Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7423

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
200901040/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) ontheffing van de gemeentelijke Bouwverordening 2007 en bouwvergunning verleend aan [wederpartij] voor de oprichting van een kantoorgebouw met stallingsvoorzieningen op het perceel [locatie] te Breda.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901040/1/H1.

Datum uitspraak: 23 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Breda,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 december 2008 in zaak nr. AWB 08/3762 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) ontheffing van de gemeentelijke Bouwverordening 2007 en bouwvergunning verleend aan [wederpartij] voor de oprichting van een kantoorgebouw met stallingsvoorzieningen op het perceel [locatie] te Breda.

Bij besluit van 4 juli 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 december 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 juli 2008 vernietigd en het besluit van 17 december 2007 herroepen in die zin dat voorschrift 2 komt te vervallen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 maart 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 augustus 2009 heeft het college wederom beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 december 2007 en dat besluit in zoverre herroepen dat voorschrift 1 is komen te vervallen.

Het college heeft bij brief van 4 augustus 2009 nadere stukken ingediend. Deze zijn aan [wederpartij] toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N. Mastilović en S.A.L. van der Sleen-Verhoeven, ambtenaren in dienst van de gemeente, en ing. H. Killaars, veiligheidsconsultant van de brandweer, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. drs. G.C.M. Schipper, advocaat te Haarlem, en mr. Y.B.M. van den Breemer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft bij besluit van 17 december 2007 aan [wederpartij] ontheffing van de gemeentelijke Bouwverordening 2007 en bouwvergunning verleend voor de bouw van een kantoorgebouw met stallingsgarage met 38 stallingsplaatsen. Aan het besluit heeft het college, voor zover thans van belang, twee voorschriften verbonden. Eén betreffende de vereiste brandwerendheid en één betreffende het aanbrengen van een installatie voor mechanische ventilatie (hierna: mv-installatie) in de stallingsgarage.

2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit het oogpunt van veiligheid technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van woningen, woonketen, woonwagens en andere gebouwen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, worden bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur voorts uit het oogpunt van veiligheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen, woonketen en woonwagens en van bestaande andere gebouwen.

Ingevolge artikel 8, eerste en tweede lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, stelt de gemeenteraad een bouwverordening vast die voorschriften bevat omtrent het gebruik van woningen en andere gebouwen, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid.

2.2.1. Ingevolge artikel 2.166, eerste lid, van het Bouwbesluit heeft een te bouwen bouwwerk zodanig ingerichte rookvrije vluchtroutes, dat in geval van brand snel en veilig kan worden gevlucht.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.166 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

In tabel 2.166 is voor de gebruiksfunctie 'overige gebruiksfunctie' onder meer artikel 2.169 genoemd.

Ingevolge artikel 2.169 van het Bouwbesluit heeft een niet-besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een voorziening voor afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte tijdens brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten.

2.3. Als voorschrift heeft het college aan het besluit van 17 december 2007 de volgende eis verbonden:

"in de stallingsgarage dient een mv-installatie te worden aangebracht. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de minimale ventilatievoud voor dagelijkse ventilatie conform het Bouwbesluit. Verder dient rekening te worden gehouden met dode hoeken. Een en ander conform NEN 2443 (middels een CFD-berekening kan eventueel gelijkwaardige veiligheid worden aangetoond)" (hierna: voorschrift 1).

2.3.1. Het college heeft aan het bij de rechtbank bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de parkeergarage niet aan de uitgangspunten van de NEN 2443 voor een natuurlijk ventilerende stallingsgarage voldoet, zodat de garage moet worden beschouwd als een dichte stallingsgarage waarbij een mv-installatie noodzakelijk is. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op adviezen van de brandweer van 12 november 2007, 14 december 2007, 10 maart 2008 en 24 april 2008.

2.3.2. De rechtbank heeft terzake van voorschrift 1 overwogen dat het college niet heeft mogen afgaan op de rapporten van de plaatselijke brandweer omdat daarin de eisen van de NEN 2443 zijn gehanteerd, waarvoor geen grondslag bestaat in het Bouwbesluit. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het voor het college op grond van de door [wederpartij] verstrekte informatie niet duidelijk was of de stallingsgarage een besloten dan wel niet-besloten ruimte is waarvoor artikel 2.169 van het Bouwbesluit 2003 (hierna: Bouwbesluit) geldt. Daardoor is niet duidelijk of, en zo ja, welke voorschriften van het Bouwbesluit van toepassing zijn en of het in het bouwplan opgenomen bouwwerk daaraan voldoet. Het college had volgens de rechtbank [wederpartij] uitdrukkelijk in de gelegenheid dienen te stellen aanvullende informatie te verstrekken op basis waarvan zou kunnen worden beoordeeld of sprake was van een besloten of niet-besloten ruimte. Door dat niet te doen heeft het college het besluit wat betreft voorschrift 1 niet zorgvuldig voorbereid, zo heeft de rechtbank overwogen.

2.3.3. Het college voert voorts aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het op de weg lag van [wederpartij] om aannemelijk te maken dat de in het bouwplan voorziene parkeergarage een niet-besloten ruimte in de zin van artikel 2.169 van het Bouwbesluit betreft en dat aan de in die bepaling neergelegde prestatie-eis wordt voldaan, in welk geval het voorschrijven van een mv-installatie niet noodzakelijk wordt geacht. Volgens het college is [wederpartij] daarin, ondanks dat het daartoe gedurende de bezwaarprocedure reeds de gelegenheid had, niet geslaagd, zodat voorschrift 1 terecht aan de bouwvergunning is verbonden.

2.3.4. Het betoog van het college faalt. In hoger beroep is niet in geschil dat het college ten onrechte op grond van de criteria, neergelegd in de NEN 2443, heeft beoordeeld of de stallingsgarage voldoet aan artikel 2.169 van het Bouwbesluit. Het college had, naar het ook zelf stelt, toen het besloot op de bouwaanvraag onvoldoende informatie om te beoordelen of de garage een al dan niet besloten ruimte is en derhalve of het verbinden van voorschrift 1 aan de bouwvergunning noodzakelijk is. Onder genoemde omstandigheden had het op weg van het college gelegen om daarnaar onderzoek te verrichten en [wederpartij] in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Het college heeft niet zonder nader onderzoek voorschrift 1 aan de vergunning mogen verbinden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het besluit van 4 juli 2008 in dit opzicht onzorgvuldig is voorbereid.

Nu het college bij besluit van 3 augustus 2009 het besluit van 17 december 2007, wat voorschrift 1 betreft, heeft herroepen in die zin dat dit voorschrift is komen te vervallen en in zoverre aan het bezwaar van [wederpartij] is tegemoetgekomen, kan dit besluit buiten verdere bespreking blijven.

2.4. Aan het besluit van 17 december 2007 is voorts de eis verbonden dat: "De minimaal vereiste brandwerendheid van de noord-, oost- en verbondenwestgevel (respectievelijk 60 en 30 minuten) op de bijlagen behorend bij de bouwvergunning is aangegeven (middels een berekening, rekeninghoudend met het nog te plaatsen geluidscherm, kan eventueel gelijkwaardige veiligheid worden aangetoond" (hierna: voorschrift 2)".

2.4.1. Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat voorschrift 2 niet aan de bouwvergunning kan worden verbonden omdat daarvoor geen grondslag bestaat, heeft miskend dat dit voorschrift zijn grondslag vindt in artikel 2.5.29, tweede lid, van de gemeentelijke Bouwverordening 2007 (hierna: Bouwverordening). Deze bepaling maakt het mogelijk ontheffing te verlenen van voorschriften ten aanzien van rooilijnen en de maximumbouwhoogte, indien een bouwplan in overeenstemming is met in voorbereiding zijnde beleid. Omdat het destijds in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Stationskwartier" het mogelijk maakt nadere eisen te stellen in het kader van de verantwoording van het groepsrisico, mocht voorschrift 2 in het besluit worden opgenomen, aldus het college. Het college wijst erop dat het kantoorgebouw dicht bij een spoorlijn is voorzien, waarover gevaarlijke goederen worden vervoerd. De situering van het kantoorgebouw ten opzichte van het spoor heeft volgens het college gevolgen voor het zogenoemde groepsrisico van het vervoer over het spoor. Om de gevolgen van een calamiteit op het spoor voor de gebruikers van het kantoorgebouw te beperken, was het naar het college stelt noodzakelijk om voorschrift 2 in het besluit op te nemen.

2.4.2. Het betoog slaagt. Uit de in het besluit van 17 december 2007 voor het voorschrift gegeven motivering, valt op te maken dat voorschrift 2 in het besluit is opgenomen wegens de daarin verleende ontheffing. Voor het perceel gold ten tijde van het besluit van 17 december 2007 en het besluit op bezwaar geen bestemmingsplan. Aan de rooilijnbepalingen van de Bouwverordening komt dan ook planologische betekenis toe. Vaststaat dat de situering van het in het bouwplan voorziene kantoorgebouw niet in overeenstemming is met de artikelen 2.5.6 en 2.5.12 van de Bouwverordening die het verbieden te bouwen met overschrijding van voor- respectievelijk achtergevelrooilijn. Door de ontheffing is het mogelijk bouwvergunning te verlenen voor het bouwwerk op kortere afstand van de spoorlijn. Voorschrift 2 is aan de ontheffing verbonden, niet wegens de bouwtechnische aard van het kantoorgebouw als zodanig, maar wegens de externe veiligheidsaspecten van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Deze aspecten konden voor het college aanleiding vormen om in het kader van de verleende ontheffing voorschrift 2 op te nemen. De door [wederpartij] gestelde omstandigheid dat de Bouwverordening na inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Stationskwartier" wat de rooilijnen betreft geen aanvullende werking zal hebben, zodat genoemd voorschrift reeds daarom niet langer gesteld kan worden, kan, wat daar overigens ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat de Bouwverordening thans niet de juridische grondslag van dit voorschrift kan vormen. Niet zonder betekenis is in dit verband dat het college, indien de gevels van het kantoorgebouw niet zouden worden uitgevoerd met de in voorschrift 2 neergelegde mate van brandwerendheid, geen ontheffing van de Bouwverordening zou hebben verleend, in welk geval de bouwvergunning, gelet op artikel 44 van de Woningwet, had moeten worden geweigerd.

De rechtbank heeft een en ander niet onderkend.

2.4.3. Thans gaat de Afdeling in op het beroep van [wederpartij] op het gelijkheidsbeginsel, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen. [wederpartij] acht het niet juist dat zowel voor de zijgevels als de achtergevel een bepaalde mate van brandwerendheid wordt geëist, terwijl in een aan haar verleende vergunning voor de bouw van een hotel uitsluitend voor de achtergevel een dergelijke eis is gesteld.

2.4.4. Het betoog faalt. Niet aannemelijk is geworden dat het hotel wat externe veiligheidsaspecten betreft op één lijn is te stellen met het kantoorgebouw. Van gelijke gevallen is dan ook niet gebleken. Voor zover het college ten onrechte heeft afgezien van een voorschrift met betrekking tot de brandwerendheid van de zijgevels van het hotel, wordt overwogen dat het gelijkheidsbeginsel niet met zich brengt dat het college daarvan ook moet afzien in besluiten met betrekking tot andere bouwplannen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarin het besluit van 4 juli 2008 met betrekking tot voorschrift 2 is vernietigd, het besluit van 17 december 2007 in zoverre is herroepen en is bepaald dat voorschrift 2 komt te vervallen.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 december 2008 in zaak nr. AWB 08/3762, voor zover daarin het besluit van 4 juli 2008 met betrekking tot voorschrift 2 is vernietigd, het besluit van 17 december 2007 in zoverre is herroepen en is bepaald dat voorschrift 2 komt te vervallen.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009

163.