Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7998

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
200903184/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland (hierna: het college) na een verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie in verband met een dijkversterking ter hoogte van zijn woning, een vergoeding ten bedrage van € 7.650,00 toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2006 tot en met de dag van voldoening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903184/1/H2.

Datum uitspraak: 30 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2009 in zaak nr. 08/1374 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland (hierna: het college) na een verzoek van [appellant] om nadeelcompensatie in verband met een dijkversterking ter hoogte van zijn woning, een vergoeding ten bedrage van € 7.650,00 toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2006 tot en met de dag van voldoening.

Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. W. Kattouw, advocaat te Leusden, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.P.J. Steenland-Mulder en ing. A. de Fockert, beiden ambtenaar in dienst van het Waterschap Rivierenland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling Nadeelcompensatie hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden betrekking hebbende op dijkversterkingen in de gemeente Sliedrecht (hierna: de Regeling) kent de Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden degene die schade lijdt of zal lijden, als gevolg van de uitvoering van dijkversterkingswerken of het voornemen daartoe op zijn verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade niet een gevolg is van een onrechtmatige daad en de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor een hogere vergoeding dan het toegekende bedrag van € 7.650,00 geen aanleiding bestaat omdat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies van de met toepassing van de Regeling ingeschakelde nadeelcompensatiecommissie (hierna: de commissie) van 31 mei 2007. [appellant] voert aan dat hiertoe wel aanleiding bestaat, gelet op het rapport van 5 oktober 2005 van A.C. Rommelse van Adviesbureau Lindau (hierna: Rommelse), dat was opgesteld in het kader van onderhandelingen tussen hem en het college over de te vergoeden schade die zijn voorafgegaan aan het in geding zijnde verzoek, en het in beroep door [appellant] overgelegde rapport van 27 juni 2008 van de stichting Stichting Johan van Oldenbarnevelt (hierna: de Stichting). Voorts voert [appellant] aan dat het college in bezwaar ten onrechte geen derde deskundige heeft benoemd, terwijl het rapport van Rommelse en het advies van de commissie daartoe zijns inziens aanleiding gaven.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juni 2008 in zaak nr. 200707715/1) mag het college bij zijn besluit op een verzoek om nadeelcompensatie in beginsel van het advies van de deskundige uitgaan, indien uit dat advies op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht. Het advies van de commissie biedt op de wijze, als hiervoor bedoeld, inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat [appellant] een vergoeding ten bedrage van € 7.650,00 wordt toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2006. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht overwogen dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het advies van de commissie. Het college heeft het advies derhalve aan het besluit van 9 augustus 2007 alsmede aan het besluit op bezwaar van 19 februari 2008 ten grondslag mogen leggen. Daaraan doet niet af dat in het rapport van Rommelse een hoger bedrag aan vergoeding wordt geadviseerd, aangezien dit rapport is opgesteld met het doel een minnelijke schikking te bereiken ter voorkoming van procedures over de door [appellant] door de uitvoering van de dijkversterking geleden schade. De rechtbank heeft in dit verband voorts terecht van belang geacht dat in het rapport van Rommelse bij de begroting van de schade ten onrechte geen rekening is gehouden met de waardevermeerdering van de woning van [appellant] en met een voor rekening van [appellant] komend eigen risico van 15%. Gelet op het vorenoverwogene had het college in bezwaar niet een derde deskundige hoeven te benoemen.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het door [appellant] in beroep overgelegde rapport van de Stichting evenmin tot een ander oordeel kan leiden. De rechtbank heeft hiertoe met juistheid overwogen dat ter bepaling van de waarde van de woning in het rapport van de Stichting van een ander peilmoment is uitgegaan dan in het advies van de commissie en dat het door de commissie gehanteerde peilmoment niet onjuist is. Tevens heeft de rechtbank hiertoe terecht van belang geacht dat de Stichting bij de vaststelling van de toe te kennen nadeelcompensatie ten onrechte een vergelijking van planologische regimes heeft verricht en aldus een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009

47-616.