Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7965

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
200805078/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2008, nummer 1340999, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deurne (hierna: de raad) bij besluit van 2 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Helmondsingel".

Wetsverwijzingen
Besluit luchtkwaliteit 2005
Besluit luchtkwaliteit 2005 7
Besluit luchtkwaliteit 2005 15
Besluit luchtkwaliteit 2005 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2010/20 met annotatie van De Vries
JOM 2010/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805078/1/R2.

Datum uitspraak: 30 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2008, nummer 1340999, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deurne (hierna: de raad) bij besluit van 2 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Helmondsingel".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 11 juli 2008.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht).

[appellant], het college en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. A.W.C.M. Jansen, ambtenaar in dienst van de gemeente, en H.P.A. Kerkers, wethouder, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door [algemeen directeur].

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Voor zover het college en de raad ter zitting hebben betoogd dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij vanuit zijn woning geen zicht heeft op de voorziene bedrijfsactiviteiten, overweegt de Afdeling het volgende.

Weliswaar ligt de woning van [appellant] op enige afstand van het plangebied, maar de overige gronden die in eigendom zijn bij [appellant] grenzen aan de zuidzijde aan de Helmondsingel. Het plangebied ligt direct aan de andere zijde van de Helmondsingel. [appellant] heeft derhalve gronden in eigendom die op zeer korte afstand liggen van het plangebied. De conclusie is dan ook dat [appellant] in dit geval belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Voor een niet-ontvankelijk verklaring van het beroep bestaat geen aanleiding.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Het plan voorziet in een bedrijventerrein van ongeveer 27 hectare. Het plangebied omvat het voormalig militair mobilisatiecomplex aan de Helmondsingel in Deurne (hierna: MOB-complex) en het naastgelegen grond- en groenrecyclingbedrijf. Het plan voorziet met name in de mogelijkheid [belanghebbende] vanuit locaties in de kernen van Vlierden en Deurne te verplaatsen en te concentreren op het MOB-complex. Het college heeft, voor zover hier van belang, aan het plan goedkeuring verleend.

Milieu-effectrapportage

2.4. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan dat voor het MOB-complex voorziet in een bedrijfsbestemming in plaats van een natuurbestemming. Hiertoe voert hij onder meer aan dat ten behoeve van het plan een milieu-effectrapportage (hierna: m.e.r.) had moeten worden uitgevoerd. Daartoe stelt hij dat het plan in samenhang met de geplande toeristisch-recreatieve ontwikkelingen in de Groene Peelvallei had moeten worden beoordeeld.

2.4.1. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat met de geplande ontwikkelingen in de Groene Peelvallei bij de voorbereiding van dit plan geen rekening behoefde te worden gehouden. Van een m.e.r.-plicht voor het plan is ook overigens geen sprake, aldus het college.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan en de toekomstige realisatie van toeristisch-recreatieve voorzieningen in de Groene Peelvallei noch afzonderlijke fasen betreffen van dezelfde activiteit noch zodanig samenhangende activiteiten zijn dat deze in het kader van de m.e.r.-plicht als één activiteit hadden moeten worden aangemerkt. Dat deze plannen betrekking hebben op een (nagenoeg) aaneengesloten gebied, is in dit kader niet doorslaggevend. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat ten behoeve van het plan een m.e.r. had moeten worden uitgevoerd. Dit betoog faalt.

Groene Hoofdstructuur

2.5. [appellant] betoogt dat niet is voldaan aan het 'nee, tenzij'-beleid dat van toepassing is op de Groene Hoofdstructuur (hierna: GHS). Ten eerste is volgens hem geen sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang, omdat onvoldoende is aangetoond dat behoefte bestaat aan ruimte voor bedrijvigheid en dat de beoogde opeenvolging van ontwikkelingen daadwerkelijk zal plaatsvinden. De eventuele ontlasting van de infrastructuur in de kern Deurne is ook niet te kwalificeren als een dergelijk belang. Bovendien is in de onderzoeken de aanleg van zuidelijke randweg niet meegenomen. Dat een economisch belang bestaat, betekent niet automatisch de aanwezigheid van een zwaarwegend maatschappelijk belang.

Ten tweede stelt [appellant] dat onvoldoende onderzoek is verricht naar alternatieve locaties, omdat ten onrechte slechts binnen de gemeente is gezocht. Bovendien is onzeker of [belanghebbende] een dermate groot deel van haar bedrijfsactiviteiten zal verplaatsen dat een kavel van 14 ha nodig is.

Ten derde betoogt [appellant] dat de voorziene compensatie kwalitatief en kwantitatief onvoldoende is. Hij voert hiertoe aan dat compensatie binnen de GHS niet meetelt als compensatie en dat het aaneengesloten stuk groen dat binnen het plangebied verdwijnt ten onrechte wordt gecompenseerd in een aantal kleine gebieden, hetgeen tot versnippering leidt.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in ieder geval 8 ha van de in de kern Deurne vrijkomende gronden een bestemming voor wonen of een andere stedelijke voorziening krijgt. Doordat bedrijvigheid uit de kern zal verdwijnen, zal de verkeersoverlast worden beperkt en de luchtkwaliteit verbeteren. Dit is een groot maatschappelijk belang volgens het college.

Voorts zijn in de regio Zuidoost-Brabant geen geschikte locaties voor een kavel van 14 ha beschikbaar en is de locatie van het MOB-complex gelet op de aanwezige infrastructuur geschikt voor logistieke bedrijven. Over de compensatie stelt het college zich op het standpunt dat 6 ha wordt gecompenseerd binnen het plangebied. Voorts is 3,4 ha aan compensatie in een overeenkomst met het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven opgenomen. De resterende 0,7 ha heeft een bosbestemming gekregen in een ander bestemmingsplan van de gemeente Deurne. De desbetreffende gronden zijn in eigendom van de gemeente. Volgens het college is de compensatie gelet op het vorenstaande voldoende zeker gesteld.

2.5.2. Volgens de raad is het zwaarwegend maatschappelijk belang gelegen in de reconstructie van het bedrijventerrein Spoorzone, de verbetering van het leefklimaat in de bebouwde kom en het creëren van vestigingsmogelijkheden voor bedrijven. In de huidige situatie is [belanghebbende] gevestigd op elf verschillende locaties binnen de gemeente. De bundeling van een aantal bedrijfsactiviteiten op één locatie zal leiden tot minder zwaar verkeer in de kern Deurne. Voorts is binnen de gemeente geen bedrijventerrein aanwezig waarop een kavel van 14 ha beschikbaar is. Ook is een dergelijke kavelgrootte voor een logistiek bedrijf op het regionale Bedrijventerrein Zuidoost-Brabant (hierna: BZOB) niet toegestaan, aldus de raad. De geplande compensatie voldoet aan de vereisten en is planologisch vastgelegd. Voorts heeft het MOB-complex een zeer gunstige ligging ten opzichte van de ontsluitingsmogelijkheden en sluit het aan op het stedelijk gebied van Helmond.

2.5.3. Niet in geschil is dat het plangebied op plankaart 1 van het streekplan 'Brabant in Balans' (2002) (hierna: het streekplan) is aangeduid als GHS. Tevens is niet in geschil dat op de voorziene ontwikkeling het 'nee, tenzij-principe' uit het streekplan van toepassing is. Op grond van dit 'nee, tenzij-principe' is een uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag alleen toelaatbaar als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen en nadat is aangetoond dat geen alternatieve locaties buiten de GHS voorhanden zijn. Voorts moet worden verzekerd dat de aantasting van de natuurwaarden wordt gecompenseerd.

2.5.3.1. De raad heeft in zijn zienswijze op het deskundigenbericht op een plattegrond aangeduid welke bedrijfslocaties van [belanghebbende] aan de gemeente zijn verkocht en welke locaties aan de gemeente zullen worden verkocht. Dit is door [belanghebbende] ter zitting nader toegelicht. Voorts heeft de raad in zijn nadere stuk vermeld dat voor de bedrijfslocatie in Vlierden een herziening van het bestemmingsplan 'Kom Vlierden' in procedure is gebracht. In deze herziening is de desbetreffende locatie voor woondoeleinden bestemd. Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat [belanghebbende] een groot deel van haar bedrijf naar het plangebied zal verplaatsen en dat voor de bundeling van de bedrijfsactiviteiten met bijbehorende voorzieningen een kavel van 14 ha noodzakelijk is.

In het rapport 'Second Opinion - met betrekking tot het Luchtkwaliteitonderzoek bedrijventerrein Helmondsingel' van Grontmij Nederland B.V. van 18 juni 2009 dat in opdracht van het gemeentebestuur is opgesteld, is vermeld dat de op dat moment voorzienbare verplaatsing van bedrijfslocaties van [belanghebbende] zal leiden tot een afname van de verkeersintensiteit in de kernen van 414 verkeersbewegingen per etmaal. Het aandeel van vrachtwagens hierin betreft 43 bewegingen per etmaal. In deze berekeningen is rekening gehouden met het verwachte nieuwe gebruik van de bedrijfslocaties. [belanghebbende] heeft ter zitting toegelicht dat de afname vooral betrekking heeft op het aantal vervoersbewegingen tussen de verscheidene bedrijfslocaties en de hoofdlocatie in de kern Deurne. De Afdeling acht voldoende aannemelijk dat de verplaatsing van de betrokken bedrijfslocaties van [belanghebbende] gunstige gevolgen zal hebben voor het leefklimaat in de kernen. Gelet hierop en gelet op het belang dat gemoeid is met de herontwikkeling van de bedrijfslocaties gelegen in de Spoorzone in Deurne, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het plan een zwaarwegend maatschappelijk belang is gediend als bedoeld in het streekplan.

2.5.3.2. Zoals hiervoor is overwogen, wordt een kavel van 14 ha ten behoeve van het transportbedrijf van [belanghebbende] noodzakelijk geacht. Niet in geschil is dat binnen de gemeente Deurne geen bedrijventerreinen aanwezig zijn waarop een kavel van 14 ha beschikbaar is voor het bedrijf van [belanghebbende]. De raad en het college hebben in hun zienswijze op het deskundigenbericht naar voren gebracht dat op het regionale BZOB geen kavels met een dergelijke grootte ten behoeve van logistieke bedrijven worden toegestaan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen alternatieve locaties voorhanden zijn.

2.5.3.3. Niet in geschil is dat 5,6 ha bos/groen wordt gecompenseerd binnen het plangebied. In de zienswijze op het deskundigenbericht heeft de raad de voorgenomen natuurcompensatie nader toegelicht. Hierin is vermeld dat naast de compensatie binnen het plangebied 3,4 ha bos/groen als zodanig is bestemd in het bestemmingsplan "Landgoed Gulbergen" dat door de raad van de gemeente Nuenen op 2 oktober 2008 is vastgesteld. Dat plan is voor zover hier van belang en voor zover betrekking hebbend op het grondgebied van de gemeente Geldrop-Mierlo op 22 januari 2002 goedgekeurd. De resterende 0,7 ha op de Brouwhuissche Heide is als "Bos en Natuur (GHS)" bestemd in het bestemmingsplan "Buitengebied" dat op 11 december 2007 is vastgesteld. De desbetreffende percelen zijn in eigendom van de gemeente en er zijn voldoende financiële middelen beschikbaar om de natuurcompensatie op korte termijn te kunnen realiseren. Voor zover [appellant] nog aanvoert dat deze manier van compenseren leidt tot versnippering terwijl juist moet worden gestreefd naar ruimtelijke samenhang en grotere eenheden, overweegt de Afdeling dat de natuurcompensatie die buiten het plangebied zal worden gerealiseerd, zal leiden tot grotere eenheden aaneengesloten bos en natuur op het landgoed Gulbergen en op de Brouwhuissche Heide. Over het betoog van [appellant] dat de natuurcompensatie niet binnen de GHS mag plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat in artikel 4 van de provinciale Beleidsregel natuurcompensatie van november 2005 is vermeld dat de compensatie bij voorkeur dient plaats te vinden binnen de GHS. Het betoog faalt derhalve.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de natuurcompensatie afdoende is verzekerd.

Natuurwaarden

2.6. [appellant] betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan in het kader van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) en de Natuurbeschermingswet 1998, omdat geen onderzoek is gedaan naar eventuele gevolgen voor beschermde soorten buiten het plangebied.

2.6.1. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat voldoende onderzoek is gedaan naar de eventuele gevolgen voor flora en fauna. De benodigde ontheffing is op 12 juli 2006 verleend.

2.6.2. Over het betoog van [appellant] ten aanzien van de Ffw overweegt de Afdeling dat deze wet zich met name richt op de bescherming van flora en fauna binnen een plangebied. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat delen van het plangebied van belang zouden kunnen zijn als vaste rust- of verblijfplaats voor soorten die zich buiten het plangebied bevinden, maar die door de Ffw worden beschermd. Dit betoog faalt.

Uit het onderzoek 'Natuurwaarden van het MOB-terrein aan de Helmondsingel te Deurne' van Adviesbureau Mertens, bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en ecotoxicologie van september 2004, blijkt dat zich binnen het plangebied enkele beschermde zoogdieren bevinden. Volgens het op dit punt onbetwiste deskundigenbericht is voor de eekhoorn een ontheffing benodigd. In de plantoelichting is vermeld dat deze ontheffing op 12 juli 2006 is verleend.

Gelet op het vorenstaande heeft het college bij het bestreden besluit in redelijkheid mogen uitgaan van dit flora- en faunaonderzoek.

Voorts stelt de Afdeling vast dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde natuurgebieden in de zin van de Natuurbeschermingwet 1998 liggen. Naar de effecten van het plan op een dergelijk natuurgebied behoefde dan ook geen onderzoek te worden gedaan.

Overige aspecten provinciaal en regionaal beleid

2.7. [appellant] betoogt dat met het plan niet wordt voldaan aan het rood-met-groenbeleid uit het streekplan.

2.7.1. In het streekplan is vermeld dat de uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag ten koste van het buitengebied zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Wanneer uitbreiding onontkoombaar is, moet deze gepaard gaan met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit elders in het buitengebied (rood-met-groen). In de uitwerkingsplannen voor de stedelijke en de landelijke regio's moet hieraan concreet invulling worden gegeven. Voorts is daarin vermeld dat deze rood-met-groenbenadering los staat van de compensatie van natuur- en landschapswaarden die vereist is bij aantasting van de GHS. Ook moet zij niet worden verward met de zogeheten rood-voor-groenbenadering waarin de kwaliteitsverbetering van het buitengebied het primaire doel is.

2.7.2. De Afdeling stelt vast dat uit de systematiek van het streekplan en het Regionaal Structuurplan regio Eindhoven/Provinciaal uitwerkingsplan Zuidoost-Brabant van 8 maart 2005 volgt dat het hierboven vermelde rood-met-groenbeleid niet is bedoeld als extra eis voor compensatie boven op het 'nee, tenzij-principe', maar is bedoeld voor situaties waarin het 'nee, tenzij-principe' niet van toepassing is.

Gelet hierop behoefde met het plan niet te worden voldaan aan het rood-met-groenbeleid uit het streekplan. Het betoog faalt.

2.8. Tevens stelt [appellant] dat het plan in strijd is met het streekplan, omdat het plangebied gedeeltelijk in landelijk gebied ligt, waarvoor een maximum oppervlakte voor bedrijfskavels geldt.

2.8.1. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat een kavelgrootte van 14 ha nodig is voor de verplaatsing van het bedrijf van [belanghebbende]. Bovendien ligt het plangebied slechts gedeeltelijk in het landelijk gebied, aldus het college.

2.8.2. In het streekplan is vermeld dat de provincie in het algemeen bedrijven met een kavel van meer dan 5000 m² beschouwt als bedrijven die vanwege hun schaal niet passen in het landelijk gebied.

2.8.3. De Afdeling stelt vast dat het plangebied volgens plankaart 1 van het streekplan voor het grootste gedeelte binnen de stedelijke regio valt. Het gedeelte van het plangebied waar is voorzien in het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, logistiek" dat is bedoeld voor de vestiging van een gedeelte van het bedrijf van [belanghebbende] valt in ieder geval binnen de stedelijke regio. Gelet hierop is het streekplanbeleid waarnaar [appellant] verwijst niet van toepassing op dit plandeel.

Groene buffer en het groen- en grondrecyclingsbedrijf

2.9. Volgens [appellant] leidt het plan tot een aantasting van de groene buffer tussen Helmond en Deurne. Nu bevinden zich ten oosten van plangebied slechts agrarische bedrijven. Er is een groot contrast wat uitstraling betreft tussen de voorziene bestemmingen en deze bedrijven, aldus [appellant].

2.9.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat de functie van de groene buffer behouden zal blijven. De groenstrook in het plangebied zal ervoor zorgen dat de bedrijfsgebouwen uit het zicht blijven.

2.9.2. Niet te ontkennen valt dat de realisatie van het plan mogelijk zal leiden tot enige aantasting van de groene buffer tussen Helmond en Deurne. Gelet op het zwaarwegend maatschappelijk belang dat met onderhavige ontwikkeling is gemoeid, is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de realisering van het bedrijventerrein welke het plan mogelijk maakt, dan aan het geheel onaangetast laten van de bestaande groene buffer. Hierbij is in aanmerking genomen dat het plangebied aansluit op het stedelijk gebied van Helmond en dat het vorige gebruik binnen het plangebied reeds tot een zekere mate van verstening heeft geleid. Bovendien voorziet het plan in een landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein door een brede groene boszone rond het gehele plangebied.

2.10. [appellant] betoogt dat ten onrechte de afwijking van de richtafstanden van de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) alleen voor het aspect geluid is gemotiveerd en niet voor de overige hinderaspecten. Het groenbedrijf is wellicht al een tijd feitelijk aanwezig, maar wordt nu als zodanig bestemd en krijgt ook uitbreidingsruimte. Daarom moet worden onderzocht of aan de richtafstanden kan worden voldaan, aldus [appellant].

2.10.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege de aanwezigheid van de Helmondsingel en de spoorlijn sprake is van gemengd gebied. De afwijking van de richtafstand voor geluid is volgens het college voldoende gemotiveerd.

2.10.2. De raad is bij de voorbereiding van het plan uitgegaan van gemengd gebied. Op grond daarvan kan één stap worden afgetrokken van de richtafstanden. Het groen- en grondrecyclingbedrijf was in het vorige plan al als zodanig bestemd. Het onderhavige plan voorziet voor het bedrijf in beperkte uitbreidingsruimte. Ten opzichte van bijna alle omliggende woningen wordt aan de richtafstand voldaan, aldus de raad.

2.10.3. Uit de zienswijze van de raad op het deskundigenbericht blijkt dat het bedrijf valt onder SBI-code 9002.2 nummer C4 van de VNG-brochure. Voor een dergelijk bedrijf in categorie 4.1 is de maatgevende afstand 200 meter. Deze afstand is gebaseerd op de richtafstanden voor stof en geluid. Niet in geschil is dat het een gemengd gebied betreft. Op grond van deze kwalificatie kunnen de in de bijlage bij de VNG-brochure opgenomen richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Hieruit volgt dat de maatgevende afstand voor het groen- en grondrecyclingbedrijf 100 meter is. [appellant] heeft niet betwist dat voor bijna alle omliggende woningen aan deze afstand kan worden voldaan. Voor zover de woning aan de [locatie] op een kortere afstand van het bedrijf ligt dan 100 meter heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie niet wijzigt ten opzichte van de huidige situatie en dat bij het verlenen van de milieuvergunning voor het groen- en grondrecyclingbedrijf met de aanwezigheid van die woning rekening is gehouden.

Gelet op deze nadere motivering van de raad is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen voldoende is gewaarborgd.

Groene Peelvallei, gebiedsvisie en onderbouwing van het plan

2.11. Ten onrechte heeft voor het plan volgens [appellant] geen afstemming plaats gevonden met de voorziene toeristisch-recreatieve ontwikkelingen in de Groene Peelvallei. [appellant] wijst hierbij op het convenant dat is gesloten tussen de gemeentes Deurne en Helmond (hierna: het convenant), waarin onder meer afspraken over nadere onderzoeksverplichtingen ten aanzien van de waterhuishouding en de verkeersafwikkeling zijn gemaakt. Hieruit volgt volgens [appellant] tevens dat het plan onzorgvuldig is voorbereid. Voorts ontbreekt de volgens het uitwerkingsplan vereiste integrale gebiedsvisie.

2.11.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in de plantoelichting een integrale visie op het gebied is opgenomen, waarbij onder meer een relatie wordt gelegd met de ontwikkelingen in de Groene Peelvallei. Het college heeft zich voorts aangesloten bij de beantwoording van de zienswijze door de raad en heeft daarbij gewezen op het feit dat de raad heeft geconstateerd dat de bedrijvigheid in het plangebied geen nadelige effecten hoeft te hebben op de toeristisch-recreatieve ontwikkelingen in de Groene Peelvallei. Vanwege de ontwikkelingen in de Groene Peelvallei moet nog nader onderzoek worden gedaan naar de afwikkeling van het verkeer via de Helmondsingel.

2.11.2. Het plangebied is in het uitwerkingsplan onder meer aangeduid als gebied waarvoor transformatie naar stedelijk gebied afweegbaar is en als 'integratie stad-land'. In het uitwerkingsplan is vermeld dat bij verstedelijking in een dergelijk gebied uit een integrale visie moet blijken hoe stedelijke opgaven en landschap- en natuurontwikkelingopgaven ruimtelijk vertaald en veilig gesteld worden.

2.11.3. De Afdeling stelt vast dat in hoofdstuk 4 van de plantoelichting een gebiedsvisie is opgenomen waarin de ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied zijn omschreven en waarin de effecten van het plan op de omgeving zijn beschreven. Hiermee wordt voldaan aan de vereiste integrale visie op het gebied. Voorts is, zoals overwogen onder 2.5.3.3., de natuurcompensatie voldoende zeker gesteld.

In het convenant is vastgelegd dat de gemeente Deurne een nadere inventarisatie en analyse van de toekomstige verkeersbewegingen vanwege het plan en het projectgebied Groene Peelvallei zal laten uitvoeren. Vervolgens zal door de gemeenten Deurne en Helmond in samenspraak met de provincie Noord-Brabant een acceptabele verkeersstructuur worden uitgewerkt. De Afdeling is van oordeel dat hieruit niet valt af te leiden dat de gevolgen van het plan voor de verkeersituatie onvoldoende zijn onderzocht, maar dat met het convenant onder meer wordt beoogd alle ontwikkelingen in de omgeving in een verkeerskundig onderzoek te betrekken om op basis daarvan een goede afwikkeling van het verkeer van en naar de Groene Peelvallei zeker te stellen. Het college heeft in navolging van de raad in zijn afweging kunnen betrekken dat de bestaande verkeersintensiteit op de Helmondsingel mede wordt bepaald door de vervoersbewegingen van het bedrijf van [belanghebbende]. [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet voorziet in de mogelijkheid een passende ontsluiting van het bedrijventerrein te realiseren.

In het convenant is tevens vastgelegd dat de gemeente Deurne op basis van een inrichtingsplan voor het plangebied de effecten van het plan op de waterhuishouding in beeld zal brengen. Indien een hydrologisch neutrale oplossing niet mogelijk is, zal de benodigde waterberging in de Groene Peelvallei worden gerealiseerd. In de waterparagraaf (hoofdstuk 5 van de plantoelichting) is vermeld dat vanwege de toename van het verharde oppervlak binnen het plangebied, waterberging moet worden gerealiseerd ten behoeve van 15% van die toename. Op grond van het plan kan deze waterberging worden gerealiseerd. Volgens de plantoelichting heeft het Waterschap Aa en Maas met de waterparagraaf ingestemd. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de Afdeling bij het bestreden besluit in redelijkheid kunnen uitgaan van het onderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt. Voor zover in het convenant tussen de gemeentes Deurne en Helmond een nadere onderzoeksplicht is vastgelegd en een grotere waterbergingscapaciteit is zeker gesteld, leidt dit niet tot de conclusie dat het plan op dit punt onzorgvuldig is voorbereid.

2.12. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte een groot gewicht heeft toegekend aan de aanbevelingen van de werkgroep Herbestemming Militaire Terreinen (hierna: werkgroep HMT).

2.12.1. In de plantoelichting is bij het toepasselijke beleidskader het rapport van de werkgroep HMT vermeld. Voorts is daarbij vermeld dat in het rapport van de werkgroep HMT de conclusie is opgenomen dat het MOB-complex vanwege zijn ligging niet geschikt is voor recreatie en woningbouw, maar wel voor hoogdynamische functies waarbij rekening moet worden gehouden met de aanwezige groenstructuren.

2.12.2. De Afdeling is van oordeel dat, hoewel het rapport van de werkgroep HMT is vermeld bij het beleidskader, niet uit de plantoelichting of een ander op het plan betrekking hebbend stuk blijkt dat de raad hieraan bij de voorbereiding van het plan een groot gewicht heeft toegekend. Het college heeft in dit betoog dan ook geen aanleiding hoeven te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

Luchtkwaliteit

2.13. [appellant] betoogt dat het plan niet op het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek 'Verkennend onderzoek luchtkwaliteit ten behoeve van het bestemmingsplan bedrijventerrein Helmondsingel te Deurne' van Wissing stedebouw en ruimtelijke vormgeving B.V. van september 2005 had mogen worden gebaseerd. Hij betwijfelt of bij de verkeersintensiteit van de Helmondsingel voldoende rekening is gehouden met het aandeel vrachtverkeer. Voorts voert hij aan dat in het luchtkwaliteitonderzoek ten onrechte is uitgegaan van de veronderstelling dat de luchtkwaliteit in de kern Deurne zal verbeteren door de verplaatsing van een gedeelte van het bedrijf van [belanghebbende]. De voor de kern gebruikte verkeersintensiteiten zijn niet onderbouwd. Tevens is in die intensiteiten geen rekening gehouden met het toekomstige gebruik van de vrijkomende percelen, aldus [appellant].

2.13.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het luchtkwaliteitonderzoek in de reactie op de zienswijzen nader is toegelicht en dat uit het luchtkwaliteitonderzoek blijkt dat het plan slechts in beperkte mate een negatieve invloed heeft op de omgeving.

2.13.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005), voor zover hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in dit besluit genoemde grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) in acht.

2.13.2.1. Ingevolge artikel 15 van het Blk 2005 gelden voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden;

b. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

2.13.2.2. Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.13.2.3. Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van het Blk 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

2.13.3. Het luchtkwaliteitonderzoek en de uitkomsten daarvan zijn neergelegd in het rapport 'Verkennend onderzoek luchtkwaliteit ten behoeve van het bestemmingsplan bedrijventerrein Helmondsingel te Deurne' van Wissing stedebouw en ruimtelijke vormgeving B.V. van september 2005 (hierna: het luchtkwaliteitonderzoek). Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van het model CAR II, versie 4.0.

Ten behoeve van de vaststelling van het plan door de raad zijn nieuwe berekeningen uitgevoerd met het model CAR II, versie 5.1 (hierna: de actualisatie). Deze berekeningen zijn uitgevoerd op basis van dezelfde invoergegevens als de gegevens die zijn gebruikt voor het luchtkwaliteitonderzoek.

2.13.4. Uit de invoergegevens blijkt dat de verkeersintensiteit voor de Helmondsingel is gebaseerd op de 'Verkeersvisie Grontmij'. Hierbij is uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van in totaal 20%, waarvan 10% licht vrachtverkeer en 10% zwaar vrachtverkeer. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aandeel vrachtverkeer op de Helmondsingel is onderschat.

2.13.5. Uit de actualisatie blijkt dat, berekend op een afstand van de wegas van zes meter, in de jaren 2010, 2015 en 2020 de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van de Helmondsingel niet worden overschreden. Tevens blijkt uit de actualisatie dat in die jaren ter plaatse van de Helmondsingel aan de in het Blk 2005 genoemde grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10) wordt voldaan. Aan de grenswaarde voor het aantal overschrijdingsdagen van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) kan in 2010 niet worden voldaan.

2.13.6. Voor zover het college in navolging van de raad naar voren heeft gebracht dat tevens de luchtkwaliteit in de kern Deurne is berekend met het doel de verbetering van de luchtkwaliteit daar op grond van artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 te kunnen salderen met een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van de Helmondsingel, overweegt de Afdeling het volgende. In de actualisatie zijn slechts nieuwe berekeningen opgenomen voor de Helmondsingel. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit in de kern Deurne moet derhalve gebruik worden gemaakt van het luchtkwaliteitonderzoek.

Volgens het in zoverre onbetwiste deskundigenbericht zijn de verkeersintensiteiten die voor de berekening van de luchtkwaliteit in de kern Deurne zijn gebruikt, geschat en is niet duidelijk welke wegen in de kern zijn onderzocht. Voorts is volgens het deskundigenbericht de veronderstelde verkeersafname in de kern aanzienlijk en biedt het luchtkwaliteitonderzoek hiervoor geen onderbouwing. Met name is onduidelijk waarop de verkeersaantrekkende werking van de te verplaatsen bedrijfslocaties is gebaseerd, over welke wegen in en rondom Deurne het verkeer zich afwikkelt, of rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe functies op de vrijkomende bedrijfslocaties, en waar het aandeel vrachtwagenbewegingen in de verkeersintensiteit op is gebaseerd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de saldering niet mocht worden gebaseerd op het luchtkwaliteitonderzoek. Nu de saldering geen stand houdt, is de conclusie dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voldoet aan de eisen van het Blk 2005.

2.13.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant] op dit punt heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.13.8. De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

In reactie op het deskundigenbericht heeft de raad een nieuw luchtkwaliteitonderzoek laten uitvoeren door Grontmij Nederland B.V.. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport 'Second Opinion - Met betrekking tot het Luchtkwaliteitonderzoek bedrijventerrein Helmondsingel' van 18 juni 2009. In dit rapport zijn de gevolgen voor het verkeer van de verplaatsing van het bedrijf van [belanghebbende] naar het bedrijventerrein Helmondsingel en het gebruik van de vrijkomende locaties met behulp van kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek berekend en toegelicht. Tevens zijn op basis van de berekende verkeersintensiteiten nieuwe berekeningen met model CAR II, versie 5.1 uitgevoerd ten aanzien van de luchtkwaliteit. Uit deze berekeningen blijkt dat ter plaatse van de Helmondsingel in 2010, 2015 en 2020 aan alle grenswaarden van het Blk 2005 wordt voldaan. Een saldering met een verbetering van de luchtkwaliteit in de kern Deurne is derhalve niet aan de orde.

Voor zover [appellant] nog heeft betoogd dat in de nieuwe berekeningen ten aanzien van de Helmondsingel geen rekening is gehouden met een eventuele rotonde, overweegt de Afdeling dat gebruik is gemaakt van het model CAR II, versie 5.1. Dit model bevat niet de mogelijkheid om kruispunten en rotondes in de invoergegevens op te nemen. Feit is evenwel dat modellen uit de aard van de zaak altijd een abstractie zijn van de werkelijkheid. De validiteit van een model wordt aangetast indien de berekeningen op basis van een model te zeer afwijken van de werkelijkheid. In hetgeen door [appellant] naar voren is gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat die situatie zich in dit geval voordoet.

Proceskostenveroordeling

2.14. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 13 mei 2008, nummer 1340999, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat is vernietigd geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 846,39 (zegge: achthonderzesenveertig euro en negenendertig cent), waarvan € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2009

12-545.