Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200902234/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [wederpartij], een boete opgelegd van € 4.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/32 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers
JIN 2010/240
JIN 2010/260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902234/1/V6.

Datum uitspraak: 16 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2009 in zaak nr. 07/2364 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [wederpartij], een boete opgelegd van € 4.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 24 mei 2007 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 februari 2009, verzonden op 17 februari 2009, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, in zoverre dat de boete wordt vastgesteld op € 3.600,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, verzonden op 23 april 2009. Deze brieven zijn aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.S. van Muiswinkel, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1.1. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte ambtshalve heeft overwogen dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), is geschonden en zij daarin aanleiding heeft gezien de boete te matigen met tien procent. Het redelijke termijn vereiste kan volgens de minister niet als een voorschrift van openbare orde worden aangemerkt, zodat de rechtbank dit niet ambtshalve had mogen beoordelen. Voor het op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aanvullen van rechtsgronden bestaat gelet op het beroepschrift geen aanleiding.

2.1.2. Aangezien [wederpartij] aan de boetekennisgeving van 23 januari 2007 in dit geval in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat aan haar een boete zou worden opgelegd, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM op dat moment aangevangen. Ten tijde van de zitting bij de rechtbank op 27 januari 2009 bedroeg de behandelduur van de procedure reeds meer dan twee jaar. [wederpartij] heeft hierover geen beroepsgrond ingebracht bij de rechtbank, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid was. Derhalve is de rechtbank door ambtshalve te beoordelen of sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn, buiten de grenzen van het geschil getreden.

Het betoog slaagt reeds hierom. Hetgeen de minister overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 mei 2007 alsnog ongegrond verklaren. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de rechtbank over dit beroep uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2009 in zaak nr. 07/2364;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009

164-532.