Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200809199/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Apeldoorn (hierna: de raad) bij besluit van 29 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Osseveld-Woudhuis".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809199/1/R1.

Datum uitspraak: 16 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Apeldoorn,

2. de vereniging Wijkraad Osseveld-Woudhuis, gevestigd te Apeldoorn,

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te Apeldoorn,

4. [appellanten sub 4], beiden wonend te Apeldoorn,

5. [appellant sub 5], wonend te Apeldoorn,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Apeldoorn (hierna: de raad) bij besluit van 29 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Osseveld-Woudhuis".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2008, de vereniging Wijkraad Osseveld-Woudhuis (hierna: de Wijkraad) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2009, [appellanten sub 3 (hierna in het enkelvoud: [appellant sub 3]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2009, [appelanten sub 4] (hierna in het enkelvoud: [appellant sub 4]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2009, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 17 februari 2009. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 17 februari 2009. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 februari 2009.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2009, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. G.F.M.G. Heutink, advocaat te Apeldoorn, [appellant sub 3], in de persoon van [gemachtigde], [appellant sub 5], in persoon en bijgestaan door mr. V. Dolderman, advocaat te Nijkerk, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie Gelderland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. A.A.J. Boogmans, ambtenaar in dienst van de gemeente Apeldoorn, bijgestaan door ir. A. de Graaf, werkzaam bij KuiperCompagnons, als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

Intrekking

2.1. [appellant sub 1] heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat in het goedkeuringsbesluit ten onrechte is bepaald dat de besluiten inzake wijziging en uitwerking van het bestemmingsplan, behoudens de in artikel 11, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) genoemde uitzondering, geen goedkeuring behoeven, ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2.2. De raad stelt dat [appellant sub 1] op een zodanig grote afstand van het door hem bestreden hoogspanningstracé woont dat hij op dat onderdeel van zijn beroep niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.3. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.4. [appellant sub 1] is woonachtig aan de Lupineweg. Zijn woning bevindt zich op een afstand van ongeveer 120 meter tot het hart van het op de plankaart aangegeven hoogspanningstracé met de dubbelbestemming "Hoogspanningsleiding". De kortste afstand tussen het als "Woondoeleinden" bestemde perceel van [appellant sub 1] en de op de plankaart ingetekende rand van het hoogspanningstracé is ongeveer 80 meter. Gelet op deze afstanden, daarbij mede in acht genomen de omvang van de hoogspanningsconstructie en nog daargelaten de ligging van de contour van 0,4 microtesla voor magnetische veldsterkte (hierna: 0,4 μT-contour), heeft [appellant sub 1] een rechtstreeks betrokken belang bij dit onderdeel van het bestreden besluit. Hij dient dan ook in zoverre te worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] is op dit punt ontvankelijk.

Toetsingskader

2.5. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Planbeschrijving

2.6. Het bestemmingsplan is een beheerplan voor de nieuwe wijk Osseveld-Woudhuis. Het bevat bestemmingen voor locaties van reeds voltooide en nog lopende vrijstellingsprocedures alsmede een aantal uit te werken en te wijzigen bestemmingen.

Algemene bezwaren

2.7. De Wijkraad voert aan dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan zodanig veel en omvangrijke wijzigingen zijn aangebracht dat belanghebbenden hierover expliciet geïnformeerd hadden moeten worden. De wijzigingen zijn in de kennisgeving van de tervisielegging van het vastgestelde bestemmingsplan ook onvoldoende genoemd. Ten onrechte is daarbij verwezen naar de zienswijzenota. Ook [appellant sub 3] en [appellant sub 4] stellen zich op het standpunt dat het verstrekken van informatie over enkele van de vastgestelde wijzigingen ten onrechte achterwege is gebleven.

2.8. De raad kan bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Er bestaat geen rechtsregel op grond waarvan de raad, indien hij het bestemmingsplan gewijzigd vaststelt, gehouden is mogelijke belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de wijzigingen. Ook anderszins ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad in dit geval uit een oogpunt van zorgvuldigheid daartoe gehouden was.

In de publicaties van de tervisielegging van het vastgestelde bestemmingsplan is aangegeven dat alle wijzigingen zijn opgenomen in de bij het bestemmingsplan gevoegde zienswijzenota. In de publicaties zijn voorts de voornaamste wijzigingen uitgeschreven. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad hiermee onvoldoende, onvolledig of op onzorgvuldige wijze kennis heeft gegeven van het besluit tot gewijzigde vaststelling van bestemmingsplan.

De betogen van de Wijkraad, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] falen.

2.9. [appellant sub 5] acht het bestreden besluit strijdig met artikel 3:46 van de Awb omdat het college een aantal door hem ingebrachte nieuwe argumenten inzake de nieuwbouw op de hoek Laan van Osseveld/Veenhuizerweg niet heeft behandeld, terwijl deze zien op in de zienswijze reeds bestreden planonderdelen. Verder heeft het college de bedenkingen inzake de derde bouwlaag verkeerd begrepen. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] voeren aan dat hun bedenkingen deels onjuist zijn verwoord en deels onvoldoende zijn behandeld.

2.10. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat het college de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd.

Wat betreft [appellant sub 3] en [appellant sub 4] is niet gebleken dat het college een verkeerde uitleg aan hun bedenkingen heeft gegeven. Daarbij komt dat het college zich in het kader van de afdoening van hun met de zienswijze overeenkomende bedenkingen bij de afwegingen van de raad heeft aangesloten. De betogen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] falen.

Wat betreft [appellant sub 5] overweegt de Afdeling dat hetgeen hij in zijn bedenkingen heeft aangevoerd moet worden begrepen als een verdere onderbouwing van hetgeen als zienswijze naar voren is gebracht. Het college heeft ten onrechte overwogen dat de bedenkingen in zoverre geen grondslag hebben in een zienswijze en dat deze buiten behandeling moeten worden gelaten. Mede gelet op de ter zitting door partijen gegeven nadere uitleg houdt de Afdeling het er evenwel voor dat het college de in de bedenkingen als nieuw opgevoerde argumenten wel in zijn overwegingen heeft betrokken. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding aan het buiten behandeling laten van de nieuwe argumenten gevolgen te verbinden.

Wat betreft de derde bouwlaag heeft het college in zijn besluit ten onrechte verwoord dat [appellant sub 5] deze mogelijkheid voor zijn eigen woning wenst. Ook hierin ziet de Afdeling evenwel geen aanleiding voor een vernietiging aangezien het college zich bij de beoordeling van deze bedenkingen bij de stedenbouwkundige afwegingen van de raad heeft aangesloten en de raad de zienswijze van [appellant sub 5] wel juist heeft verwoord.

Hoogspanningstracé en aardgasleidingennet

2.11. [appellant sub 1] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de dubbelbestemming "Leidingen" en de aanduiding "gastransportleiding" en het plandeel met de dubbelbestemming "Hoogspanningsleiding" beide ter hoogte van zijn woning. Hij voert aan dat deze bestemmingen conflicteren met zijn woonbestemming. In dat verband gaat hij in op de ligging van de 0,4 μT-contour alsmede op de risico's van de hogedrukgasleiding in de nabijheid van zijn woning. Daarbij is volgens hem van belang dat het aardgasleidingennet, onder meer gelet op een haakse bocht, niet overeenkomstig de geldende normen is aangelegd.

2.12. Het college stelt zich op het standpunt dat alle ruimtelijk relevante hogedrukgasleidingen en hoogspanningsmasten op juiste wijze zijn opgenomen in het bestemmingsplan en dat deze niet conflicteren met de omliggende bestemmingen.

2.13. Op de plankaart is ten zuiden van de woning van [appellant sub 1] met rode lijnen een leidingentracé met de aanduiding "gastransportleiding" ingetekend. Het betreft een bestaand tracé. Niet is aannemelijk gemaakt dat voor dit tracé nog vergunningen dienen te worden verleend. Voor zover [appellant sub 1] stelt dat omtrent de ligging van dit tracé sprake is van een civielrechtelijk geschil overweegt de Afdeling dat dit niet in de bestemmingsplanprocedure kan worden beslecht. Mocht dit geschil ertoe leiden dat de leiding dient te worden verlegd, dan zal daarvoor mogelijk een herziening van het bestemmingsplan nodig zijn. Uit onderzoek volgt voorts dat het op de plankaart ten zuiden van de woning van [appellant sub 1] ingetekende en aldus planologisch mogelijk gemaakte tracé met een haakse bocht niet strijdig behoeft te worden geacht met de geldende veiligheidsvoorschriften. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet van de resultaten van dat onderzoek kan worden uitgegaan. Voor zover hij aanvoert dat de wijze van uitvoering van de aardgasleiding strijdig is met de veiligheidsvoorschriften, overweegt de Afdeling dat dit een aspect is dat niet in de bestemmingsplanprocedure aan de orde kan komen.

2.13.1. Voor zover het betreft het op de plankaart in de nabijheid van de woning van [appellant sub 1] met de dubbelbestemming "Hoogspanningsleiding" aangegeven hoogspanningstracé overweegt de Afdeling dat dit een bestaand tracé is. Ter zitting is door de raad onweersproken gesteld dat hiervoor bouwvergunning is verleend. Ook de woning van [appellant sub 1] betreft een bestaande situatie. Deze woning ligt op een afstand van ongeveer 120 meter van het hart van het hoogspanningstracé. Nu het hier geen nieuwe situatie betreft faalt het beroep van [appellant sub 1] op het advies van rijkswege geen gevoelige bestemmingen te projecteren binnen de 0,4 μT-contour. Dat advies is immers gebaseerd op beleid voor nieuwe situaties. Hierbij komt bovendien dat uit het in de plantoelichting weergegeven onderzoeksrapport van KEMA Quality B.V. van 12 januari 2007 volgt dat de 0,4 μT-contour in een maximale situatie op een afstand van 71 meter aan weerszijden van het hart van het hoogspanningstracé en daarmee op ruime afstand van de woning van [appellant sub 1] ligt. In hetgeen [appellant sub 1] voor het overige op dit punt heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college het hoogspanningstracé ter hoogte van de woning van [appellant sub 1] niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.

2.13.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Uitwerkingslocatie hoek Laan van Osseveld/Veenhuizerweg

2.14. De Wijkraad stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel op de hoek Laan van Osseveld/Veenhuizerweg met de bestemming "Woondoeleinden (uit te werken)". Ten onrechte is hier voorzien in een woontoren met een bouwhoogte van 40 meter. Een dergelijke woontoren past niet in de omgeving die toch al druk bevolkt is. Omwonenden zullen hiervan overlast ondervinden. Deze hebben hun woningen gekocht in de veronderstelling dat de bouwhoogte in de omgeving maximaal twaalf meter zou blijven.

2.14.1. [appellant sub 5], woonachtig aan de Vosweide, stelt eveneens in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het uit te werken plandeel. In strijd met het gemeentelijke woningbouwbeleid is voorzien in twee woontorens. Er bestaat volgens hem geen behoefte aan de voorziene appartementen. De torens passen niet in een wijk met voornamelijk laagbouw. Ten slotte vreest [appellant sub 5] voor verkeersproblemen.

2.14.2. [appellant sub 3] en [appellant sub 4], woonachtig aan de Vosweide, stellen ook in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het uit te werken plandeel, waarbij zij ook het plandeel met de bestemming "Verblijfsgebied" voor de Vosweide betrekken. Ten onrechte is volgens hen ter plaatse een woontoren met een hoogte van 30 meter voorzien. In de wijk zijn al meer dan voldoende woningen gebouwd zodat er geen behoefte is aan hoogbouw. Extra woningen zullen volgens hen leiden tot meer verkeersproblemen. Ten onrechte zal 15 centimeter van de groenstroken langs hun woningen aan de westzijde van de Vosweide gebruikt worden voor de verbreding van deze weg. Dit zal leiden tot meer parkeerproblemen. Niet duidelijk is hoe onevenredige hinder zal worden voorkomen. Verder is volgens [appellant sub 3] en [appellant sub 4] niet gebleken van gewijzigde planologische inzichten die een andere invulling van de desbetreffende gronden rechtvaardigen dan op grond van het voorheen geldende globale bestemmingsplan mocht worden verwacht.

2.15. Het college stelt zich op het standpunt dat bouwmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied tot de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur behoren. Het sluit zich aan bij en kan zich vinden in de afwegingen van de raad voor de desbetreffende bouwmogelijkheid.

2.16. De raad stelt zich op het standpunt dat het voorheen geldende planologische kader deels achterhaald is. Door thans te kiezen voor hoogbouw ontstaat een evenwichtige markering van de toegang tot de wijk Osseveld-Oost. Ook wordt hiermee een stedenbouwkundig element toegevoegd aan de Ring van Apeldoorn. De afstemming met de bestaande laagbouwwoningen heeft plaatsgevonden door het woongebouw te projecteren in de zuidwestelijke hoek van het plandeel. De raad stelt zich op het standpunt dat de hoogbouw past binnen het in voorbereiding zijnde gemeentelijke hoogbouwbeleid, en acht het aannemelijk dat de in het kader van de uitwerking op te maken Hoogbouw Effect Rapportage een positief resultaat zal opleveren. Uit schaduwtekeningen volgt dat de gevolgen voor de woonomgeving beperkt zijn. Uit onderzoek blijkt verder dat geen onevenredige windhinder zal ontstaan. Mede gelet op de afstand tot de bestaande woonbebouwing zal geen onaanvaardbare inbreuk op de privacy ontstaan dan wel een onevenredig verlies aan uitzicht. De raad is van mening dat het aantal extra verkeersbewegingen op de Vosweide past bij een weg met een woonfunctie. De raad acht het daarbij nodig het wegdek van de Vosweide met 15 centimeter te verbreden tot een wegprofiel van 4,5 meter. De ruimte daarvoor wordt gevonden in de groenvoorzieningen langs de westzijde van de Vosweide. De verkeersproblematiek ter plaatse wordt volgens de raad veroorzaakt door andere knelpunten in welk kader wordt voorzien in capaciteitsuitbreiding. Wat betreft de akoestische gevolgen stelt de raad zich op het standpunt dat aan de Wet geluidhinder wordt voldaan en dat de geluidssituatie in het plangebied ook overigens aanvaardbaar is.

2.17. Aan het plandeel op de hoek Laan van Osseveld/Veenhuizerweg is de bestemming "Woondoeleinden (uit te werken)" toegekend. Op de plankaart is ter plaatse van het plandeel met aanduidingen voorzien in een bebouwingsgrens en een maximale bouwhoogte van 30 meter.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor "Woondoeleinden (uit te werken)" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

b. tuin en/of erf;

c. verblijfsgebied;

d. groenvoorzieningen;

e. nutsvoorzieningen;

een en ander met de daarbij behorende bouwwerken.

Ingevolge het tweede lid werkt het college van burgemeester en wethouders de in het eerste lid omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regels:

1. het aantal woningen bedraagt maximaal 32;

2. het betreft uitsluitend gestapelde woningen;

3. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bebouwingsvlak worden gebouwd;

4. de hoogte bedraagt niet meer dan op de plankaart is aangegeven;

5. er ontstaat geen onevenredige hinder voor de omgeving;

6. op geen van de gevels van de woningen wordt, bij voltooiing, de ter plaatse toegestane wettelijke voorkeurswaarde of verleende hogere grenswaarde krachtens de Wet geluidhinder voor de geluidsbelasting vanwege een weg overschreden;

7. aangetoond is dat geen onevenredige nadelige invloed ontstaat op de normale afwikkeling van het verkeer en in de parkeerbehoefte wordt voorzien;

8. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal drie meter, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen grenzend aan de Veenhuizerweg en Laan van Osseveld maximaal vier meter bedraagt.

2.17.1. Aan het plandeel voor de Vosweide is de bestemming "Verblijfsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 2.16, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor "Verblijfsgebied" aangewezen gronden onder meer bestemd voor verblijfsgebied, waartoe in ieder geval (ontsluitings)wegen, fiets- en voetpaden, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen worden gerekend.

2.17.2. In de plantoelichting is vermeld dat voor de locatie Laan van Osseveld/Veenhuizerweg een bouwplan in ontwikkeling is. Omdat er nog geen volledig uitgewerkt plan beschikbaar is, is aan de locatie de bestemming "Woondoeleinden (uit te werken)" toegekend. De uitwerkingsregels geven onder andere het kader weer ten aanzien van de bebouwing en het parkeren. Verder zijn er regels opgenomen gericht op het voorkomen van onevenredige hinder op de omgeving, onder andere schaduwwerking en windhinder.

2.17.3. In het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan uit 1994 was aan het plandeel een bestemming ten behoeve van centrumdoeleinden toegekend met mogelijkheden voor onder meer horeca en kantoren. De regeling maakte het mogelijk het plandeel te bebouwen tot een hoogte van twaalf meter.

2.18. De Afdeling stelt voorop dat, na uitwerking, de maximale hoogte ter plaatse, anders dan door de Wijkraad is gesteld, 30 meter bedraagt. Voorts kan, anders dan [appellant sub 5] veronderstelt, uit de omvang van het bebouwingsvlak in relatie tot de bouwhoogte worden afgeleid dat ter plaatse maximaal één appartementengebouw mogelijk gemaakt kan worden, hetgeen ook aldus is beoogd.

2.18.1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich in navolging van de raad niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een hoogbouwmogelijkheid op de thans aan de orde zijnde locatie in stedenbouwkundige zin aanvaardbaar is te achten. De omstandigheid dat in het voorheen geldende bestemmingsplan overwegend laagbouw werd toegelaten, staat er niet aan in de weg dat de raad, in dit geval ongeveer veertien jaar na vaststelling van het vorige bestemmingsplan, tot gewijzigde inzichten komt over de invulling van het gebied. Aan de omstandigheid dat van gemeentewege en door de kopers van woningen indertijd is uitgegaan van overwegend laagbouw kan niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat te allen tijde van hogere bebouwing zal worden afgezien. Dat hoogbouw op deze plaats uit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar is, is niet aannemelijk gemaakt. Dat inmiddels elders in de omgeving is afgezien van hoogbouw is onvoldoende daar anders over te oordelen. Overigens is ter zitting door de raad desgevraagd bevestigd dat het hoogbouwbeleid inmiddels is vastgesteld en dat de voorziene hoogbouw binnen dat beleid past.

2.18.2. Daargelaten de vraag of uit het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid volgt dat de nadruk bij nieuwbouw in Osseveld-Oost op stadswoningen en niet op appartementen ligt, moet hoogbouw volgens dit beleid op de thans voorziene plaats niet uitgesloten worden geacht. Daarbij is verder van belang dat het om een relatief beperkt aantal woningen gaat en dat niet aannemelijk is gemaakt dat aan deze woningen geen behoefte bestaat.

2.18.3. Wat betreft de gevolgen van de voorziene hoogbouw voor de woonomgeving is van belang dat het bouwvlak op een afstand van ten minste ongeveer 25 meter van de meest nabijgelegen woning is geprojecteerd. De afstand tot de woningen van [appellant sub 5], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] loopt uiteen van ongeveer 50 tot ongeveer 85 meter. Het college heeft deze afstanden aanvaardbaar kunnen achten. Gevolgen voor de privacy en het uitzicht vanwege de hoogbouw zijn niet uitgesloten, maar het college heeft deze gevolgen, mede gelet op de situering van het bouwvlak ten opzichte van voornamelijk de zijgevels van de meest nabijgelegen woningen, in redelijkheid beperkt kunnen achten. Uit de schaduwtekeningen heeft het college verder kunnen opmaken dat de gevolgen voor de meest nabijgelegen woningen beperkt zullen zijn. Wat betreft windhinder is door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. in 2006 indicatief onderzoek gedaan. Uit het onderzoek kan niet worden afgeleid dat nabij de hoogbouw of de omliggende woningen een uit een oogpunt van windhinder slechte situatie zal ontstaan. Niet is aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in navolging van de raad op de resultaten van dit onderzoek heeft kunnen baseren.

2.18.4. Wat betreft de gevolgen voor de verkeersafwikkeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat door de toevoeging van 32 extra woningen met ongeveer 160 verkeersbewegingen per dag in verhouding tot het huidige aantal verkeersbewegingen op de Vosweide, mede gelet op het wegprofiel van deze weg, sprake zal zijn van een onaanvaardbare verkeerssituatie. Dat het in de ochtend- en avondspits door filevorming op de Veenhuizerweg moeilijk is deze weg op te rijden, is geen omstandigheid die aan het plandeel valt toe te schrijven. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat op deze plaats door de extra verkeersbewegingen in verhouding tot de huidige situatie een onaanvaardbare wachtduur zal ontstaan.

Wat betreft de groenstroken met de bestemming "Groenvoorzieningen" aan de westzijde van de Vosweide overweegt de Afdeling dat de breedte daarvan in het plan is vastgelegd op ongeveer vier meter. De op de groenstroken in mindering gebrachte 15 centimeter, waarvoor is voorzien in de bestemming "Verblijfsgebied", is relatief beperkt. De Afdeling ziet niet in dat het college hiermee uit een oogpunt van een goede verkeersafwikkeling niet heeft kunnen instemmen. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het beoogde wegprofiel van 4,5 meter in de situatie van hun woonomgeving bovenmatig is. Daarbij acht de Afdeling de vrees van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] dat zich met de verbreding van 15 centimeter een parkeerprobleem aan twee zijden van de Vosweide zal manifesteren, niet aannemelijk. Niet valt in te zien dat een verschil van 15 centimeter in dat verband van onderscheidende betekenis is.

2.18.5. Gelet op het vorenstaande heeft het college in redelijkheid het belang dat is betrokken bij de mogelijkheid op de hoek Laan van Osseveld/Veenhuizerweg hoogbouw mogelijk te maken, zwaarder kunnen achten dan het belang van de omwonenden daarvan te worden gevrijwaard. Voor zover is aangevoerd dat onduidelijk is hoe onevenredige hinder, zoals aangegeven in de uitwerkingsregels, zal worden voorkomen overweegt de Afdeling dat een nadere invulling van het plandeel aan de orde zal komen bij de vaststelling van het uitwerkingsplan.

2.18.6. De conclusie is dat hetgeen de Wijkraad, [appellant sub 5], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel voor de uit te werken woonbestemming op de hoek Laan van Osseveld/Veenhuizerweg en het plandeel voor de Vosweide niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van de Wijkraad, [appellant sub 5], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn in zoverre ongegrond.

Rotonde Laan van Osseveld/Veenhuizerweg

2.19. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] stellen voorts in beroep dat het bestemmingsplan ten onrechte niet voorziet in maatregelen om geluidsoverlast vanwege de rotonde Laan van Osseveld/Veenhuizerweg aan de achterzijde van hun woningen aan de Vosweide te beperken. Door het indertijd inkorten van de geluidswal achter hun woningen is volgens hen een geluidlek ontstaan.

2.20. De rand van de rotonde Laan van Osseveld/Veenhuizerweg bevindt zich op een afstand van ongeveer 90 meter van de woning van [appellant sub 3] en op een afstand van ongeveer 120 meter van de woning van [appellant sub 4]. De rotonde is, naar uit de zienswijzenota volgt, overeenkomstig de feitelijke situatie bestemd. Met het bestemmingsplan is niet voorzien in een reconstructie van de rotonde. In het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan heeft akoestisch onderzoek plaatsgevonden. In hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met de Wet geluidhinder is vastgesteld.

Het inkorten van de geluidswal achter de percelen aan de Vosweide heeft enige tijd geleden plaatsgevonden en houdt geen verband met de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. De direct aan de achterzijde van de percelen aan de Vosweide grenzende gronden zijn overeenkomstig de feitelijke situatie als "Groenvoorzieningen" bestemd. Artikel 2.17, eerste lid, van de planvoorschriften maakt op deze gronden de bouw van geluidwerende voorzieningen mogelijk. In het tweede lid is bepaald dat geluidsschermen zijn toegelaten tot een hoogte van 3,5 meter. Het bestemmingsplan staat derhalve aan het treffen van geluidwerende voorzieningen niet in de weg. Of maatregelen getroffen worden is een kwestie die niet in deze bestemmingsplanprocedure aan de orde komt.

2.20.1. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn op dit punt ongegrond.

Plangrens

2.21. De Wijkraad stelt in beroep dat de plangrens in zijn geheel bij de Zutphensestraat had moeten worden gelegd. De locatie waar voorheen ten noorden van de Zutphensestraat de aanleg van een transferium was beoogd, behoort tot de wijk Woudhuis en had in het nu voorliggende plan moeten worden opgenomen.

2.22. Het college heeft, gelet op de keuzevrijheid van de raad, ermee ingestemd dat deze locatie buiten het plangebied wordt gelaten, hoewel dit volgens hem wellicht niet logisch en natuurlijk voorkomt.

2.23. De raad stelt dat de desbetreffende locatie deel uitmaakte van het bestemmingsplan "De Voorwaarts". Dat plan wordt opnieuw in procedure gebracht. In dat kader worden verschillende grootschalige ontwikkelingen geregeld die in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Verplaatsing van het beoogde transferium naar een locatie ten zuiden van de Zutphensestraat was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet verzekerd.

2.24. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. In hetgeen de Wijkraad heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat, hoewel de locatie deel uitmaakt van de wijk Woudhuis, niet is gebleken van een zodanige samenhang met het thans voorliggende bestemmingsplan dat de planologische mogelijkheden voor deze locatie niet in een ander bestemmingsplan kunnen worden geregeld.

2.24.1. De conclusie is dat hetgeen de Wijkraad heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planbegrenzing ter plaatse van de Zutphensestraat niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Wijkraad is op dit punt ongegrond.

Kadastrale ondergrond

2.25. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] stellen verder in beroep dat de kadastrale ondergrond van de plankaart onjuist is aangezien verschillende gebouwen in deelgebied Het Kruidenveld niet zijn ingetekend.

2.26. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) wordt op plankaarten onder meer de bestaande bebouwing aangegeven.

2.27. Voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd moet worden geacht met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro 1985 bestaat geen grond. Op de plankaart is een duidelijke ondergrond met onder meer bebouwing aangegeven zodat overeenkomstig de bedoeling van genoemde bepaling de gebruiker van de plankaart kan herleiden op welke gronden de bestemmingsvlakken zijn geprojecteerd. Omtrent de ligging van de bestemmingsvlakken bestaat derhalve voldoende duidelijkheid zodat voor een rechtsonzekere situatie niet behoeft te worden gevreesd.

2.27.1. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan in zoverre niet is vastgesteld in strijd met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro 1985. De beroepen zijn op dit punt ongegrond.

Derde bouwlaag

2.28. [appellant sub 5] stelt voorts in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de mogelijkheid op twee woningen tegenover zijn woning aan de Vosweide een derde bouwlaag te realiseren.

2.29. Mede gelet op de zich regelmatig voordoende wens een derde woonlaag te realiseren op plat afgedekte woningen heeft KuiperCompagnons, de stedenbouwkundig ontwerper van Osseveld-Oost, in het kader van de nota van uitgangspunten geanalyseerd waar een derde bouwlaag stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Voor de twee hoekwoningen tegenover de woning van [appellant sub 5] en ook andere vergelijkbare hoekwoningen aan de Vosweide is een derde bouwlaag esthetisch verantwoord geacht. Hiertoe is voor die woningen in een van de andere delen van de desbetreffende bouwblokken afwijkende maximale bouwhoogte voorzien van negen meter. Het college heeft zich bij de stedenbouwkundige afweging aangesloten.

2.30. De afstand van de voorgevel van de woning van [appellant sub 5] tot de beide woningen aan de overzijde van de Vosweide waar met het bestemmingsplan de bouw van een derde bouwlaag mogelijk is gemaakt, bedraagt ongeveer 22 meter. Gelet op deze afstand ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor een ernstige inbreuk op de privacy of een ernstige aantasting van het uitzicht van [appellant sub 5] niet behoeft te worden gevreesd. Daarbij overweegt de Afdeling dat het hier een stedelijke omgeving betreft, dat de onderlinge afstand tussen de woningen noch de bouwhoogte ongebruikelijk is en dat [appellant sub 5] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan dit onderdeel van het bestemmingsplan ten grondslag liggende stedenbouwkundige afweging voor onjuist of anderszins ondeugdelijk dient te worden gehouden. Het college heeft dan ook in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen die zijn betrokken bij de mogelijk gemaakte woninguitbreidingen dan aan de belangen van [appellant sub 5] om van de bouw van derde bouwlagen gevrijwaard te blijven.

2.30.1. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bouwhoogte van negen meter voor de woningen tegenover de woning van [appellant sub 5] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 5] is op dit punt ongegrond.

Proceskosten

2.31. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Bechinka

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009

371.