Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7465

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
200901807/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901807/1/H1.

Datum uitspraak: 23 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 13 februari 2009 in zaken nrs. 09/79 + 08/1240, 09/137 + 08/1307, 09/85 + 09/86, 09/108 + 09/109 in het geding tussen:

1. [appellant]

2. [appellant] en anderen

3. [wederpartij sub 3] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit, verzonden op 3 november 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door W. Loman MSc en A.W.N. ten Doeschot, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet op het perceel in het bouwen van een vrijstaande woning met een inhoud van 750 m3 op een afstand van ongeveer 60 m ten westen van een bestaande woning.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1984" heeft het perceel ter plaatse van het bouwplan gedeeltelijk de bestemmingen "Element van landschappelijke waarde" en "Agrarisch gebied met grote landschappelijke waarde". Het bouwplan is in strijd met deze bestemmingen. Het college heeft medewerking aan het bouwplan verleend door met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college in het besluit op bezwaar niet heeft gemotiveerd waarom een woning met een inhoud van 750 m3 hier aanvaardbaar is. Hij betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college bij zijn besluitvorming de inbreuk van het bouwplan op de grote landschappelijke waarde van de gronden waarop het is voorzien niet in zijn afweging heeft betrokken en niet heeft gemotiveerd waarom de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse als gevolg van het bouwplan zal verbeteren.

2.3.1. Voor het oordeel dat het college niet heeft gemotiveerd waarom een woning met een inhoud van 750 m3 op het perceel aanvaardbaar moet worden geacht, bestaat geen grond. Het college diende op de aanvraag te beslissen zoals deze is ingediend. Dat, naar door [appellant] is gesteld, nieuwbouw op de locatie van de bestaande woning mogelijk zou zijn indien voor een kleinere inhoud zou worden gekozen, is bij het beslissen op die aanvraag derhalve niet relevant. De voorzieningenrechter heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in de inhoud van de te bouwen woning in redelijkheid een beletsel had dienen te zien voor het verlenen van de vrijstelling. Hij heeft terecht betekenis toegekend aan de feiten dat in het provinciaal beleid is vastgelegd dat in het buitengebied woningen met een inhoud van maximaal 750 m3 toelaatbaar zijn en dat het college van gedeputeerde staten heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan.

Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de inbreuk van het bouwplan op de landschappelijke waarden van de gronden bij zijn besluitvorming niet heeft afgewogen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan op de beoogde locatie aanvaardbaar is, nu de woning landschappelijk wordt ingepast en heeft voorts in redelijkheid betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het bouwplan ter plaatse van de te slopen woning herstel van een boscomplex mogelijk maakt en dit mogen aanmerken als het toenemen van de ruimtelijke kwaliteit. De voorzieningenrechter heeft terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Door het college is onweersproken gesteld dat aan het gebied de bestemming "Agrarisch gebied met grote landschappelijke waarde" is toegekend, omdat zich in het gebied verspreid liggende houtwallen en kleinere bossen bevinden. Gelet op door het college overgelegde foto's van het perceel en de daarbij verstrekte toelichting staat voorts vast dat zich ter plaatse van de nieuw te bouwen woning geen elementen met een grote landschappelijke waarde bevinden. Het dichtstbijzijnde als zodanig bestemde element van landschappelijke waarde is het boscomplex, waarvan de ruimtelijke kwaliteit als uitvloeisel van het bouwplan, zoals hiervoor is overwogen, zal toenemen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de tussen [vergunninghouder] en de gemeente gesloten privaatrechtelijke overeenkomst niet toereikend is om af te dwingen dat wordt voldaan aan de overeengekomen herplantplicht. Voorts voert hij aan dat niet is verzekerd dat de bestaande woning zal worden gesloopt na het gereed komen van de nieuwbouw.

2.4.1. [vergunninghouder] en de gemeente hebben op 30 juli 2008 een overeenkomst gesloten. In artikel 1 van die overeenkomst is bepaald dat [vergunninghouder] binnen negen maanden na het onherroepelijk worden van de vrijstelling aan de herplantplicht zal voldoen door middel van het aanplanten van een bomengroep, zoals weergegeven op de tekening van 21 maart 2006, behorende bij de verleende bouwvergunning. In geval [vergunninghouder] nalatig blijft de in artikel 1 opgelegde verplichting na te komen, verbeurt hij volgens het derde lid van artikel 1 een boete van € 5.000,00. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden overwogen dat met deze overeenkomst de herplant van bomen voldoende is verzekerd.

Vaststaat dat voor het slopen van de bestaande woning een sloopvergunning is verleend. Voorts is in de bouwaanvraag en op de bouwtekening, behorende bij de bouwvergunning, aangegeven dat de bestaande woning zal worden gesloopt. Indien niet wordt overgegaan tot sloop heeft het college ingevolge artikel 59, eerste lid, onder a, van de Woningwet de mogelijkheid de bouwvergunning in te trekken wegens onjuiste opgave van gegevens, waarna handhavend kan worden opgetreden. Voorts kan bij niet slopen van de bestaande woning voormelde overeenkomst door [vergunninghouder] niet worden nagekomen, als gevolg waarvan de boeteclausule in werking treedt. Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat onvoldoende gewaarborgd is dat de bestaande woning na het gereedkomen van het bouwplan zal worden gesloopt.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat, uitgaande van de op 6 november 2007 verleende milieuvergunning, de geurinvloed van zijn agrarisch bedrijf aan de [locatie 1] in de weg staat aan het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan. Hij vreest als gevolg van het bouwplan zijn bedrijf niet meer te kunnen uitbreiden. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat ter plaatse van de voorziene woning geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.5.1. De omstandigheid dat ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer de op 6 november 2007 aan [appellant] verleende nieuwe milieuvergunning nog niet in werking is getreden, maakt op zichzelf niet dat bij de beoordeling of uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening medewerking kan worden verleend aan het bouwen van de woning geen rekening behoeft te worden gehouden met de aan [appellant] vergunde rechten. Nu, zoals uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, de geurbelasting op de bestaande woning met zich brengt dat geen bouwvergunning voor een staluitbreiding in overeenstemming met de milieuvergunning van 6 november 2007 kan worden verleend, heeft de voorzieningenrechter evenwel terecht en op goede gronden overwogen dat in dit geval van de geldende milieuvergunning van 1 maart 2005 diende te worden uitgegaan.

2.5.2. Uitgaande van de bij de bouwvergunning behorende memo van het college van 7 november 2007, is voldoende vast komen te staan dat de voorziene woning buiten de geldende geurcontour van het agrarisch bedrijf van [appellant] is geprojecteerd, zodat de geurbelasting afkomstig van het bedrijf niet in de weg staat aan het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan. Dat in de nota zienswijzen is verwezen naar voormelde memo en verderop desondanks is opgemerkt dat de voorziene woning gedeeltelijk binnen de geurcontour is geprojecteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op de gegevens in voormelde memo, alsmede gelet op het verhandelde ter zitting mist de gewraakte opmerking in de nota zienswijzen feitelijke grondslag. De voorzieningenrechter heeft terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel.

2.5.3. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf extra zal beperken. Hij heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat uit de memo van 7 november 2007 blijkt dat de geurbelasting van het bedrijf op de voorziene woning nagenoeg gelijk, dan wel lager is dan op de bestaande woning, zodat de voorziene woning ten opzichte van de bestaande situatie geen extra belemmering vormt voor de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college daarbij niet heeft mogen uitgaan van de grens van de agrarische bedrijfsbebouwing in plaats van de grens van het agrarisch bouwblok, waarbij in aanmerking is genomen dat, indien van de grens van het agrarisch bouwblok zou worden uitgegaan, ook de bestaande woning aan uitbreiding van het bedrijf in de weg zou staan. Voorts is ter zitting gebleken dat, gelet op de situering van de bestaande stallen, het agrarisch bouwblok van [appellant] in de richting van [vergunninghouder] vrijwel geen ruimte biedt voor staluitbreiding.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009

392.