Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200900342/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete opgelegd van € 16.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) en van € 3.000,00 wegens overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900342/1/V6.

Datum uitspraak: 16 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], gemeente Kaag en Braassem,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 december 2008 in zaak nr. 08/4911 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete opgelegd van € 16.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) en van € 3.000,00 wegens overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav.

Bij besluit van 4 juni 2008 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 december 2008, verzonden op 4 december 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, vergezeld door [bestuurder] van [appellante], en de minister, vertegenwoordigd door mr. W.G.G. de Bakker, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge het tweede lid is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander beschikt over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid,voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 en voor overtreding van artikel 15, eerste lid, op € 1.500,00 gesteld per persoon, per beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag), thans, na wijziging, artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU), is het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap vrij.

Ingevolge artikel 43, eerste alinea, van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 49, eerste alinea, van het VWEU, zijn in het kader van de volgende bepalingen beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondern[vreemdeling 2]gen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.

Ingevolge de laatste alinea van dit artikel omvat de vrijheid van vestiging, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondern[vreemdeling 2]gen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 54 van het VWEU, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 49, eerste alinea, van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 56, eerste alinea, van het VWEU, zijn in het kader van de volgende bepalingen de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der Lid-staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

Ingevolge artikel 50, laatste alinea, van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 57, laatste alinea, van het VWEU, voor zover thans van belang, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Ingevolge Bijlage VI Lijst bedoeld in artikel 23 van de Toetredingsakte: overgangsmaatregelen Bulgarije (hierna: Bijlage VI), onderdeel 1, punt 1, is wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten tussen, voor zover thans van belang, Bulgarije en Nederland, artikel 39 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45 van het VWEU, slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14.

Ingevolge punt 2, voor zover thans van belang, zullen de huidige lidstaten, in afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Bulgarije, nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Bulgaarse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen. De huidige lidstaten mogen dergelijke maatregelen blijven toepassen tot het einde van het vijfde jaar na de datum van toetreding van Bulgarije.

Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ingevolge voormelde Bijlage VI het recht op het vrij verkeer van werknemers zoals neergelegd in artikel 39 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45 van het VWEU, tijdelijk te beperken en door voortzetting van de overgangsperiode de vergunningplicht ingevolge de Wav tot 1 januari 2012 gehandhaafd (Kamerstukken II 2008/09, 29 407, nr. 98). In Bijlage VI is tussen Bulgarije en Nederland geen overgangsregeling getroffen voor het vrij verkeer van vestiging dan wel diensten.

2.2. Het door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtseed opgemaakte boeterapport van 8 november 2007 en de daarbij behorende bijlagen (hierna: het boeterapport) houden in dat [vreemdeling 1], van […] nationaliteit, en [vreemdeling 2], van […] nationaliteit; hierna tezamen: de vreemdelingen), op 5 juli 2007 onderscheidenlijk 6 juli 2007 arbeid hebben verricht op de [locatie] te [plaats], bestaande uit het graven van gleuven onderscheidenlijk het leggen van kabels, zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen zijn afgegeven. Voorts is hierin vermeld dat [naam bedrijf], een overeenkomst heeft gesloten voor het aanleggen van een glasvezelkabel. [naam bedrijf] heeft diverse werkzaamheden met betrekking tot het aanleggen van deze glasvezelkabel uitbesteed aan [appellante]. [appellante] heeft voor de uitvoering van die werkzaamheden de vreemdelingen ingeschakeld.

Volgens diens bij het boeterapport behorende verklaring heeft [vreemdeling 2], voor zover van belang, het volgende verklaard:

'Het klopt dat gisteren een […] meneer is meegenomen door de politie. Die […] meneer werkte samen met mij. We waren gisteren met z'n drieën aan het werk. Het werk was het graven van gleuven. De […] man heet [naam] en werkt voor [naam bedrijf]. Ik werk voor [appellante]. Ik factureer aan [appellante]. Ik heb nog niet gesproken met de eigenaar van [appellante] over een offerte of de aanneemsom van de klus. Ik weet dus nog niet hoeveel ik voor het werk krijg, dat zou ik vanmiddag gaan regelen met [naam eigenaar], de eigenaar van [appellante]. Ik rijd in een auto van [appellante]. Ook het gereedschap en mijn veiligheidsvest is van [appellante]. Daarvoor hoef ik niets te betalen. Ik bepaal niet zelf hoe laat ik begin en wat voor werk ik ga doen, want dat bepaalt [naam]. Ik ben op 3 juli 2007 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Sindsdien werk ik voor [appellante]. Het klopt dat de […] meneer gisteren met mij is meegereden in de auto van [appellante]. Ik heb de […] meneer in [plaats] opgepikt op verzoek van [naam]. De […] meneer werkt dus niet voor mij of mijn bedrijf. Ik ken deze meneer verder niet.'

Voorts heeft [naam], namens [naam bedrijf], volgens het bij het boeterapport gevoegde rapport van horen van 2 augustus 2007 verklaard dat de kraanmachinist respectievelijk de voorman van [naam bedrijf] opdrachten gaf aan [vreemdeling 2] en de werkzaamheden standaard tussen 07.00 uur en 16.00 uur dienden te worden verricht.

[bedrijfsleider] bij [appellante], heeft volgens het bij het boeterapport gevoegde rapport van horen van 17 juli 2007 verklaard dat [vreemdeling 2] voor zichzelf is begonnen, omdat de door [appellante] ten behoeve van [vreemdeling 2] aangevraagde tewerkstellingsvergunning was afgewezen. Ook heeft [bedrijfsleider] verklaard dat [appellante] aan [vreemdeling 2] een auto ter beschikking heeft gesteld, [naam bedrijf] opdrachten aan [vreemdeling 2] geeft, thans sprake is van mondelinge werkafspraken tussen [appellante] en [vreemdeling 2] en door [appellante] nog geen betalingen voor de door [vreemdeling 2] verrichte werkzaamheden hebben plaatsgevonden.

Tevens heeft [vreemdeling 1] volgens het op ambtseed opgemaakte inlichtingen- en verhoorformulier van 5 juli 2007 het volgende verklaard:

'Ik ben vandaag werkend aangetroffen door de politie. Op het moment van de controle had ik een schop in mijn handen. Met die schop maakte ik plek voor de kabels. Ik had een rood/geel hesje aan, die ik van de […] man had gekregen. Ik werd vanochtend opgehaald door een persoon van wie ik de naam niet weet. Ik zou eerst op proef werken en daarna zouden we kijken of ik zou kunnen blijven of niet. Ik heb de schop van de man gekregen met wie ik ben meegereden. Op het moment van de controle waren wij met drie man aan het werk.'

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [vreemdeling 2] niet als zelfstandige werkzaam is geweest, nu [vreemdeling 2] ten tijde van de controle uitsluitend voor [appellante] heeft gewerkt en geen andere opdrachtgevers heeft gehad, hij zich van een bedrijfswagen en gereedschap van [appellante] heeft bediend, hij niet zijn eigen werktijden en werkwijze heeft bepaald en niet is gebleken dat hij investeringen heeft gedaan. Hierbij heeft de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat de omstandigheden dat [vreemdeling 2] op 3 juli 2007 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven, dat door de Belastingdienst een verklaring arbeidsrelatie winst uit onderneming (hierna: een VAR-wuo) is verstrekt en dat [vreemdeling 2] over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige beschikt, niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Door te verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling van 23 juli 2008 in zaak nr. 200708282/1 en van 10 september 2008 in zaak nr. 200801529/1, heeft de rechtbank volgens [appellante] miskend dat in die zaken door de opdrachtgever tijdens de uitvoering van de werkzaamheden aanwijzingen werden gegeven, hetgeen in dit geval niet aan de orde was.

2.3.1. In het arrest van 15 december 2005 in de zaken nrs. C-151/04 en C-152/04 (Jur. 2005, p. I-11203) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen onder verwijzing naar het arrest van 20 november 2001 in zaak nr. C-268/99 (AB 2001, 413) in rechtsoverweging 31 overwogen:

"31. Aangezien het hoofdkenmerk van een arbeidsverhouding in de zin van artikel 39 EG-Verdrag is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt, moet als een werkzaamheid anders dan in loondienst in de zin van artikel 43 EG-Verdrag worden aangemerkt, de activiteit die een persoon zonder gezagsverhouding uitoefent (zie arrest van 20 november 2001, Jany e.a., C-268/99, Jurispr. blz. I-8615, punt 34 en de aangehaalde rechtspraak)."

2.3.2. Gelet op deze overweging is voor beantwoording van de vraag of de werkzaamheden door [vreemdeling 2] als zelfstandige zijn uitgevoerd, bepalend of sprake is van activiteiten die zonder gezagsverhouding zijn uitgeoefend, waarbij de vraag of de werkzaamheden onder eigen verantwoordelijkheid worden verricht een rol speelt en voorts de feitelijke situatie van belang is. Uit het boeterapport en de daarbij behorende verklaringen is niet gebleken dat [vreemdeling 2] de werkzaamheden heeft verricht op basis van een concrete met [appellante] gesloten overeenkomst tot [vreemdeling 2] van werk. Voor de aanvang van de werkzaamheden is de duur en de uurprijs van de uit te voeren werkzaamheden niet bepaald. Ook is niet is gebleken dat [vreemdeling 2] zelf de prijs kon bepalen. Voorts werkte [vreemdeling 2] ten tijde van de controle uitsluitend voor [appellante] en had hij geen andere opdrachtgevers. [naam bedrijf] gaf [vreemdeling 2] aanwijzingen en hield toezicht op de door hem uitgevoerde werkzaamheden. Verder deelde [vreemdeling 2] niet zelf zijn werkzaamheden in, stelde hij niet zelf zijn werktijden vast en werkte hij niet met eigen gereedschappen. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat [vreemdeling 2] als zelfstandige werkzaam is geweest. Dat bij het boeterapport een brief is gevoegd van [appellante] aan [vreemdeling 2] van 1 juli 2007, waarbij de in een eerder gesprek tussen [naam] en [vreemdeling 2] gemaakte afspraken zijn bevestigd, maakt dit niet anders, aangezien uit de verklaring van [vreemdeling 2] blijkt dat [vreemdeling 2] ten tijde van de controle geen kennis droeg van een overeenkomst als hiervoor bedoeld.

In het licht van het vorenstaande leiden de omstandigheden dat [vreemdeling 2] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat ingeschreven, hij in het bezit was van een verblijfsvergunning en de belastingdienst hem nadien een VAR-wuo - welke verklaring [vreemdeling 2] eerst op 9 juli 2007 heeft aangevraagd - heeft verstrekt, niet tot de conclusie dat hij de werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht.

Nu [naam bedrijf] aanwijzingen aan [vreemdeling 2] heeft gegeven, heeft de rechtbank in dat kader voorts terecht verwezen naar de door haar aangehaalde uitspraken van de Afdeling.

Het betoog faalt.

2.4. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat [vreemdeling 1] arbeid in de zin van de Wav ten dienste van [appellante] heeft verricht, nu [appellante] slechts aan [vreemdeling 2] opdracht heeft gegeven om de werkzaamheden te verrichten en [vreemdeling 1] geen vergoeding voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] ten aanzien van [vreemdeling 1] als werkgever in de zin van artikel 1 van de Wav kan worden aangemerkt. Niet is in geschil dat [naam bedrijf] diverse werkzaamheden met betrekking tot het aanleggen van de glasvezelkabel heeft uitbesteed aan [appellante] en de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden in dat kader hebben plaatsgevonden. Voorts heeft [vreemdeling 2] verklaard dat hij [vreemdeling 1] op verzoek van [naam] uit [plaats] heeft meegebracht, [vreemdeling 1] niet voor hem werkte en hij [vreemdeling 1] verder niet kende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607474/1), is een opdrachtgever die via een tussenpersoon arbeid laat verrichten aan te merken als werkgever in de zin van de Wav. Ook indien [appellante], zoals zij stelt, de opdracht tot het verrichten van werkzaamheden niet aan [vreemdeling 1], maar aan [vreemdeling 2] zou hebben gegeven, wat hier verder ook van zij, leidt dit, zoals blijkt uit voormelde uitspraak, niet tot een ander oordeel dan vervat in de aangevallen uitspraak. Zoals de Afdeling bij uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200700303/1 heeft overwogen is instemming met, respectievelijk wetenschap van de arbeid voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet vereist; het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid. Dat [appellante] [vreemdeling 1] niet heeft betaald, doet aan de aangevallen uitspraak niet af, nu dit voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet is vereist.

Dit betoog faalt eveneens.

2.5. Volgens [appellante] heeft de rechtbank niet onderkend dat ten aanzien van [vreemdeling 1] sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1), wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

Het betoog van [appellante] dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt, omdat zij de opdracht tot de werkzaamheden uitsluitend aan [vreemdeling 2] heeft gegeven, wat hier verder ook van zij, faalt. Het had immers op de weg van [appellante] gelegen met [vreemdeling 2] concrete afspraken te maken over de uitvoering van de werkzaamheden. Door dit na te laten en bij aanvang van de werkzaamheden afwezig te zijn, heeft [appellante] het risico aanvaard dat een of meer anderen dan [vreemdeling 2] de arbeid zouden verrichten. [appellante] heeft niet alles gedaan wat in redelijkheid mogelijk was om de overtreding te voorkomen. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden, zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld, is evenmin sprake van een verminderde mate van verwijtbaarheid die aanleiding geeft de opgelegde boete te matigen.

2.6. Tot slot betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte de verklaring van [getuige] onvoldoende heeft geacht om aan te nemen dat [naam bedrijf] voor de aanvang van de werkzaamheden van [appellante] een afschrift van het vereiste identiteitsdocument van [vreemdeling 2] heeft ontvangen. Gelet op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) mogen aan de bewijsvoering hoge eisen worden gesteld, aldus [appellante].

2.6.1. [bedrijfsleider] heeft volgens diens bij het boeterapport behorende verklaring namens [appellante] gesteld dat in de praktijk het personeel eerst aan het werk gaat en dat pas achteraf het werkbriefje met een kopie van het identiteitsbewijs naar kantoor wordt verzonden. Voorts heeft hij verklaard dat [appellante] eerst een kopie van het identiteitsbewijs naar de opdrachtgever stuurt als zij gaat factureren aan de hand van de werkbriefjes. Eveneens heeft hij verklaard dat [appellante] voor aanvang van de werkzaamheden op de [locatie] geen kopieën van identiteitsbewijzen van de vreemdelingen aan [naam bedrijf] heeft verzonden. Gelet op de door [bedrijfsleider] geschetste omstandigheden biedt het boeterapport voldoende grondslag voor het door de minister ingenomen en door de rechtbank terecht gesauveerde standpunt dat [appellante] niet aan de in artikel 15, eerste lid, van de Wav neergelegde verplichting heeft voldaan. Dat [getuige] volgens diens bij het boeterapport behorende verklaring van 2 augustus 2007 heeft gesteld dat de identiteitsdocumenten van [vreemdeling 2] bij [naam bedrijf] op kantoor liggen en hij ten tijde van het geven van deze verklaring de op [vreemdeling 2] betrekking hebbende papieren aan de desbetreffende rapporteurs heeft overhandigd, doet hieraan niet af, nu hiermee, gelet ook op de verklaring van [bedrijfsleider], niet is komen vast te staan dat [naam bedrijf] bij aanvang van de werkzaamheden over een afschrift van het identiteitsdocument van [vreemdeling 2] beschikte. Onder deze omstandigheden is van schending van artikel 6 van het EVRM, in de door [appellante] bedoelde zin, geen sprake.

Ook dit betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009

164-550.