Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7421

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
200908486/1/H1 en 200908486/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Strijp, sectie F, nummer 1470.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908486/1/H1 en 200908486/2/H1.

Datum uitspraak: 15 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2009 in zaak nrs. 09/2936 en 09/2937 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente Strijp, sectie F, nummer 1470.

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, eveneens bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2009, hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 december 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en bijgestaan door mr. drs. W.J.W. van Eijk, advocaat te Rosmalen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.N.H. Kepers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. J. van Zinnicq Bergmann, advocaat te 's-Hertogenbosch, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, zoals partijen ook ter zitting als wenselijk hebben aangegeven.

2.2. In geschil is welke bestemming ingevolge het in 2003 vastgestelde en goedgekeurde bestemmingsplan "I Buitenplaats Tegenbosch" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rust. Op de plankaart is op het perceel de aanduiding "BP(wII)" vermeld, waarbij BP(w) staat voor: Buitenplaats, wonen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu het bestemmingsplan geen specifieke voorschriften bevat voor de bestemming "BP(wII)", voor de maximaal toegestane hoogte van het bouwplan de bouwverordening van de gemeente Eindhoven (hierna: de bouwverordening) van toepassing is.

Ingevolge artikel 2.5.24 van de bouwverordening bedraagt de hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk niet meer dan 15 m.

Niet in geschil is dat het bouwplan lager is dan 15 m en derhalve niet in strijd met de bouwverordening.

2.3. [appellanten] betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de aanduiding op de plankaart een kennelijke verschrijving is, dat op het perceel de bestemming "BP(wIII)" rust, en dat het bouwplan in strijd is met de maximale goothoogte van 4,5 m, die ingevolge artikel 3.2.4, aanhef en onder a, aanhef en onder 4, is toegestaan voor het bouwen van bouwwerken op gronden met de bestemming "Buitenplaats, wonen III". Zij voeren hiertoe aan dat ook in het voorgaande bestemmingsplan die bestemming op het perceel rustte, dat in het bestemmingsplan de wijzigingen ten opzichte van het voorgaande plan cursief zijn vermeld en dat de aanduiding "BP(wII)" op de plankaart niet cursief is weergegeven. Voorts voeren zij aan dat in artikel 3.2.1 is opgenomen dat in het bestemmingsplan negen vrijstaande eengezinshuizen in het groen (III) voorkomen, en dat op de plankaart eenvoudig kan worden nageteld dat er geen negen percelen zijn met de bestemming "Buitenplaats, wonen III". Volgens hen is in dit geval sprake van duidelijke planvoorschriften en moet dat tot de conclusie leiden dat zich op de plankaart een kennelijke verschrijving heeft voorgedaan. Zij wijzen in dit verband op de uitspraken van 19 november 1998 in zaak nr. H01.98.0105 (Gst. 1999, 7106, 5) en van 1 november 1999 in zaak nr. H01.99.0665 (BR 2000, p. 411).

2.3.1. De voorzieningenrechter heeft terecht uit het oogpunt van rechtszekerheid tot uitgangspunt genomen dat bij een eerste raadpleging van het bestemmingsplan voor een gemiddelde burger kenbaar is wat de bestemming is en de daarbij behorende bouwmogelijkheden. Alleen indien de kaart en de voorschriften, in onderling verband gelezen, aanwijzing geven voor een kennelijke discrepantie tussen kaart en voorschriften, kan daar anders over worden geoordeeld. Dat is hier niet het geval. De voorzieningenrechter heeft eveneens terecht geoordeeld dat geen sprake is van een kenbare discrepantie tussen de plankaart en de planvoorschriften. Dat in het voorgaande bestemmingsplan op het perceel de bestemming "BP(wIII)" rustte en dat de aanduiding "(wII)" in het plan niet cursief is opgenomen, is onvoldoende daarvoor. Nu in het thans geldende bestemmingsplan de aanduiding "BP(wII)" is opgenomen, is de bestemming derhalve ten opzichte van het vorige plan gewijzigd. Tegen die wijziging in 2003 kon op de op grond van de toenmalige Wet op de Ruimtelijke Ordening voorgeschreven wijze worden opgekomen, doch nu zijn het bestemmingsplan en daarmee de onderhavige wijziging onherroepelijk geworden. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht in aanmerking genomen dat van een rechtzoekende niet kan worden verwacht dat hij het aantal aanduidingen "BP(wIII)" telt om te bezien of de juiste bestemming op de plankaart is vermeld.

De door [appellanten] genoemde uitspraken leiden niet tot een ander oordeel, omdat deze uitspraken betrekking hebben op andere gevallen. In die uitspraken leidde de Afdeling uit de planvoorschriften en/of toelichting af dat de planwetgever bedoeld had aan te sluiten bij de feitelijke situatie, terwijl de op de desbetreffende plankaarten weergegeven situaties niet de feitelijke waren. In dit geval blijkt niet uit de voorschriften dat is bedoeld bij de feitelijke situatie aan te sluiten noch kan uit de aanduiding "BP(wII)" worden afgeleid dat deze bestemming niet overeenkomt met de feitelijke situatie.

Voorts kan in het midden blijven of de planvoorschriften behorende bij de bestemming "BP(wIIa)" op het bouwplan van toepassing zijn, dan wel die behorende bij "BP(wIIb)" dan wel de bouwverordening, nu niet is gesteld dat het bouwplan in strijd is met die planvoorschriften.

Dat het perceel waar [een der appellanten] woont eveneens op de plankaart is aangeduid met de bestemming "BP(wII)", terwijl de bouwaanvraag voor zijn woning naar zijn zeggen aan de voorschriften behorende bij de bestemming "Buitenplaats, wonen III" is getoetst - wat hiervan zij - leidt evenmin tot het oordeel dat het college gehouden is de onderhavige bouwaanvraag daar eveneens aan te toetsen. Als een bouwaanvraag immers niet in strijd is met het bestemmingsplan, is een eventueel verkeerde uitleg van dat bestemmingsplan in een ander geval gelet op artikel 44 van de Woningwet niet van belang.

Het betoog faalt.

2.4. Voorts betogen [appellanten] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.4.1. Zij voeren hiertoe in de eerste plaats aan dat het bouwplan in strijd is met het door ARP, atelier voor ruimtelijke planning en vormgeving, opgestelde Beeldkwaliteitsplan landgoed Tegenbosch van 19 februari 2001 (hierna: het beeldkwaliteitsplan 2001), terwijl in het bestemmingsplan is vermeld dat het beeldkwaliteitsplan als toetsingskader moet worden gebruikt. Subsidiair betogen zij dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het Beeldkwaliteitsplan buitenplaats Tegenbosch van 21 juli 2005 (hierna: het beeldkwaliteitsplan 2005).

2.4.1.1. Ingevolge artikel 2.9, beschrijving in hoofdlijnen, van de planvoorschriften dient de buitenplaats zich als eenheid te manifesteren door bouwstijl, inrichting openbare ruimten, alsmede vormgeving en detaillering van voorzieningen. De hiervoor te hanteren uitgangspunten dienen opgenomen te worden in een door de raad vast te stellen beeldkwaliteitsplan.

2.4.1.2. Het bestemmingsplan, dat op 21 augustus 2003 in rechte onaantastbaar is geworden, dateert van na het beeldkwaliteitsplan 2001 dat op 24 september 2001 door de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad) is vastgesteld, zodat met het in artikel 2.9 van de planvoorschriften genoemde, nog door de raad vast te stellen, beeldkwaliteitsplan reeds daarom niet het beeldkwaliteitsplan 2001 kan zijn bedoeld. Voorts heeft de raad bij besluit van 6 juni 2006 het beeldkwaliteitsplan 2005 vastgesteld als gebiedsgericht toetsingskader voor de welstandscommissie en tevens het beeldkwaliteitsplan 2001 ingetrokken. Ten tijde van belang gold derhalve het beeldkwaliteitsplan 2005. Uit de op pagina 3 van het beeldkwaliteitsplan 2005 afgebeelde kaart van het plangebied kan echter worden afgeleid dat het beeldkwaliteitsplan 2005 niet op het perceel van toepassing is, omdat het daarop niet is aangeduid.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat beide beeldkwaliteitsplannen in het kader van de welstandstoets geen rol spelen.

2.4.2. In de tweede plaats voeren [appellanten] aan dat het college niet had mogen volstaan met een verwijzing naar het positieve advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit Eindhoven van 1 december 2008, omdat dit advies slechts een stempeladvies is dat door hen gemotiveerd is bestreden door overlegging van het deskundig advies van 7 mei 2009, opgesteld door dr. ir. C.J.M. van de Ven, de bouwsupervisor van de gemeente Eindhoven en tevens (mede-)opsteller van het beeldkwaliteitsplan 2005.

2.4.2.1. Dit betoog slaagt niet. Weliswaar mag, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2004 in zaak nr. 200303669/1), een bestuursorgaan niet volstaan met de enkele verwijzing naar een stempeladvies, indien dit advies in bezwaar gemotiveerd is bestreden, maar van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. [appellanten] hebben in bezwaar ter motivering van hun betoog dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, aangevoerd dat het zowel in strijd is met het beeldkwaliteitsplan 2001 als het beeldkwaliteitsplan 2005. In het besluit van 20 juli 2009 heeft het college zich - zoals uit 2.4.1.2 kan worden afgeleid, terecht - op het standpunt gesteld dat beide beeldkwaliteitsplannen in dit geval niet van toepassing zijn. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht in het advies van 7 mei 2009 geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zijn standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand niet mocht baseren op het welstandsadvies van 1 december 2008. In het advies van 7 mei 2009 wordt immers slechts op basis van toetsing van de hoofdmassa, dakvorm, materialen en kleuren van het bouwplan aan het niet van toepassing zijnde beeldkwaliteitsplan 2005 geconcludeerd dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.4.3. Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat niet kan worden gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009

488.