Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
200900306/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2008, kenmerk 1414746, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: de raad) bij besluit van 24 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Lepelstraat-Bloemendaal II" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900306/1/R2.

Datum uitspraak: 30 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008, kenmerk 1414746, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: de raad) bij besluit van 24 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Lepelstraat-Bloemendaal II" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.H. Lindhout, advocaat te Bergen op Zoom, is verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door J. Ocké, ambtenaar in dienst van de gemeente, en ing. J.J.J. van Beek.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan is vastgesteld ten behoeve van de uitbreiding van de woonwijk Bloemendaal, die aan de zuidkant van de kern Lepelstraat ligt. In het plan wordt de bouw van maximaal dertig nieuwe woningen en een park mogelijk gemaakt.

2.3. Het beroep van [appellant], woonachtig ten zuiden van het plangebied, richt zich tegen de bouw van de dertig woningen achter zijn perceel. [appellant] betoogt dat hij door de voorziene uitbreiding van de wijk substantiële geluids- en lichtoverlast zal ondervinden. Voorts vreest [appellant] dat hij het hobbymatig houden van twee paarden bij zijn woning niet langer ongestoord zal kunnen voortzetten. Indien de dertig woningen wel mogen worden gerealiseerd had het ook mogelijk moeten zijn om op zijn paardenweide een tweetal starterswoningen te bouwen, zo stelt [appellant]. Hij wijst daarbij op de Structuurvisie-Plus Bergen op Zoom Roosendaal en het Uitwerkingsplan Brabantse Buitensteden en Woensdrecht.

2.4. Het college heeft het plan goedgekeurd. Het college stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van het plan voor het woonklimaat van [appellant] niet onevenredig zijn. De gevolgen van het plan voor [appellant], waaronder eventuele klachten ten aanzien van het houden van paarden, zijn niet zodanig dat daar meer waarde aan moet worden toegekend dan aan het volkshuisvestelijk belang, aldus het college. Verder stelt het college dat het bebouwen van de paardenweide niet in deze procedure ter beoordeling staat, omdat het desbetreffende perceel buiten het plangebied valt.

2.5. Onweersproken is gesteld dat aan mogelijkheden tot woningbouw in het dorp Lepelstraat behoefte bestaat.

Uitbreiding van de woonwijk Bloemendaal nabij bestaande woningen zou naar het oordeel van de Afdeling enige overlast voor omwonenden tot gevolg kunnen hebben. Gelet op de afstand van ongeveer 50 meter tussen de woning van [appellant] en de dichtstbijzijnde woningen en de zich daartussen bevindende strook met bestaande beplanting, heeft het college zich echter op het standpunt kunnen stellen dat geen grote aantasting van het woonklimaat zal plaatsvinden. Daarbij worden eveneens de ruime opzet van de uitbreiding en het feit dat de vergroting slechts dertig woningen betreft, in aanmerking genomen.

Voorts is ter zitting onweersproken gesteld dat noch enige milieuregelgeving noch de Algemene Plaatselijke Verordening van toepassing is op het door [appellant] hobbymatig houden van paarden bij zijn woning. Derhalve behoeft tussen de voorziene woningen en het perceel waarop de paarden worden gehouden, geen afstand te worden aangehouden. De raad behoefde in redelijkheid geen onevenredige overlast te verwachten voor de toekomstige bewoners van de uit te breiden wijk. Daarbij kon de raad zich baseren op onderzoek dat is uitgevoerd door de Milieuadviesdienst, met betrekking tot de toelaatbaarheid van de woningen gelet op de aanwezigheid van verschillende functies in de omgeving.

Het college heeft zich, gelet op het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellant] gestelde nadelige gevolgen van het plan niet zodanig zijn dat in de belangenafweging hier meer gewicht aan had moeten worden toegekend dan aan het belang bij de uitbreiding van de woonwijk Bloemendaal.

2.6. Het betoog van [appellant], dat de mogelijkheid om zijn paardenweide te kunnen bebouwen in het plan had moeten worden opgenomen, begrijpt de Afdeling aldus dat dit is gericht tegen de begrenzing van het plan.

Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat niet aannemelijk is gemaakt dat de paardenweide zodanig met het plangebied samenhangt dat deze gelet daarop in hetzelfde bestemmingsplan had moeten worden opgenomen. Hoewel uit de stukken is af te leiden dat de raad op termijn wel mogelijkheden ziet voor woningbouw op het perceel, dient een belangenafweging ten aanzien daarvan nog plaats te vinden.

2.7. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen en de bedenkingen. In de overwegingen van het vaststellingsbesluit alsmede in het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen en bedenkingen. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bezwaren in het vaststellingsbesluit of in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009

234-612.