Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK8000

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
200902483/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete opgelegd van € 16.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902483/1/V6.

Datum uitspraak: 30 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 maart 2009 in zaak nr. 08/5763 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete opgelegd van € 16.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 23 juni 2008 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 juni 2009. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge het tweede lid is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning beschikt.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

2.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) blijkt dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en dat deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 5, blz. 2).

2.3. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtseed opgemaakte boeterapport van 8 juni 2007 houdt in dat [appellante] in de periode april tot november 2006 twee vreemdelingen van Poolse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen), via [uitzendbureau], gevestigd te [plaats], bij [bedrijf], gevestigd te [plaats], arbeid heeft laten verrichten, bestaande uit het oogsten van champignons, zonder dat hiervoor aan [appellante], [bedrijf] of [uitzendbureau] tewerkstellingsvergunningen waren verleend, terwijl deze wel waren vereist.

2.4. [appellante] betoogt, zoals ter zitting toegelicht, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij de vreemdelingen in de periode vanaf april 2006 arbeid heeft laten verrichten in de zin van de Wav. Daartoe voert zij aan dat niet vaststaat dat de vreemdelingen in die periode bij [bedrijf] champignons hebben geoogst. Voorts kent zij de vreemdelingen niet en heeft zij juridisch noch feitelijk een band met hen. Zij is met [bedrijf] overeengekomen een bepaalde hoeveelheid champignons te oogsten. Daarnaast heeft [bedrijf] van [uitzendbureau] personeel ingeleend, onder wie de vreemdelingen, teneinde de overige champignons te oogsten, aldus [appellante].

2.4.1. [belanghebbende] heeft op 16 januari 2007 tegenover inspecteurs van de Arbeidsinspectie verklaard dat, samengevat weergegeven, zij met [uitzendbureau], waarvan zij eigenares is, bij [bedrijf] ongeveer zeven personen, onder wie de vreemdelingen, heeft werken die daar sinds april 2006 champignons plukken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 november 2009 in zaak nr. 200808922/1 heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze verklaring, in samenhang met de door [belanghebbende] op 29 november 2006 aan de Arbeidsinspectie overgelegde urenstaten waaruit blijkt dat de vreemdelingen in de weken 14 en 44 van 2006 via [uitzendbureau] werkzaam zijn geweest, de conclusie rechtvaardigt dat de vreemdelingen in de periode vanaf april 2006 ten dienste van [bedrijf] arbeid hebben verricht, bestaande uit het oogsten van champignons. Voorts blijkt uit hetgeen [belanghebbende] overigens in die verklaring heeft verklaard en uit hetgeen [eigenaar] van [bedrijf], op 25 januari 2007 tegenover inspecteurs van de Arbeidsinspectie heeft verklaard, dat de vreemdelingen deze arbeid mede ten dienste van [appellante] hebben verricht. [belanghebbende] heeft verklaard dat zij, naast eigenares van [uitzendbureau], bedrijfsleidster bij [appellante] is en haar werkzaamheden bij [bedrijf] uitvoert. Zij heeft verklaard dat ingeval zij personeel tekort komt, zij mensen via [uitzendbureau] inhuurt. Met het oogsten heeft [bedrijf] niets te maken, dat doet [appellante], aldus [belanghebbende]. Verder heeft [eigenaar] verklaard dat, samengevat weergegeven, [bedrijf] champignons teelt en verkoopt en dat zij het oogsten daarvan aan [appellante] heeft uitbesteed. Hij heeft verklaard dat [belanghebbende] het personeel aanstuurt en dat zij en het personeel werkzaam zijn voor [appellante]. Hij heeft met [belanghebbende] geen afspraken gemaakt over het inlenen van personeel. [belanghebbende] maakt deze afspraken namens [appellante], aldus [eigenaar]. De stelling van [appellante] dat [bedrijf], naast een met haar gesloten overeenkomst betreffende het oogsten van een bepaalde hoeveelheid champignons, van [uitzendbureau] personeel heeft ingeleend teneinde de overige champignons te oogsten, wordt niet door de verklaringen van [belanghebbende] en [eigenaar], noch door enig ander stuk in het dossier ondersteund.

Gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank terecht overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] de vreemdelingen in de periode vanaf april 2006 arbeid heeft laten verrichten in de zin van de Wav. Dat [appellante], naar zij stelt, de vreemdelingen niet kent en juridisch noch feitelijk een band met hen heeft, wat daar ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel. Bij uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200700303/1 heeft de Afdeling immers overwogen dat instemming met, respectievelijk wetenschap van de arbeid voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet is vereist; het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, wordt reeds opgevat als het laten verrichten van arbeid.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009

164-485.