Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK8678

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-12-2009
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
200905571/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgeleide verblijfsvergunning asiel / dochter Nederlandse nationaliteit / omvang geschil / beleid genitale verminking / geen inherente afwijkingsbevoegdheid

Uit de stukken, waaronder het beroepschrift en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank, blijkt niet dat de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd dat voormeld beleid inzake genitale verminking niet redelijk is. Nu geen grond bestond dit ambtshalve te toetsen, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de grenzen van het geding getreden. De grief slaagt.

In onderdeel C2/3.2.2. van de Vc 2000 is vermeld dat de ouder, die genitale verminking van zijn minderjarige dochter(s) vreest, eveneens in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel indien die dochter wegens het risico op genitale verminking in het bezit wordt gesteld van verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Niet in geschil is dat de dochter van de vreemdeling de Nederlandse nationaliteit heeft. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling op grond van dit beleid niet in aanmerking kan komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en dat de vreemdeling, voor zover zij verblijf in Nederland bij haar kinderen beoogt, een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/124 met annotatie van mr. S.K. van Walsum
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905571/1/V2.

Datum uitspraak: 28 december 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 9 juli 2009 in zaak nr. 08/38285 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 juli 2009, verzonden op 10 juli 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 juli 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat, voor zover thans van belang, de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door te overwegen dat het door hem in het besluit van 29 augustus 2009 ingenomen standpunt niet is gebaseerd op redelijk beleid. Hij voert in dit verband aan dat uit de stukken in het dossier niet kan worden afgeleid dat de vreemdeling heeft betoogd dat het gevoerde beleid inzake genitale verminking, als weergegeven in onderdeel C2/3.2.2. van de Vreemdelingencirculaire (hierna: de Vc 2000), niet redelijk is.

2.1.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

2.1.2. Uit de stukken, waaronder het beroepschrift en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank, blijkt niet dat de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd dat voormeld beleid inzake genitale verminking niet redelijk is. Nu geen grond bestond dit ambtshalve te toetsen, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de grenzen van het geding getreden. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige in hoger beroep is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.3. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat, indien zij met haar kinderen naar Egypte zou terugkeren, haar dochter het reële risico loopt te worden besneden. Zij betoogt in dit verband dat genitale verminking in Egypte een wijdverbreid probleem is en dat de door de Egyptische autoriteiten en verschillende organisaties, zoals UNICEF en de World Health Organization, ontplooide initiatieven om dit uit te bannen nauwelijks succesvol zijn. Gelet hierop zal toepassing van het beleid inzake genitale verminking leiden tot onaanvaardbare gevolgen, aldus de vreemdeling.

2.3.1. In onderdeel C2/3.2.2. van de Vc 2000 is vermeld dat de ouder, die genitale verminking van zijn minderjarige dochter(s) vreest, eveneens in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel indien die dochter wegens het risico op genitale verminking in het bezit wordt gesteld van verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

2.3.2. Niet in geschil is dat de dochter van de vreemdeling de Nederlandse nationaliteit heeft. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling op grond van dit beleid niet in aanmerking kan komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en dat de vreemdeling, voor zover zij verblijf in Nederland bij haar kinderen beoogt, een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.

Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden door de staatssecretaris hadden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb op grond waarvan hij van voormeld beleid had moeten afwijken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 december 2004 in zaak nr. 200407560/1 (JV 2005/116), is bij de vaststelling van Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2003/48, thans neergelegd in onderdeel C2/3.2 van de Vc 2000, blijkens de formulering daarvan aansluiting gezocht bij het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000 voorziene stelsel inzake verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan gezinsleden van vreemdelingen aan wie op een van de onder a tot en met d van artikel 29 vermelde gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend. Aldus is de werkingssfeer van het beleid uitdrukkelijk beperkt tot ouders van minderjarige vreemdelingen die wegens het reële risico op genitale verminking in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Afwijking van deze begrenzing, in die zin dat de werkingssfeer van het beleid wordt opgerekt tot ouders van minderjarigen met de Nederlandse nationaliteit, zoals de dochter van de vreemdeling, zou neerkomen op substantiële wijziging van strekking en grondslag ervan. Voor een zodanige afwijking biedt artikel 4:84 van de Awb geen grondslag. De beroepsgrond faalt dan ook.

2.4. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.5. Het inleidend beroep tegen het besluit van 29 september 2008 is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 9 juli 2009 in zaak nr. 08/38285;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Pieters

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2009

473.

Verzonden: 28 december 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak