Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
200900335/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college), voor zover thans van belang, de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Essent Energie Productie B.V. (hierna: Essent) op 18 september 2007 verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor elektriciteitscentrale 'Clauscentrale' op het adres Voortstraat 19 te Maasbracht gewijzigd in die zin dat inzet van bio-olie in Eenheid A wordt geweigerd en voorschrift H.5 aan de vergunning wordt verbonden. Dit besluit is op 4 december 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900335/1/M1.

Datum uitspraak: 23 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Essent Productie B.V., gevestigd te 's-Hertogenbosch,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college), voor zover thans van belang, de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Essent Energie Productie B.V. (hierna: Essent) op 18 september 2007 verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor elektriciteitscentrale 'Clauscentrale' op het adres Voortstraat 19 te Maasbracht gewijzigd in die zin dat inzet van bio-olie in Eenheid A wordt geweigerd en voorschrift H.5 aan de vergunning wordt verbonden. Dit besluit is op 4 december 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Essent bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 12 februari 2009.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2009, waar Essent, vertegenwoordigd door mr. drs. M.M. Kaajan, advocaat te Amsterdam, en R. Zelis, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. van Balendonck, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft Essent de beroepsgrond ingetrokken dat het college ten onrechte de emissiewaarden voor NOx uit het BREF-document Reference Document on Best available Techniques for Large Combustion Plants (hierna: BREF Grote stookinstallaties) heeft voorgeschreven bij de inzet van aardgas in Eenheid A. Het beroep heeft nog slechts betrekking op de weigering van de inzet van bio-olie in Eenheid A.

2.2. Eenheid A is een installatie waarmee elektriciteit kan worden geproduceerd door het verstoken van aardgas en door het verstoken van bio-olie, eventueel in combinatie met aardgas.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. Volgens het college moeten om bij het stoken van bio-olie aan de emissie-eisen uit het BREF Grote stookinstallaties te voldoen, zodanig ingrijpende maatregelen worden getroffen, dat daarmee de grondslag van de aanvraag wordt verlaten.

2.4.1. Volgens Essent is het mogelijk om aanvullende maatregelen voor te schrijven zonder de grondslag van de aanvraag te verlaten. Essent voert aan dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of door aanpassingen in de verhouding tussen bio-olie en aardgas, door het stellen van acceptatiecriteria voor bio-olie, het voorschrijven van een maximaal aantal uren per dag dat bio-olie kan worden ingezet en het stellen van eisen aan het vermogen van de installatie op het moment dat bio-olie wordt ingezet, kan worden bereikt dat bij de inzet van bio-olie de emissiewaarden voor stof, SO2 en NOx uit het BREF Grote stookinstallaties nageleefd kunnen worden. De aanvraag biedt voldoende aanknopingspunten voor het voorschrijven van dergelijke maatregelen, aldus Essent. Volgens Essent kan met dergelijke voorschriften worden voldaan aan de emissiewaarden uit het BREF Grote stookinstallaties.

2.4.2. Volgens het deskundigenbericht is het aannemelijk dat aan de emissie-eisen voor SO2 kan worden voldaan, als de inzet van bio-olie beperkt wordt tot maximaal twaalf uur per etmaal en strengere acceptatiecriteria, aan bio-olie gesteld worden. Voor stof en NOx is het onder die omstandigheden aannemelijk dat aan de emissie-eisen kan worden voldaan indien slechts in beperkte mate bio-olie wordt bijgestookt, in een voor NOx-emissie gunstige vermogensband, aldus het deskundigenbericht. De Afdeling ziet geen aanleiding het deskundigenbericht op dit punt onjuist te achten. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat met dergelijke maatregelen de grondslag van de aanvraag zou worden verlaten. De Afdeling is van oordeel dat het college had behoren te onderzoeken of door het stellen van strengere acceptatiecriteria aan bio-olie, het beperken van de inzet van bio-olie en het benutten van een gunstige vermogensband aan de emissie-eisen kon worden voldaan. Ten onrechte heeft het college dit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet onderzocht. Deze beroepsgrond slaagt.

2.5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 25 november 2008 komt voor vernietiging in aanmerking voor zover dit betrekking heeft op de weigering van de inzet van bio-olie in Eenheid A.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 25 november 2008, kenmerk 2006/25481, voor zover het de weigering van de inzet van bio-olie in Eenheid A betreft;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Essent Productie B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Essent Productie B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009

433.