Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7972

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
200903718/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2007 heeft de burgemeester van Hoorn (hierna: de burgemeester) bevolen dat de door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 't Hoornse Veerhuis B.V.(hierna: 't Hoornse Veerhuis) geëxploiteerde horeca-inrichting 't Hoornse Veerhuis aan de Dubbele Buurt 22 te Hoorn (hierna: de horeca-inrichting) met ingang van 7 mei 2007 voor de duur van twaalf maanden wordt gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903718/1/H3.

Datum uitspraak: 30 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 't Hoornse Veerhuis B.V., gevestigd te Hoorn,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 april 2009 in zaak nr. 07/2895 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 't Hoornse Veerhuis B.V.

en

de burgemeester van Hoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2007 heeft de burgemeester van Hoorn (hierna: de burgemeester) bevolen dat de door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 't Hoornse Veerhuis B.V.(hierna: 't Hoornse Veerhuis) geëxploiteerde horeca-inrichting 't Hoornse Veerhuis aan de Dubbele Buurt 22 te Hoorn (hierna: de horeca-inrichting) met ingang van 7 mei 2007 voor de duur van twaalf maanden wordt gesloten.

Bij besluit van 11 september 2007 heeft de burgemeester het door 't Hoornse Veerhuis daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2009, verzonden op 20 april 2009, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door 't Hoornse Veerhuis daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft 't Hoornse Veerhuis bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 juni 2009.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2009, waar 't Hoornse Veerhuis, vertegenwoordigd door mr. P.A. Schippers, advocaat te Vught en vergezeld door [enig aandeelhouder] van 't Hoornse Veerhuis, en de burgemeester, vertegenwoordigd door G.R.M. Koopman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, zoals dat gold ten tijde van belang, is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.2. Ter uitvoering van die bevoegdheid heeft de burgemeester een coffeeshopbeleid ontwikkeld dat is neergelegd in de "Notitie Coffeeshopbeleid Hoorn 2005" van 8 maart 2005 (hierna: de beleidsnotitie). Het handhavingsbeleid ter zake is als bijlage 1 van deze notitie opgenomen in het "Handhavingsarrangement coffeeshopbeleid Hoorn 2005" (hierna: het handhavingsarrangement), waarin onder meer is bepaald dat na de eerste constatering van de aanwezigheid van meer dan 50 gram aan softdrugs dan wel van harddrugs in een ander verkooppunt dan één van de gedoogde coffeeshops, die inrichting zal worden gesloten voor de duur van twaalf maanden.

2.3. De burgemeester heeft de in bezwaar gehandhaafde sluiting gebaseerd op een politierapport van 19 maart 2007, waaruit is gebleken dat op 9 maart 2007 tijdens een inval op verschillende plekken in de zogenoemde benedenlokaliteit van de horeca-inrichting 1 plak hasjiesj van 10 bij 20 centimeter en 0,5 centimeter dik, 1 weedzakje met 3 stukjes hasjiesj, met een gezamenlijk gewicht van 148,8 gram, en 1 blauw zakje met 13 bolletjes harddrugs, 3 witte bolletjes met harddrugs en 9 wikkels met harddrugs, met een totaal gewicht van 6,222 gram cocaïne zijn aangetroffen.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester bevoegd was bestuursdwang toe te passen en dat hij van deze bevoegdheid in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken omdat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die voor de burgemeester aanleiding hadden moeten zijn om van zijn beleid af te wijken.

2.5. 't Hoornse Veerhuis heeft allereerst aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester bevoegd was om met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet handhavend op te treden. Zij heeft betoogd dat de burgemeester de omstandigheden van dit geval had moeten betrekken bij de afweging of hij van de in deze bepaling gegeven bevoegdheid gebruik wilde maken. Eerst hierna, kan aldus 't Hoornse Veerhuis, de toepassing van de beleidsregels aan de orde komen.

2.5.1. Dit betoog slaagt niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft de burgemeester de manier waarop hij zijn in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet voorziene discretionaire bevoegdheid toepast, vastgelegd in de beleidsnotitie en is ten behoeve van de totstandkoming van deze beleidsregels reeds een belangenafweging gemaakt, zodat de burgemeester die bij gebruikmaking van de bevoegdheid achterwege kan laten.

2.6. Voorts heeft 't Hoornse Veerhuis aangevoerd dat het handhavingsarrangement niet op haar horeca-inrichting van toepassing is en zo dit wel het geval is in strijd is met de rechtszekerheid vanwege de onduidelijke formulering.

2.6.1. Dit betoog slaagt evenmin.

Het pand, waar de horeca-inrichting in is gevestigd, bestaat uit een benedenlokaliteit, die wordt gebruikt als lunchgelegenheid/café, een bovenlokaliteit, waar zich een zogenoemd poolcenter en een Turks café bevinden, een zomerterras en een winterterras. Paragraaf 10 van het handhavingsarrangement heeft als kopje "Handhaving gedoogde coffeeshops" en paragraaf 11 "Handhaving overige verkooppunten". Blijkens de eerste alinea, tweede volzin, van deze laatste paragraaf vallen onder overige verkooppunten horeca-inrichtingen en andere inrichtingen zoals winkels, wachtlokalen, ruimten waar zich automaten bevinden en andere voor het publiek toegankelijke lokalen en al dan niet geheel omwande ruimten. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, gelet op deze definitiebepaling, het handhavingsarrangement van toepassing is op de door 't Hoornse Veerhuis geëxploiteerde horeca-inrichting. De rechtbank heeft eveneens met juistheid geoordeeld dat het handhavingsarrangement op dit punt niet onduidelijk is geformuleerd en daarom niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor het standpunt van 't Hoornse Veerhuis dat het handhavingsarrangement niet van toepassing is in het geval een bezoeker drugs onder zich heeft, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten. Zij betrekt daarbij dat volgens paragraaf 11.1 van het handhavingsarrangement de enkele aanwezigheid van drugs in een openbare inrichting, die niet in het bezit is van een gedoogverklaring voor het exploiteren van een coffeeshop, grond is om het handhavingsarrangement toe te passen. Met het handhavingsarrangement wordt derhalve beoogd de aanwezigheid van drugs te reguleren en daarbij is niet relevant wie de drugs onder zich heeft.

Evenals de rechtbank acht de Afdeling het in de beleidsnotitie neergelegde beleid en het daarbij horende handhavingsarrangement, gelet op het daarmee beoogde doel, niet onredelijk.

2.7. 't Hoornse Veerhuis heeft aangevoerd dat de omstandigheden van dit geval een uitzondering op het beleid rechtvaardigen. Zij heeft daarbij onder meer gewezen op het feit dat zich in de 31 jaar van haar bestaan niet eerder incidenten hebben voorgedaan, dat zij niet is geïnformeerd over de sluiting van het als drugscafé bekend staande [café], dat de burgemeester heeft nagelaten duidelijk te maken welke maatregelen, om drugsgerelateerde activiteiten tegen te gaan, zijn vereist en dat zij alle mogelijke maatregelen heeft getroffen om dit soort incidenten te voorkomen.

2.7.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de burgemeester in de door 't Hoornse Veerhuis aangevoerde omstandigheden geen reden behoefde te zien om van zijn beleid af te wijken. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de omstandigheid dat de horeca-inrichting al lange tijd wordt geëxploiteerd zonder dat zich incidenten hebben voorgedaan niet kan afdoen aan het door 't Hoornse Veerhuis niet bestreden feit dat bij de inval op 7 maart 2007 een handelshoeveelheid soft- en harddrugs in de horeca-inrichting is aangetroffen. De omstandigheid dat de burgemeester en/of de politie haar niet hebben geïnformeerd over de sluiting van het [café] kan, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, nu zij gelet op het handhavingsarrangement niet verplicht waren een waarschuwing te geven en een zorgvuldige besluitvorming dit evenmin vereiste. Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat het op de weg van 't Hoornse Veerhuis lag om ervoor zorg te dragen dat geen drugsgerelateerde incidenten, daaronder begrepen de enkele aanwezigheid van drugs, in haar horeca-inrichting konden plaatsvinden en dat onvoldoende is gebleken van concrete acties om dat te bereiken. In zoverre is al om die reden de situatie in dit geval niet vergelijkbaar met die in de door 't Hoornse Veerhuis aangedragen uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2007. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat dan ook niet op.

2.8. Ten slotte heeft 't Hoornse Veerhuis aangevoerd dat de sluiting disproportioneel is en dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het besluit waarbij de maatregel is opgelegd tijdig is genomen, aldus 't Hoornse Veerhuis.

2.8.1. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die voor de burgemeester aanleiding hadden moeten zijn om van zijn beleid af te wijken, moet met de rechtbank worden geoordeeld dat de sluiting van de horeca-inrichting niet disproportioneel is te achten.

De burgemeester heeft gesteld dat hij zijn beleid in alle voorkomende gevallen toepast en heeft toegepast. Hiertegen heeft 't Hoornse Veerhuis aangevoerd dat het haar onwaarschijnlijk lijkt dat in het geval een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen in een warenhuis of station over zal worden gegaan tot sluiting. De Afdeling ziet hierin, reeds omdat het hypothetische gevallen betreft, geen grond voor het oordeel dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur.

Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de termijn tussen de inval en de in het bestuursdwangbesluit opgelegde maatregel, gelet op het feit dat nader onderzoek nodig was naar de hoeveelheid en soorten aangetroffen drugs en voorts een termijn is gegeven om 't Hoornse Veerhuis in de gelegenheid te stellen zelf tot sluiting over te gaan teneinde de kosten die gepaard gaan met sluiting van overheidswege te voorkomen, niet onredelijk lang.

2.9. Gelet op al het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid bestuursdwang uit te oefenen.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009

290.