Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK8672

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
200904257/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / ontbreken documenten / noodzakelijke documenten / marginale toets

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 31 oktober 2002 in zaak nr. 200204638/1, JV 2003/2) is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris te bepalen of en in hoeverre bij de beslissing op de aanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde, doch door hem niet gestaafde feiten. De beslissing welke documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en ter onderbouwing daarvan hadden kunnen en derhalve moeten worden overgelegd, maakt deel uit van die beoordeling. Nu de vreemdeling naar eigen zeggen behalve over het door hem overgelegde originele Syrische rijbewijs beschikte over een origineel identiteitsbewijs en een militair boekje en heeft verklaard deze documenten in Syrië te hebben achtergelaten, bestaat reeds daarom geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling deze documenten verwijtbaar niet heeft overgelegd, zodat zich de omstandigheid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voordoet. Een nadere motivering was daarvoor niet vereist. De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904257/1/V1.

Datum uitspraak: 11 december 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 14 mei 2009 in zaak nr. 08/38406 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 mei 2009, verzonden op 15 mei 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 juni 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling met het door hem overgelegde originele rijbewijs mogelijk al een document heeft overgelegd waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijkt en hij zich daarom niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling nog andere relevante documenten had moeten overleggen. Dusdoende is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat het overleggen van het originele rijbewijs onverlet laat dat het achterlaten van zijn originele identiteitskaart en zijn militaire boekje in het land van herkomst evenzeer aan de vreemdeling is toe te rekenen, aldus de staatssecretaris.

2.1.1. Uit het in het besluit ingelaste voornemen van 30 juli 2008 blijkt dat anders dan de rechtbank heeft overwogen de staatssecretaris de vreemdeling niet alleen heeft tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen identiteits- of nationaliteitspapieren heeft overgelegd, maar evenzeer dat hij onvoldoende documenten of bescheiden heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Ook indien de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte het ontbreken van documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit zou hebben tegengeworpen hetgeen thans kan worden daargelaten kan dit er derhalve niet toe leiden dat hij zich reeds daarom niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas positieve overtuigingskracht moet uitgaan.

2.1.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 31 oktober 2002 in zaak nr. 200204638/1, JV 2003/2) is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris te bepalen of en in hoeverre bij de beslissing op de aanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde, doch door hem niet gestaafde feiten. De beslissing welke documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en ter onderbouwing daarvan hadden kunnen en derhalve moeten worden overgelegd, maakt deel uit van die beoordeling. Nu de vreemdeling naar eigen zeggen behalve over het door hem overgelegde originele Syrische rijbewijs beschikte over een origineel identiteitsbewijs en een militair boekje en heeft verklaard deze documenten in Syrië te hebben achtergelaten, bestaat reeds daarom geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling deze documenten verwijtbaar niet heeft overgelegd, zodat zich de omstandigheid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voordoet. Een nadere motivering was daarvoor niet vereist. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 1 oktober 2008 worden beoordeeld in het licht van de daartegen door hem in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na het vorenoverwogene, nog moet worden beslist.

2.3. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daartoe betoogt hij dat kort samengevat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet geloofwaardig is dat hij heeft deelgenomen aan de demonstratie op 2 november 2007. Verder betoogt hij dat het toeval was dat hij niet thuis was op het moment dat de autoriteiten naar hem hebben gevraagd en dat het standpunt van de staatssecretaris dat het onmogelijk is dat hij niet is voorgeleid maar wel veroordeeld, in tegenspraak is met hetgeen algemeen bekend is over de situatie van politieke gevangen in Syrië.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 27 januari 2003 in zaak nr. 200206297/1, AB 2003, 286), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de asielzoeker in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan die beoordeling slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

2.3.2. Indien zich de omstandigheid, bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 3, blz. 40-41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, neergelegd in paragraaf C14/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 in het relaas geen hiaten, vaagheden en ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het relaas moet dan positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.3.3. In het besluit van 1 oktober 2008 heeft de staatssecretaris zich, mede onder verwijzing naar het voornemen, gemotiveerd op het standpunt gesteld dat en waarom het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en derhalve ongeloofwaardig is. Daaraan heeft hij onder meer ten grondslag gelegd dat het bevreemdingwekkend is dat de vreemdeling, die heeft verklaard na zijn detentie in 2004, maar vóór 2 november 2007 geen enkele activiteit ten gunste van de Koerdische zaak te hebben verricht, omdat hij bang was opnieuw te worden gearresteerd, zou hebben besloten deel te nemen aan de demonstratie in Qamishli op 2 november 2007, waar eerdere demonstraties in Qamishli gepaard gingen met geweld en hij met deelname derhalve een aanzienlijk risico liep gearresteerd te worden. Voorts is opvallend dat de vreemdeling tijdens het nader gehoor heeft verklaard niet te weten wie de initiatiefnemers en/of organisatoren van de demonstratie waren en vervolgens in de zienswijze de namen van de organisatoren vermeldt. Nu deelname aan de demonstratie ongeloofwaardig is, is evenzeer ongeloofwaardig dat de vreemdeling naar aanleiding hiervan is aangehouden, aldus de staatssecretaris.

2.3.4. Gelet op het hiervoor in onder 2.3.1 en 2.3.2 uiteengezette toetsingskader, biedt hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van de vreemdeling vaagheden en ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden bevat en derhalve positieve overtuigingskracht mist. In dat verband wordt opgemerkt dat, indien als gevolg van het toerekenbaar ontbreken van documenten van het relaas positieve overtuigingskracht moet uitgaan, reeds een enkele ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden tot de slotsom kan leiden dat daarvan geen sprake is.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 14 mei 2009 in zaak nr. 08/38406;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loon

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009

284-603.

Verzond11 december 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak