Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200903804/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] woonvergunning, als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, te verlenen om de bewoning van een bijgebouw op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te legaliseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903804/1/H1.

Datum uitspraak: 16 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Uitgeest,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 april 2009 in zaak

nr. 08-6710 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] woonvergunning, als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, te verlenen om de bewoning van een bijgebouw op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te legaliseren.

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2009, verzonden op 20 april 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2009, waar [appellante], bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Wedding, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de Woningwet is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders (woonvergunning) een bestaand gebouw dan wel een gedeelte van een bestaand gebouw, dat, ofschoon niet ongeschikt voor bewoning, laatstelijk niet of wederrechtelijk als woning of woonwagen werd gebruikt, als woning of woonwagen in gebruik te geven of te nemen.

Ingevolge het tweede lid mag alleen en moet de woonvergunning worden geweigerd indien het beoogde gebruik van het gebouw dan wel het gedeelte van het gebouw niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening of in strijd is met het desbetreffende bestemmingsplan.

2.2. Het college heeft de woonvergunning geweigerd, omdat het gebruik van het bijgebouw voor bewoning in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied".

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bewoning van het bijgebouw bescherming toekomt ingevolge het in artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht zodat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

2.3.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van dit plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat met de in dit plan aangewezen bestemming in strijd is - onverminderd het bepaalde in een wet, een provinciale of een gemeentelijke verordening - worden voortgezet.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 februari 2006 in zaak nr. 200503095/1), dient degene die zich op het overgangsrecht beroept de feiten en omstandigheden waarop dat beroep rust aannemelijk te maken. Voor een geslaagd beroep op het overgangsrecht is derhalve vereist dat [appellante] aannemelijk maakt dat ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan het bijgebouw voor permanente bewoning werd gebruikt en dit gebruik sedertdien is voortgezet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] daarin niet is geslaagd. Voor zover uit de door haar overgelegde verklaringen van derden, die verklaren gedurende verschillende perioden vanaf 1972 tot 2002 permanent in het bijgebouw te hebben gewoond, moet blijken dat het bijgebouw reeds lange tijd wordt gebruikt voor permanente bewoning, blijkt daaruit niet of die permanente bewoning op de peildatum plaatsvond. Het college heeft er in dit verband terecht op gewezen dat permanente bewoning van het bijgebouw op dat moment niet aantoonbaar blijkt uit de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie.

Nu geen geslaagd beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht, heeft het college zich in het besluit van 19 augustus 2008 terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van het bijgebouw voor bewoning in strijd is met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de in beroep aangevoerde grond, dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen voor het gebruik van het bijgebouw voor bewoning. Dit leidt echter niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het college heeft geweigerd vrijstelling te verlenen, omdat dit in strijd is met zowel provinciaal als gemeentelijk beleid. Uit het provinciaal beleid, zoals neergelegd in het Streekplan Noord-Holland Zuid, blijkt dat functieverandering niet is toegestaan indien recreatiewoningen worden omgezet in permanent bewoonde woningen. Voorts is het gemeentelijke beleid gericht op het tegengaan van burgerbewoning in het buitengebied. Het college wenst vast te houden aan zowel het provinciaal als het gemeentelijk beleid. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat het college bij de beslissing op een verzoek om vrijstelling een grote mate van beleidsvrijheid heeft zodat de rechter een dergelijke beslissing terughoudend dient te toetsen, heeft het college in redelijkheid de gevraagde vrijstelling kunnen weigeren. De door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat het bijgebouw al 35 jaar lang wordt bewoond, biedt evenmin grond voor het oordeel dat het college de gevraagde vrijstelling behoorde te verlenen. Ditzelfde geldt voor de eveneens door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheid dat het perceel waarop het bijgebouw is gelegen en de omliggende gronden zijn aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten van toepassing zijn met het oog op het realiseren van een woonwijk. Ter zitting is door het college voldoende aannemelijk gemaakt dat deze plannen zich nog in een zeer prematuur stadium bevinden.

Wat betreft het ter zitting door [appellante] gestelde dat permanente bewoning ook in andere bijgebouwen in het buitengebied wordt toegestaan, geldt dat geen sprake is van gelijke gevallen, nu deze bijgebouwen - naar niet is weersproken - onder het regime van een ander bestemmingsplan vallen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009

17-552.