het openbare orde beleid inzake ongewenstverklaring zoals neergelegd in paragraaf A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), uitdrukkelijk niet is opgenomen dat onder gevangenisstraf tevens moet worden begrepen jeugddetentie. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat jeugddetentie een specifieke straf voor jeugdige personen betreft en in het strafrecht een essentieel onderscheid is aangebracht tussen volwassenen en jeugdstrafrecht.

De staatssecretaris voert hiertoe aan dat, samengevat weergegeven, in de Regeling onder gevangenisstraf mede moet worden begrepen jeugddetentie. Hij wijst erop dat paragraaf A5/2 van de Vc 2000 met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2007/23 (hierna: WBV 2007/23) aldus is verduidelijkt dat onder gevangenisstraf ook jeugddetentie wordt verstaan.

2.1.1. Niet in geschil is dat de vreemdeling wegens het plegen van misdrijven is veroordeeld tot één maand onderscheidenlijk één week jeugddetentie.

2.1.2. Volgens de Regeling, zoals neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2007/11, wordt onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning verleend aan vreemdelingen die onder de Vreemdelingenwet (oud) een asielaanvraag hebben ingediend en nog immer in Nederland zijn. Evenbedoelde verblijfsvergunning wordt evenwel niet verleend, indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval indien, voor zover thans van belang, wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd en het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf(fen) of maatregel(en) in totaal ten minste één maand bedraagt.

2.1.3. In het coalitieakkoord van 7 februari 2007 (Kamerstukken II 2006/07, 30 891, nr. 4, blz. 35), is in onderdeel 6 van de paragraaf over het immigratiebeleid vermeld dat er, om op korte termijn de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet af te wikkelen, een regeling komt in het kader waarvan ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend aan personen die aan de in dit onderdeel opgesomde objectieve criteria voldoen. Volgens het onder b vermelde criterium dient ten aanzien van de desbetreffende persoon geen contra indicaties om reden van criminaliteit (criteria voor ongewenstverklaring) of oorlogsmisdrijven te bestaan.

Dat het beleid inzake ongewenstverklaring als uitgangspunt is genomen voor het in de Regeling opgenomen openbare orde criterium is door de staatssecretaris bij de totstandkoming van de Regeling bevestigd (zie onder meer Kamerstukken II 2006/07, 31 018, nr. 3, blz. 20, 26 en 38).

2.1.4. Volgens het in paragraaf A5/2 van de Vc 2000 neergelegde beleid inzake ongewenstverklaring, zoals dat luidde ten tijde van de inwerkingtreding van de Regeling op 15 juni 2007 en voor zover thans van belang, kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard, in gevallen waarin wegens misdrijf een veroordeling tot een gevangenisstraf heeft plaatsgevonden of waarin een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd en het (in totaal) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van straf of maatregel ten minste één maand bedraagt.

Bij het WBV 2007/23 is, voor zover thans van belang, in voormelde passage uit paragraaf A5/2 van de Vc 2000 na het woord "gevangenisstraf" de zinsnede "(waaronder jeugddetentie)" toegevoegd.

2.1.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 juli 2009 in zaak nr. 200808123/1/V3, www.raadvanstate.nl) is in de toelichting op het WBV 2007/23 uitdrukkelijk aangegeven dat het door de staatssecretaris gevoerde beleid ter zake van jeugdsancties geen wijziging, maar een verduidelijking inhoudt van het bestaande beleid inzake ongewenstverklaring, zodat, hoewel eerder weliswaar niet uitdrukkelijk in het beleid was opgenomen dat jeugddetentie ook onder de in paragraaf A5/2 van de Vc 2000 genoemde straffen viel, dit derhalve moet worden geacht ook voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit WBV het geval te zijn geweest. De enkele verwijzing naar het onderscheid tussen het volwassenen en jeugdstrafrecht biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat dit beleid kennelijk onredelijk moet worden geacht, zo is in die uitspraak voorts overwogen.

2.1.6. Nu het beleid inzake ongewenstverklaring tot uitgangspunt is genomen voor het in de Regeling opgenomen openbare orde criterium en uit de Regeling, noch de geschiedenis van de totstandkoming ervan blijkt dat het in de Regeling opgenomen begrip "gevangenisstraf" een andere betekenis heeft dan in dat beleid, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zich in het kader van de Regeling ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat jeugddetentie gelijkgesteld dient te worden met gevangenisstraf.

De grieven slagen.

2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen is aangevoerd in grief 3 behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 9 februari 2009 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en de staatssecretaris is opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden gezien het hiervoor overwogene geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 9 februari 2009 alsnog ongegrond verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 6 augustus 2009 in zaak nr. 08/7580 voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 9 februari 2009 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en de staatssecretaris is opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 9 februari 2009, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Beerse

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009

434-610.

Verzonden: 24 december 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak