Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7993

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
200904720/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2009:BI8213, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wierden (hierna: het college) de aanvraag van de stichting Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voortgezet Onderwijs (hierna: de stichting) om de school "De Passie" op te nemen op het programma van huisvesting 2008 afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op het voortgezet onderwijs
Wet op het voortgezet onderwijs 76d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2010, 22
ABkort 2010/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904720/1/H2.

Datum uitspraak: 30 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Wierden,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 mei 2009 in zaak nr. 08/ 1073 in het geding tussen:

de stichting Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voortgezet Onderwijs gevestigd te Houten

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wierden (hierna: het college) de aanvraag van de stichting Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voortgezet Onderwijs (hierna: de stichting) om de school "De Passie" op te nemen op het programma van huisvesting 2008 afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2008 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 september 2008 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 juli 2009.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F.J. van der Vaart, advocaat te Enschede, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.A. Keijser, advocaat te Voorburg, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. Bootsma, advocaat te Den Haag, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 187 van de Gemeentewet kunnen slechts bij of krachtens de wet uitgaven worden opgelegd.

Ingevolge artikel 189, tweede lid, ziet de raad erop toe dat de begroting in evenwicht is. Hij kan hiervan afwijken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht.

Ingevolge artikel 193, aanhef en onder b, zijn verplichte uitgaven van de gemeente de uitgaven die bij of krachtens de wet aan de gemeente zijn opgelegd.

Ingevolge artikel 66, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO), zoals deze bepaling luidt vanaf 1 augustus 2008, vangt de bekostiging aan op 1 augustus van enig kalenderjaar, ten vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Behoudens in het laatste geval vangt de bekostiging aan in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het bevoegd gezag, voor 1 augustus, heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente uiterlijk met ingang van 1 augustus van het eerstgenoemde kalenderjaar de benodigde huisvesting ter beschikking zullen stellen.

Ingevolge artikel 73, zoals deze bepaling luidde tot 1 augustus 2008, beslist de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, bij beschikking met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, zoals deze bepaling luidde tot 1 augustus 2008, vangt de bekostiging in elk geval aan, nadat de school vijf achtereenvolgende jaren in het plan is opgenomen.

Ingevolge artikel 76b, eerste lid, draagt de gemeenteraad onderscheidenlijk dragen burgemeester en wethouders ten behoeve van de gemeentelijke en van de andere dan gemeentelijke scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 1. Hij behandelt onderscheidenlijk zij behandelen daarbij de gemeentelijke en de andere dan gemeentelijke scholen op gelijke voet.

Ingevolge artikel 76c, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk onder voorzieningen in de huisvesting begrepen voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan, terreinen, alsmede eerste aanschaf van onderwijsleerpakketten en meubilair.

Ingevolge artikel 76d, eerste lid, aanhef en onderdeel e, stellen burgemeester en wethouders jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hen te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.

Ingevolge het tweede lid wordt het bekostigingsplafond zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van de gemeente.

Ingevolge artikel 76k, eerste lid, aanhef en onder e, wordt een voorziening in de huisvesting slechts geweigerd, indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 76d, niet toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, van dat artikel.

2.2. Het college heeft de aanvraag van de stichting bij besluit van 27 november 2007 afgewezen op de grond dat het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 76d, niet toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen. Het besluit op bezwaar van 26 september 2008 strekt tot handhaving van dat besluit.

2.3. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college het bekostigingsplafond, bedoeld in 76d, eerste lid, aanhef en onder e, van de WVO, niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen op nihil. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat op 1 augustus 2008 de bekostiging van rijkswege van "De Passie" is aangevangen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de gemeente Wierden vanaf het jaar na stichting extra gelden uit het gemeentefonds ontvangt, zodat niet aannemelijk is dat sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de begroting van de gemeente Wierden, dat het belang van de gemeente Wierden zwaarder moet wegen dan het belang van onderwijs.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte de omstandigheid dat de school "De Passie" met ingang van 1 augustus 2008 van rijkswege bekostiging ontvangt, van belang heeft geacht voor dit geschil over de bekostiging van huisvesting van de school door de gemeente.

2.4.1. Vaststaat dat "De Passie" vanaf 1 augustus 2003 is opgenomen in het Plan van Scholen.

Titel III van de WVO over de aanvang, grondslagen, wijze en beëindiging der bekostiging omvat zowel de voormelde artikelen 66 en 73 en 74, zoals deze luidden ten tijde van belang, die betrekking hebben op het tijdstip van de aanvang van de bekostiging van de materiële instandhouding, als de artikelen 76b en volgende, die betrekking hebben op de bekostiging van de huisvesting van scholen. De bekostiging van de huisvesting staat derhalve niet los van de rijksbekostiging van de school. Uit deze bepalingen, in onderlinge samenhang gelezen, volgt dat de bekostiging van een school ten laatste na vijf jaren, derhalve in het zesde kalenderjaar na plaatsing op het Plan van Scholen een aanvang neemt. De bekostiging kan eerder plaatsvinden indien burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente reeds eerder huisvesting ter beschikking stellen. Voor burgemeester en wethouders ontstaat de verplichting de huisvesting te bekostigen indien na vijf jaren de bekostiging van rijkswege aanvangt. Gelet hierop heeft de rechtbank de omstandigheid dat de school "De Passie" met ingang van 1 augustus 2008 van rijkswege bekostiging ontvangt terecht van belang geacht voor dit geschil.

Het betoog faalt.

2.5. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van het college om het plafond op nihil vast te stellen onrechtmatig is en daarom niet ten grondslag kan worden gelegd aan de weigering van het college om "De Passie" op te nemen op het programma van huisvesting 2008. De rechtbank heeft daarbij de belangen niet op een juiste wijze afgewogen, aldus het college.

2.5.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200704577/1) dat in artikel 189, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de gemeentebegroting in evenwicht dient te zijn. In die uitspraak is voorts overwogen dat de omstandigheid dat de minister een evangelische scholengemeenschap voor mavo, havo en atheneum in Wierden, uitgaande van de stichting, zonder jaartal van bekostiging, in het Plan van Scholen 2003-2004-2005 heeft opgenomen, onverlet laat dat de gemeenteraad in het kader van de budgettaire afweging die de raad kan maken, het bekostigingsplafond voor het voortgezet onderwijs op nul kan vaststellen. Daarbij heeft de Afdeling gewezen op artikel 189 van de Gemeentewet, op grond waarvan ten laste van de gemeente slechts uitgaven kunnen worden gedaan tot de bedragen die op de begroting beschikbaar zijn gesteld.

Uit het onder 2.4.1 overwogene volgt evenwel dat het college na vijf jaren gehouden is tot bekostiging van de huisvesting en daarbij het bekostigingsplafond zodanig dient vast te stellen, dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van "De Passie". Derhalve is in dit geval vanaf 1 augustus 2008 sprake van een verplichte uitgave bedoeld in artikel 193, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. Uit die bepaling, gelezen in samenhang met de artikelen 76b, eerste lid, en 76d, tweede lid, van de WVO, volgt dat de gemeenteraad verplicht is op de begroting uitgaven te reserveren voor de bekostiging van de huisvesting van een school die vijf jaren in het Plan van Scholen is opgenomen. Bij zijn budgettaire afweging diende de gemeenteraad daarmee rekening te houden. Het college kon zich in dit geval dan ook niet meer beroepen op de omstandigheid, dat de raad voor het begrotingsjaar 2008 geen bedrag voor huisvesting van het voortgezet onderwijs beschikbaar heeft gesteld.

Nu sprake is van een verplichte uitgave is voor de beoordeling van het geschil niet van doorslaggevend belang dat de gemeente Wierden eerst sinds 2009 een niet voor het voortgezet onderwijs geoormerkte extra uitkering uit het Gemeentefonds ontvangt en evenmin dat die extra uitkering volgens het college volstrekt ontoereikend is om de gemeentelijke kosten voor huisvesting van De Passie te dekken.

Het betoog faalt.

2.6. Het betoog van het college, dat de rechtbank heeft miskend dat de stichting het zogenoemde economisch claimrecht niet overgedragen heeft gekregen, faalt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 28 april 2008 in zaak nr. 200705477/1 overwogen dat uit de toelichting bij artikel 76b (Kamerstukken II 1995/96, 24 455, nr. 3, blz. 23) blijkt dat de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de huisvesting, schoolgebouwen op het grondgebied van de gemeente betreft waarvan de gemeente het economisch claimrecht overgedragen heeft gekregen. Dat betekent dat die verantwoordelijkheid in ieder geval schoolgebouwen betreft waarvan een gemeente het economisch claimrecht overgedragen heeft gekregen. Uit die overweging kan niet worden afgeleid dat in een geval als het onderhavige, waarbij in de gemeente Wierden ten tijde van de wijziging van het stelsel van bekostiging van de huisvesting geen school voor voortgezet onderwijs was gevestigd en de gemeente toen derhalve geen economisch claimrecht van een schoolgebouw overgedragen heeft gekregen, geen verantwoordelijkheid voor de huisvesting ontstaat wanneer nadien op het grondgebied van de gemeente een school voor voortgezet onderwijs wordt gesticht en op het Plan van Scholen wordt geplaatst.

2.7. De rechtbank is, gelet op het vorenoverwogene, terecht tot de conclusie gekomen dat het college het plafond niet op nihil heeft kunnen vaststellen en daarom dat plafond niet ten grondslag heeft mogen leggen aan de weigering van het college om "De Passie" op te nemen op het programma van huisvesting 2008.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wierden tot vergoeding van bij de stichting Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voortgezet Onderwijs in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college van burgemeester en wethouders van Wierden griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009

362.