Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6718

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200904205/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2009:BI4099, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) het rijbewijs van [wederpartij] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904205/1/H3.

m uitspraak: 16 december 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2009 in zaak nr. 08/5005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellante.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) het rijbewijs van [wederpartij] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2009, verzonden op 12 mei 2009, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 oktober 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2009, waar het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. R. Tetteroo, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 132, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), voor zover thans van belang, is degene die zich dient te onderwerpen aan een onderzoek, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft.

Ingevolge artikel 133, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het reglement) worden, indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.2. Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft het CBR het rijbewijs van [wederpartij] ongeldig verklaard voor alle categorieën omdat hij niet op de voor het aan hem opgelegde onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig was. Dit besluit is bij besluit van 24 oktober 2008 gehandhaafd. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd. Zij heeft daartoe overwogen dat [wederpartij] de ontvangst van de kennisgeving, dat de met aangetekende post verzonden oproeping voor het onderzoek op het postkantoor kon worden afgehaald, op geloofwaardige wijze heeft ontkend en het CBR de ontvangst van die kennisgeving dan wel de oproeping niet aannemelijk heeft gemaakt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het niet ontvangen van de oproeping door [wederpartij] hem niet kan worden verweten of toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat aldus sprake is van een geldige reden van verhindering, zodat het CBR tijd en plaats van het aan [wederpartij] opgelegde onderzoek opnieuw had moeten vaststellen.

2.3. Het CBR betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [wederpartij] de ontvangst van de kennisgeving, dat het met aangetekende post verzonden bericht op het postkantoor kon worden afgehaald, op geloofwaardige wijze heeft ontkend. Volgens het CBR heeft de rechtbank miskend dat TNT Post een vaste werkwijze hanteert, waarbij, indien de postbesteller een aangetekend verzonden poststuk niet kan uitreiken aan de geadresseerde of een volwassen huisgenoot, een kennisgeving wordt achtergelaten dat het poststuk gedurende een zekere termijn op het postkantoor kan worden afgehaald, en dat de oproeping door TNT Post aan het CBR is geretourneerd met de mededeling dat die niet is afgehaald. De rechtbank heeft volgens haar ten onrechte de ontkenning van [wederpartij] van de ontvangst van de kennisgeving geloofwaardig geacht omdat hij heeft verklaard bereid te zijn aan het opgelegde onderzoek mee te werken, wat onder meer zou blijken uit het feit dat hij geen bezwaar heeft aangetekend tegen het besluit hem een onderzoek op te leggen, en omdat hij consequent de ontvangst heeft ontkend. Volgens het CBR kan uit de omstandigheid dat [wederpartij] consequent de ontvangst heeft ontkend evengoed worden geconcludeerd dat hij consequent niet de waarheid spreekt, en uit het feit dat hij tegen het besluit hem een onderzoek op te leggen geen bezwaar heeft gemaakt dat hij de onderliggende feiten niet betwist. Het risico voor het zich niet in het bezit stellen van een naar het juiste adres per aangetekende post verzonden oproeping ligt bij [wederpartij], aldus het CBR.

2.4. Dit betoog slaagt. Bij brief van 31 maart 2008, die zowel met aangetekende als gewone post is verzonden, is aan [wederpartij] meegedeeld dat het CBR heeft besloten tot het opleggen van een onderzoek en dat alle correspondentie voortaan alleen met aangetekende post zal plaatsvinden. Niet in geschil is dat het CBR de oproeping voor het onderzoek met aangetekende post naar het juiste adres heeft verzonden. Het is vaste praktijk van TNT Post dat, indien uitreiking van een aangetekend stuk aan de geadresseerde niet mogelijk blijkt, in de brievenbus van de geadresseerde een kennisgeving wordt achtergelaten dat het stuk gedurende een zekere termijn op het postkantoor kan worden afgehaald. [wederpartij] heeft slechts ontkend een dergelijke kennisgeving te hebben ontvangen, en geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat de kennisgeving niet door TNT Post op zijn adres is achtergelaten. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 18 april 2006, in zaak nr. 200600453/4, aangehecht) is de enkele stelling dat een dergelijke kennisgeving niet is ontvangen onvoldoende om de ontvangst daarvan niet aannemelijk te achten. Dat hij heeft verklaard te willen meewerken aan het hem opgelegde onderzoek en geen bezwaar heeft aangetekend tegen het besluit hem een onderzoek op te leggen zijn geen feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat de kennisgeving niet door TNT Post op zijn adres is achtergelaten, omdat deze niet zien op de vraag of een kennisgeving bij hem in de brievenbus is achtergelaten. De rechtbank heeft daarom ten onrechte de ontkenning van [wederpartij], in combinatie met zijn verklaring te willen meewerken aan het hem opgelegde onderzoek, voldoende geacht om niet onaannemelijk te achten dat hij de kennisgeving, dat het met aangetekende post verzonden bericht op het postkantoor kon worden afgehaald, niet heeft ontvangen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, waarvan blijkt uit voormelde uitspraak, komt het niet afhalen van een aangetekend stuk en het niet kennisnemen daarvan voor risico van de geadresseerde. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat [wederpartij] de oproeping voor het onderzoek niet heeft ontvangen zonder dat dit hem kan worden verweten of toegerekend en dit daarom niet anders dan als een geldige reden van verhindering kan worden gezien.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het CBR van 24 oktober 2008 alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2009 in zaak nr. 08/5005;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.

176-622.