Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK7416

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
200905028/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2009, kenmerk PZH-2009-313572, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Binnenmaas (hierna: de raad) bij besluit van 23 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Regionaal Bedrijventerrein Hoeksche Waard".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905028/2/R1.

Datum uitspraak: 15 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de stichting Stichting Noordrand Open, gevestigd te Heinenoord, gemeente Binnenmaas,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2009, kenmerk PZH-2009-313572, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Binnenmaas (hierna: de raad) bij besluit van 23 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Regionaal Bedrijventerrein Hoeksche Waard".

Tegen dit besluit heeft onder meer de stichting Stichting Noordrand Open (hierna: de stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2009, heeft de stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 november 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door [bestuursleden] van de stichting, en het college, vertegenwoordigd door ing. E. Schepers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. van Geilswijk en mr. J.R. Vermeulen, beiden advocaat te Rotterdam, en de heer H.L.M. van Lente, namens het Ontwikkelingsbedrijf Bedrijvenpark Hoeksche Waard, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in herstructurering en uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Boonsweg in de gemeente Binnenmaas.

2.3. De stichting voert aan dat geen urgente vraag naar de ontwikkeling van bedrijventerreinen bestaat, dat in de omgeving verschillende alternatieve locaties beschikbaar zijn en dat het terrein nog volop in cultuur is en kan blijven ten behoeve van akkerbouw. De stichting voert voorts aan dat uitbreiding van het bedrijventerrein zal leiden tot een onomkeerbare vernietiging van de landschappelijke waarden van de Hoeksche Waard, die in de Nota Ruimte als nationaal landschap is aangemerkt. Bovendien is de voorwaardelijke ontsluiting van het terrein niet afdoende geregeld en moet de juridische status van het uitgifteprotocol worden betwijfeld, aldus de stichting.

2.4. Blijkens het bestreden besluit wordt het bedrijventerrein ontwikkeld ten behoeve van bedrijven in de regio die door hun aard en schaal niet op een lokaal bedrijventerrein of nabij woonbebouwing passen. Uit onderzoek blijkt dat al geruime tijd behoefte bestaat aan een regionaal bedrijventerrein en dat de vraag naar uit te geven bedrijventerrein in de Hoeksche Waard al jaren groter is dan het bestaande aanbod. Ter zitting is van de zijde van het college uiteengezet dat zich reeds dertig bedrijven zich als belanghebbende hebben aangemeld. Het plan zal bovendien in fasen worden uitgewerkt, waarbij na de eerste 20 hectare het bedrijventerrein pas verder zal worden ontwikkeld als uit geactualiseerd marktonderzoek blijkt dat behoefte bestaat aan de vervolgfase.

Gezien het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen de stichting heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de behoefte aan het industrieterrein voldoende is onderbouwd.

2.5. Ten aanzien van de aantasting van het landschap overweegt de voorzitter dat het plangebied ligt binnen het nationale landschap "Hoeksche Waard". Uit de Nota Ruimte volgt dat dit met zich brengt dat ruimtelijke ontwikkelingen hier mogelijk zijn, mits met de landschappelijke waarden rekening wordt gehouden. In de plantoelichting is in dit verband onder meer opgemerkt dat het bedrijventerrein op zodanige afstand van de historische linten aan de Blaaksedijk-West en-Oost en de Mollekade is gepositioneerd, dat deze in landschappelijk opzicht worden gespaard, en dat voor de landschappelijke inpassing het principe 'maskeren' wordt toegepast, waarbij de bedrijven visueel worden afgeschermd door groene buffers. Voorts is er voor gekozen om het nieuwe uitgeefbare terrein te laten aansluiten op het bestaande terrein aan de Boonsweg, waardoor de ingreep in het landschap beperkt blijft. Mede gelet hierop is de voorzitter voorshands van oordeel dat, hoewel de uitbreiding van het bedrijventerrein enige aantasting van het open landschap met zich zal brengen, met de landschappelijke waarden voldoende rekening is gehouden en dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat strijd met de Nota Ruimte zich in zoverre niet voordoet.

2.6. Het betoog van de stichting dat aan het plan onvoldoende onderzoek naar alternatieve locaties ten grondslag is gelegd, kan niet slagen. Voor zover de stichting heeft betoogd dat het locatieonderzoek van de milieueffectrapportage (hierna: MER) van 2006 uitsluitend was gericht op een bovenregionaal bedrijventerrein van 180 hectare, zodat daarbij locaties voor een bedrijventerrein van 60 hectare mogelijk buiten beeld zijn gebleven, merkt de voorzitter op dat die MER op dit punt niet ten grondslag is gelegd aan het plan. Blijkens de stukken zijn in een door de raad uitgevoerde vrijwillige SMB/MER 1e fase Regionaal Bedrijventerrein Hoeksche Waard, die betrekking had op een regionaal bedrijventerrein van 60 hectare, verschillende alternatieven beoordeeld. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn voorts de door de stichting genoemde alternatieve locaties om verschillende redenen niet geschikt bevonden.

2.7. De voorzitter overweegt voorts dat blijkens verkeersonderzoek de eerste fase van de ontwikkeling van het bedrijventerrein via bestaande wegen kan worden ontsloten. Niet aannemelijk is gemaakt dat hiermee niet in een toereikende oplossing voor de verkeersafwikkeling van de eerste fase is voorzien. Over ontsluiting ten behoeve van de overige fasen van de ontwikkeling van het terrein behoeft in het kader van de voorliggende procedure geen uitspraak te worden gedaan, omdat spoedeisend belang ter zake ontbreekt.

2.8. Het uitgifteprotocol betreft een protocol van het Ontwikkelingsbedrijf Hoeksche Waard, een samenwerking tussen vijf Hoeksche Waardsche gemeenten, dat op 9 juli 2009 door de raad is geaccordeerd. De voorzitter ziet vooralsnog geen grond voor het oordeel dat met het protocol, in combinatie met de beperking in het plan van de kavelgrootte tot afmetingen die voor lokale bedrijven gebruikelijk zijn, niet kan worden gestuurd op de vestiging van bedrijven die afkomstig zijn uit de Hoeksche Waard of een binding hebben met de Hoeksche Waard.

2.9. In hetgeen de stichting voor het overige heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

2.10. Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009

240.