Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6748

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200903875/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij beslissing van 17 oktober 2007 hebben provinciale staten van

Zuid-Holland (hierna: provinciale staten) ingestemd met het definitieve ontwerp van de RijnGouweLijn alsmede ingestemd met het voornemen van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten) om ten behoeve van de realisatie van de RijnGouweLijn door de binnenstad van Leiden gebruik te maken van doorzettingsmacht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 37
Wet op de Ruimtelijke Ordening 38
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.26
Wet ruimtelijke ordening 3.17
Wet ruimtelijke ordening 4.1
Wet ruimtelijke ordening 4.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2010, 63
BA 2010/17
JOM 2010/165
JB 2010/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903875/1/H1.

Datum uitspraak: 16 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Openbaar Vervoer Op Maat, gevestigd te Leiden,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 april 2009 in zaak nr. 08/7266 in het geding tussen:

de stichting Stichting Openbaar Vervoer Op Maat

en

provinciale staten van Zuid-Holland.

1. Procesverloop

Bij beslissing van 17 oktober 2007 hebben provinciale staten van

Zuid-Holland (hierna: provinciale staten) ingestemd met het definitieve ontwerp van de RijnGouweLijn alsmede ingestemd met het voornemen van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: gedeputeerde staten) om ten behoeve van de realisatie van de RijnGouweLijn door de binnenstad van Leiden gebruik te maken van doorzettingsmacht.

Bij besluit van 25 juni 2008 hebben provinciale staten het door de stichting Stichting Openbaar Vervoer Op Maat (hierna: de stichting) daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2009, verzonden op 16 april 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door [geamchtigden], en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag en mr. M.J.J. Platell, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Provinciale staten hebben het bezwaar van de stichting tegen de beslissing van 17 oktober 2007 niet-ontvankelijk verklaard omdat dit volgens hen geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.2. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.3. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat provinciale staten terecht het bezwaar van de stichting tegen het besluit van 17 oktober 2007 niet-ontvankelijk hebben verklaard. Volgens de stichting heeft de rechtbank miskend dat dit besluit wel een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Hiertoe voert zij aan dat met het besluit van 17 oktober 2007 het mogelijk wordt voor gedeputeerde staten om gebruik te maken van haar doorzettingsmacht ten behoeve van de aanleg van de RijnGouweLijn zodat sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.3.1. Onder doorzettingsmacht moet blijkens de stukken worden verstaan de bevoegdheden die gedeputeerde staten zijn gegeven in de artikelen 37, vierde lid en vijfde lid, en 38, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en aan provinciale respectievelijk gedeputeerde staten op grond van onder meer de artikelen 3.26, 3.27, 4.1 en 4.2, van de Wet ruimtelijke ordening.

2.3.2. Met de beslissing van 17 oktober 2007 hebben provinciale staten ingestemd met het voornemen van gedeputeerde staten om zo nodig deze doorzettingsmacht aan te wenden. Deze instemming is echter geen voorwaarde voor het kunnen aanwenden van de daarmee aangeduide bevoegdheden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat provinciale staten zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat de instemming niet op rechtsgevolg is gericht. De rechtbank heeft derhalve eveneens terecht overwogen dat de beslissing van 17 oktober 2007 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009

17-552.