Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7956

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
200906496/1/H2 en 200906496/2/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan de Dienst Stadsbeheer, Riolering en Waterbeheersing van de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente) vergunning verleend voor het vellen van 22 bomen aan de Veenkade tussen de Hemsterhuisstraat en Bij de Westermolens te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906496/1/H2 en 200906496/2/H2.

Datum uitspraak: 21 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 juli 2009 in zaak nr. 08/8037 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan de Dienst Stadsbeheer, Riolering en Waterbeheersing van de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente) vergunning verleend voor het vellen van 22 bomen aan de Veenkade tussen de Hemsterhuisstraat en Bij de Westermolens te Den Haag.

Bij besluit van 24 september 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2009, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 december 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Sizoo, ambtenaar in dienst van de gemeente, bijgestaan door L. Koudstaal, deskundige, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de gemeente, vertegenwoordigd door E.T. Bavelaar, ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bomenverordening 2005 van de gemeente Den Haag (hierna: de Verordening), voor zover thans van belang, is het verboden houtopstand zonder vergunning van het college te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, kan het college de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van natuur-, educatieve- en milieuwaarden, alsmede in het belang van belevings- en gebruikswaarden.

2.3. De kapvergunning is verleend voor het vellen van 22 bomen aan de Veenkade in verband met noodzakelijk herstel van de kademuur aldaar. Aan de vergunning is de voorwaarde verbonden dat ter vervanging van de te vellen bomen 22 bomen met een stamomtrek van 60-70 centimeter dienen te worden teruggeplaatst. De vergunning is gehandhaafd bij besluit van 24 september 2008.

2.4. [appellant] betoogt - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat als was gekozen voor één van de vier andere varianten voor vervanging en herstel van de kademuur, de bomen langs de Veenkade behouden kunnen blijven. Verder bestrijdt [appellant] het standpunt van de gemeente dat de variant waarbij een nieuwe betonnen bovenbouw wordt gerealiseerd op de bestaande palen het risico van paalrot in zich draagt en dat de variant waarbij een nieuwe kade voor de huidige kade wordt geplaatst afbreuk doet aan het beschermd stadsgezicht en het doorstroomprofiel van de Veenkade versmalt.

2.4.1. Het betoog faalt. Het college heeft aan de verleende kapvergunning een aantal deskundigenadviezen ten grondslag gelegd, waarin uitvoerig uiteen is gezet waarom in het kader van de vervanging en het herstel van de kademuur is gekozen voor de variant waarbij de bomen moeten worden gekapt. [appellant] heeft daar geen tegenrapport tegenover gesteld. Hetgeen hij in hoger beroep heeft aangevoerd vormt evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte en op onjuiste gronden tot het oordeel is gekomen dat het college in redelijkheid tot vergunningverlening is overgegaan en dat overigens geen sprake is van toepassing van bevoegdheden in strijd met het bepaalde in de Verordening.

2.5. Het betoog [appellant] dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de Adviescommissie bezwaarschriften blijkens het verslag van de hoorzitting verkeerd is voorgelicht ten aanzien van de doorstroming van de Veenkade en daardoor een verkeerd advies heeft uitgebracht faalt evenzeer, nu, naar het college ter zitting uiteen heeft gezet, het verslag van de hoorzitting weliswaar geen goede weergave is van hetgeen [appellant] daar heeft gezegd, maar de Adviescommissie bezwaarschriften haar oordeel heeft gebaseerd op hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken.

2.6. Tot slot faalt ook het ter zitting door [appellant] gevoerde betoog dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat een opbreekvergunning moet worden aangevraagd en afgewacht alvorens met de werkzaamheden aan de kade kan worden begonnen. Het vereiste van een opbreekvergunning is volgens de Verordening geen grond voor weigering van een kapvergunning.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2009

502.