Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200901257/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bloemendaal (hierna: de raad) bij besluit van 16 oktober 2008 vastgestelde uitwerkingsplan "Duinzicht- Nieuw Valckenburgh" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901257/1/R2.

Datum uitspraak: 16 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Schapenduinen en de vereniging Vereniging Behoud Landgoed Meer en Berg, beide gevestigd te Bloemendaal,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bloemendaal (hierna: de raad) bij besluit van 16 oktober 2008 vastgestelde uitwerkingsplan "Duinzicht- Nieuw Valckenburgh" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Schapenduinen en de vereniging Vereniging Behoud Landgoed Meer en Berg (hierna: de stichting en de vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 april 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De commanditaire vennootschap Park Brederode C.V. (hierna: Park Brederode) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2009. Ter zitting zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door J.T.M. de Haan-Bergisch en G.P.A. van Driel, ambtenaren in dienst van de gemeente en Park Brederode, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De raad en Park Brederode voeren tevergeefs aan dat het bezwaar van de stichting en de vereniging tegen het aantal woningen dat met het plan wordt beoogd buiten beschouwing moet worden gelaten omdat zij hiertegen in hun zienswijze niet zijn opgekomen.

Het uitgangspunt van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb) leidt ertoe dat besluitonderdelen die in de zienswijze niet zijn bestreden en die ongewijzigd worden vastgesteld, in de beroepsfase niet alsnog kunnen worden bestreden, behoudens de uitzondering genoemd in artikel 27, eerste lid, van de WRO. Nadere gronden ter onderbouwing van een ingebrachte zienswijze kunnen echter nog in iedere fase van de procedure naar voren worden gebracht. In de beroepsfase kunnen derhalve gronden worden aangevoerd die nieuw zijn ten opzichte van die in de fase van de zienswijze, zolang zij op een besluitonderdeel zien dat reeds in de zienswijze is bestreden.

De stichting en de vereniging hebben in hun zienswijze bezwaren aangevoerd tegen het gehele plan. Het betoog van de stichting en de vereniging met betrekking tot het aantal woningen zoals beoogd in het plan geldt derhalve ter onderbouwing van een reeds in de zienswijzenfase bestreden besluitonderdeel.

2.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij het besluit over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan vormt een deeluitwerking van het bestemmingsplan "Meer en Berg" (hierna: het bestemmingsplan) voor wat betreft de bestemmingsvlakken V en VI met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden". Het plan heeft betrekking op het terrein van het voormalig Provinciaal Ziekenhuis in het noordoostelijke deel van het bestemmingsplangebied en voorziet blijkens het bestreden besluit en de plantoelichting in de bouw van in totaal 73 woningen, waarvan 63 vrijstaande en geschakelde woningen in bestemmingsvlak V (Duinzicht) en een appartementencomplex met tien woningen in bestemmingsvlak VI (Nieuw-Valckenburgh).

2.4. De stichting en de vereniging voeren aan dat het plan meer woningen mogelijk maakt dan in de plantoelichting is opgenomen. Op grond van de planvoorschriften is het volgens hen mogelijk om op elk bestemmingsvlak met de bestemming "Woondoeleinden" twee geschakelde woningen op te richten. Aan de op de plankaart op enkele bestemmingsvlakken ingetekende (woning)scheidingslijn komt volgens hen geen bindende betekenis toe nu in de planvoorschriften niet is bepaald dat deze in acht moet worden genomen.

In verband hiermee stellen zij dat het aantal mogelijk te realiseren woningen in strijd is met het in de uitwerkingsregels opgenomen maximum voor het gehele plangebied, nu voor deze bestemmingsvlakken al meer woningen worden mogelijk gemaakt dan is beoogd.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het aantal voorziene woningen overeenkomt met het in de plantoelichting genoemde aantal. Volgens het college blijkt duidelijk dat alleen binnen de bestemmingsvlakken met een (woning)scheidingslijn twee woningen mogen worden gebouwd. Voor deze vlakken is ook per woninggedeelte een maximaal bebouwd grondoppervlak (Bgo) en maximaal bruto vloeroppervlak (Bvo) vastgesteld. Ook in de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan staat, in afwijking van de algemene bebouwingsvoorschriften, dat in deelgebied V vrijstaande of twee-aan-een woningen mogen worden gerealiseerd.

2.4.2. Ingevolge artikel 7, onder Algemeen, geldend voor alle bestemmingsvlakken, onder a, van de bestemmingsplanvoorschriften mag het totale aantal te realiseren woningen niet minder bedragen dan 275 en niet meer dan 350.

Ingevolge artikel 7, onder Bestemmingsvlak V, onder b, mogen vrijstaande of twee-aan-een woningen in ten hoogste 3 bouwlagen gerealiseerd worden en gestapelde woningen in ten hoogste 4 bouwlagen.

Ingevolge artikel 1, onder 12, van de planvoorschriften wordt onder (woning)scheidingslijn verstaan: de grens tussen twee woningen.

Ingevolge artikel 3, derde lid, onder a, mogen per bestemmingsvlak vrijstaande dan wel maximaal twee geschakelde woningen worden gebouwd, met uitzondering van het bestemmingsvlak met de nadere aanwijzing (s) waar maximaal 10 gestapelde woningen mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 3, derde lid, onder b, mag het bebouwd grondoppervlak en bruto vloeroppervlak per bestemmingsvlak (of gedeelte daarvan) niet meer bedragen dan op de plankaart in een matrix (per woning) is aangegeven.

2.4.3. Volgens de toelichting worden in het plangebied maximaal 73 koopwoningen in de vrije sector gebouwd, waarvan maximaal tien in een kleinschalig appartementencomplex en maximaal 63 vrijstaand en geschakeld. Op de plankaart zijn 44 bestemmingsvlakken opgenomen met de bestemming "Woondoeleinden [1]". Op een aantal bestemmingsvlakken is op de plankaart een (woning)scheidingslijn ingetekend. Bij deze bestemmingsvlakken is per onderscheidenlijk deel door middel van een aanwijzing een maximum Bgo en een maximum Bvo opgenomen. Weliswaar is in de planvoorschriften niet met zoveel woorden bepaald dat alleen binnen de bestemmingsvlakken met een (woning)scheidingslijn twee woningen zijn toegestaan, doch gelet op het feit dat alleen op de bestemmingsvlakken met een (woning)scheidingslijn tweemaal een aanwijzing is opgenomen voor een maximum Bgo en een maximum Bvo en de aanwijzing ingevolge artikel 3, derde lid, onder b, per woning geldt, acht de Afdeling het buiten twijfel dat alleen voor deze bestemmingsvlakken twee woningen zijn toegestaan.

De stelling van de stichting en de vereniging dat het ontbreken van een maximum aantal woningen in het plan mogelijk tot gevolg heeft dat het in de uitwerkingsregels gestelde maximum van 350 voor het gehele plan wordt overschreden, is gezien het vorenstaande niet juist.

2.5. De stichting en de vereniging voeren voorts aan dat het plan niet voldoet aan artikel 7 van de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan nu voor het bestemmingsvlak V sprake is van een overschrijding van het Bgo en het Bvo, terwijl niet voldaan wordt aan de criteria in de uitwerkingsregels die afwijking daarvan mogelijk maken.

Ten eerste wordt, in strijd met de uitwerkingsregels, onvoldoende gecompenseerd in bestemmingsvlak VI. Compensatie in andere, nog uit te werken bestemmingsplannen is volgens de stichting en de vereniging in strijd met de uitwerkingsregels, nu de verplichte compensatie daarmee onvoldoende gewaarborgd is. Het argument dat in de samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer het totale Bgo en Bvo is vastgelegd, is volgens de stichting en de vereniging onvoldoende.

Ten tweede is onvoldoende gemotiveerd waarom de afwijking een positieve bijdrage oplevert aan de stedenbouwkundige waarden van bestemmingsvlak V, als bedoeld in artikel 7, onder Algemeen, geldend voor alle bestemmingsvlakken, onder c, van de uitwerkingsregels. De keuze voor geconcentreerde bebouwing op ruime kavels is volgens hen geen argument.

Ten derde is volgens de stichting en de vereniging niet gemotiveerd waarom afwijking een positieve bijdrage levert aan de stedenbouwkundige, ecologische, natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het totale plangebied, als bedoeld in artikel 7, onder Algemeen, geldend voor alle bestemmingsvlakken, onder c, van de uitwerkingsregels. In de reactie op de zienswijze stelt de raad ten onrechte dat de stichting en de vereniging dit punt niet nader hebben onderbouwd terwijl de motiveringsplicht in de eerste plaats bij de raad ligt, aldus de stichting en de vereniging.

2.5.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat de overschrijdingen van het Bgo en het Bvo niet in strijd zijn met de uitwerkingsregels. In de toelichting is uiteengezet welke verdeling geldt voor alle bestemmingsvlakken. Hoewel het plan alleen bindende betekenis heeft voor de bestemmingsvlakken V en VI, dienen bij de overige uit te werken bestemmingsvlakken de oppervlakten als genoemd in de uitwerkingsregels te worden aangehouden met inachtneming van de oppervlakten die in de andere uitwerkingsplannen reeds zijn opgenomen. Ook is in de plantoelichting ingegaan op de keuze voor de stedenbouwkundige opzet, mede in relatie tot de visie op het hele bestemmingsplangebied. Verder zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar onder andere de cultuurhistorische- en landschappelijke waarden. In deze onderzoeken is toegelicht op welke manier de verschillende waarden worden vergroot voor het gehele plangebied.

2.5.2. Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder b, (beschrijving in hoofdlijnen, algemeen geldend voor alle bestemmingsvlakken) van de planvoorschriften van het bestemmingsplan wordt onder het per bestemmingsvlak maximaal te realiseren bebouwd grondoppervlak (Bgo) en bruto vloeroppervlak (Bvo) mede begrepen hetgeen op grond van de voorschriften van het betreffende uitwerkingsplan alsnog gerealiseerd kan worden aan gebouwen.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder c, mag bij de uitwerking tot een maximum van 10% van de voor het betreffende bestemmingsvlak aangegeven maximaal te realiseren bebouwd grondoppervlak en/of bruto vloeroppervlakte worden afgeweken, mits door compensatie in een of meer andere bestemmingsvlakken de totale begane vloeroppervlakte en bruto vloeroppervlakte voor deze bestemming niet wordt overschreden en mits dit een positieve bijdrage levert aan de stedenbouwkundige waarden van de betreffende bestemmingsvlakken en de stedenbouwkundige, ecologische, natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het plangebied.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder Bestemmingsvlak V, onder a, zal het bebouwd grondoppervlak van de bij de uitwerking te projecteren gebouwen niet meer dan 7.000 m² mogen bedragen en de bruto vloeroppervlakte niet meer dan 22.000 m².

Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder Bestemmingsvlak VI, onder a, zal het bebouwd grondoppervlak van het bij de uitwerking te projecteren gebouw niet meer dan 750 m² mogen bedragen en de bruto vloeroppervlakte niet meer dan 2.000 m².

2.5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het vastgestelde Bgo en Bvo in bestemmingsvlak V wordt overschreden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of voldaan wordt aan de afwijkingsvoorwaarden als genoemd in artikel 7, tweede lid, onder c, van de bestemmingsplanvoorschriften.

2.5.4. Blijkens de plantoelichting zal in bestemmingsvlak V het Bgo worden vergroot van 7.000 m² naar 7.450 m² en het Bvo van 22.000 m² naar 23.400 m². In bestemmingsvlak VI zal het Bgo worden verkleind van 750 m² naar 675 m² en het Bvo van 2.000 m² naar 1.800 m². Vanwege deze verschuiving is in een schema in de toelichting aangegeven tot welke verdeling van de oppervlakten over het gehele plangebied dit leidt. Daarbij is aangegeven dat binnen het gestelde totaal en de voorschriften, het Bgo en Bvo voor nog in procedure te brengen deelgebieden kan wijzigen. Uit het overzicht blijkt dat de overschrijding aan oppervlakte in bestemmingsvlak V wordt gecompenseerd in bestemmingsvlak VI en in andere nog uit te werken bestemmingsvlakken. Voorts blijkt uit artikel 7, tweede lid, Algemeen, onder c, van de bestemmingsplanvoorschriften dat overschrijding gecompenseerd moet worden in een of meer andere bestemmingsvlakken en dat het totale Bgo en Bvo niet mag worden overschreden. Nu artikel 7 van de bestemmingsplanvoorschriften geldt voor het gehele uit te werken plangebied van Meer en Berg bestaat geen grond voor het oordeel dat compensatie in andere, nog uit te werken bestemmingsplannen voor dit plangebied in strijd is met de uitwerkingsregels.

2.5.5. Ten aanzien van de stedenbouwkundige opzet van bestemmingsvlak V is in de plantoelichting het volgende opgenomen: 'Tijdens de verkavelingstudies is duidelijk geworden, dat een geringe verschuiving van BGO en BVO ten opzichte van het Masterplan en bestemmingsplan Meer en Berg, leidt tot een beter plan. Niet alleen in Duinzicht-Nieuw Valckenburgh maar ook in andere bestemmingsvlakken.

(…) Het gebied is verdeeld in kavels variërend in oppervlakte, al naar gelang de landschappelijke ligging en het aantal bomen op de kavel. Voor gebied Duinzicht wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om extra vierkante meters Bruto Grond Oppervlak (BGO) te benutten (zie art. 7 lid 2 sub c van het bestemmingsplan Meer en Berg). Hierdoor wordt een optimale verhouding bereikt tussen woninggrootte en kaveloppervlakte. Uitgangspunt hierbij is dat het de stedenbouwkundige kwaliteit van Duinzicht verhoogt en tot het gewenste rustige eindbeeld leidt. Op de kavels worden vrijstaande en geschakelde woningen gebouwd.' Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich met verwijzing naar de plantoelichting in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende is gemotiveerd waarom afwijking van het vastgestelde Bgo en Bvo een positieve bijdrage levert aan de stedenbouwkundige waarden van het gebied.

2.5.6. Wat betreft de motivering voor de afwijking van het Bgo en het Bvo met betrekking tot de positieve bijdrage aan de stedenbouwkundige, ecologische, natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het totale plangebied blijkt uit de toelichting dat met het bestemmingsplan wordt gestreefd naar optimalisatie van het omliggende cultuurpark en het opgaan van de woningen in het duinlandschap. Voor het gebied Duinzicht is daarom gekozen voor een verruiming van het Bgo en het Bvo, terwijl in het zuidelijke deel van het bestemmingsplangebied een vermindering plaatsvindt, aldus de toelichting. Voor de uitwerking van deze visie op de verschillende waarden zijn onderzoeken verricht. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in het rapport Beeldkwaliteitplan "Duinzicht- Nieuw Valckenburgh", het rapport Cultuurhistorisch kader voor de ontwikkeling van het tweede deelgebied Duinzicht en Nieuw-Valckenburgh en de rapporten Monitoring Natuurwaarden 2003-2006, die ten grondslag hebben gelegen aan het plan. In de beantwoording van de zienswijze heeft de raad gesteld dat vanuit deze onderzoeken kaders zijn gesteld. Onder andere worden nieuwe (volwassen) bomen geplant, wordt duinbos gecreëerd en wordt in de geest van de oorspronkelijke landschapsparken de slingerende wegen- en padenstructuur voortgezet. Ook is rondom de woningen gekozen voor de bestemming "Doeleinden voor natuur en Landschap, landschappelijke tuin" die de huidige waarden beschermt en de ontwikkeling van toekomstige waarden mogelijk maakt. Daartoe is aan deze bestemming een aanlegvergunningenstelsel gekoppeld, aldus de raad. De Afdeling is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat voldoende is gemotiveerd dat afwijking van het Bgo en het Bvo een positieve bijdrage levert aan de stedenbouwkundige, ecologische, natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het totale plangebied.

2.6. Van de kant van de stichting en de vereniging is verder betoogd dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daartoe voeren zij aan dat uit het rapport Veldinventarisatie reptielen in Park Brederode (Bloemendaal) uitgevoerd door Ravon blijkt dat Meer en Berg het leefgebied is van de zandhagedis en de hazelworm. Bij besluit van 8 mei 2006 en 6 februari 2008 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor de hazelworm een ontheffing verleend. Op 3 maart 2008 heeft de Voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de Voorzieningenrechter) de verleende ontheffing echter vernietigd. Gelet op de motivering van die uitspraak is het volgens de stichting en de vereniging uitgesloten dat de ontheffing kan worden verkregen. De stelling in de beantwoording van de zienswijze dat ondanks deze uitspraak uitvoering van het uitwerkingsplan mogelijk is zonder overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ffw, is volgens hen dan ook onjuist.

2.6.1. Het college stelt dat de Afdeling bij uitspraak van 13 mei 2009 het vonnis van de Voorzieningenrechter van 3 maart 2008 heeft vernietigd zodat onder andere ten behoeve van de hazelworm op juiste gronden een ontheffing is verleend. Ten behoeve van de zandhagedis is uit inventarisatieonderzoeken gebleken dat deze soort niet in het plangebied voorkomt zodat geen ontheffing nodig is, aldus het college.

2.6.2. De vragen of voor de uitvoering van een plan een ontheffing nodig is en zo ja of die kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.6.3. Wat betreft de hazelworm stelt de Afdeling vast dat op 6 februari 2008 ontheffing is verleend. Weliswaar heeft de Voorzieningenrechter deze ontheffing voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit vernietigd, maar tegen deze uitspraak was ten tijde van het nemen van dat besluit hoger beroep ingesteld bij de Afdeling zodat deze vernietiging nog niet onherroepelijk was. Gelet hierop en op de beantwoording van de zienswijze waarin is aangegeven dat uit onderzoeken is gebleken dat de voorgenomen werkzaamheden naar verwachting geen verstorend effect zullen hebben op de verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde diersoorten, bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Overigens is de uitspraak van de Voorzieningenrechter inmiddels door de Afdeling vernietigd.

2.6.4. Het betoog van de stichting en de vereniging dat ontheffing voor de zandhagedis nodig is omdat deze is aangevraagd en verleend en dat, gezien de uitspraak van de Voorzieningenrechter, is uitgesloten dat de ontheffing kan worden verkregen mist feitelijke grondslag, nu noch de aanvraag, noch de uitspraak van de Voorzieningenrechter betrekking hadden op de zandhagedis. De stelling van de stichting en de vereniging dat ten onrechte geen ontheffing voor de zandhagedis is aangevraagd wordt weersproken door de verschillende onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan het plan, nu daaruit blijkt dat de zandhagedis incidenteel in het plangebied voorkomt. Ook in het door de stichting en de vereniging ingebrachte rapport Veldinventarisatie reptielen in Park Brederode (Bloemendaal) in 2008, is vastgesteld dat in 2007 en 2008 slechts tweemaal de zandhagedis in het plangebied is waargenomen en dat geen vaste verblijfplaatsen zijn gevonden. Gelet op het ontbreken van een vaste verblijfplaats heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.7. De stichting en de vereniging betogen voorts tevergeefs dat het onduidelijk is of het binnen de bestemming 'Doeleinden voor Natuur en Landschap N[1]lt' is toegestaan om ten behoeve van de bestemming 'Verkeers- en verblijfsdoeleinden V[1]' verlichting en bewegwijzering op te richten. De Afdeling ziet gelet op de bij deze bestemming behorende voorschriften geen aanleiding voor de gestelde onduidelijkheid.

2.8. De stichting en de vereniging stellen verder dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om binnen de bestemmingen 'Doeleinden voor Natuur en Landschap N[1]lt', 'Natuurpark' en 'Cultuurhistorisch Park' lantaarnpalen op te richten met een hoogte van 3,5 meter tot maximaal 4,5 meter. Dergelijke bouwwerken passen niet binnen deze bestemmingen omdat zich hier vleermuizen bevinden die door de verlichting verstoord worden. In de plantoelichting wordt hier volgens hen onvoldoende op ingegaan, hetgeen in strijd is met artikel 7, tweede lid, sub i van de bestemmingsplanvoorschriften en de goede ruimtelijke ordening. Ook is in de toelichting bepaald dat de lantaarnpalen maximaal 3,5 meter hoog mogen zijn en geel-wit licht moeten uitstralen terwijl in de voorschriften voor wat betreft de bestemming 'Cultuurhistorisch Park' een maximum van 4,5 meter is opgenomen en over de geel-witte verlichting niets is vastgelegd.

2.8.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat in het plan geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen zodat verlichting geen verstorende werking kan hebben.

2.8.2. In de plantoelichting is opgenomen dat blijkens het rapport van Twist en Kriek uit 2007, in het bestemmingsplangebied zes verschillende vleermuissoorten voorkomen. In het plangebied zijn evenwel geen broedkolonies of verblijfplaatsen van deze soorten aangetroffen. Van een drietal soorten zijn aanvliegroutes waargenomen. Daarbij ging het, aldus de toelichting, om maximaal tien dieren die waarschijnlijk hun verblijfplaats hebben in de bebouwde kom van Bloemendaal. Duidelijke vliegroutes zijn niet vastgesteld. In de Notitie Visie Openbare Verlichting Park Brederode is ten aanzien van verlichting gesteld dat deze in Duinzicht alleen wordt geplaatst langs wegen en calamiteitenpaden. In de voorschriften bij de genoemde bestemmingen is daartoe tevens bepaald dat verlichting op een afstand van ten hoogste twee meter uit de bestemmingsgrens van de bestemming 'Verkeers- en verblijfsdoeleinden V[1]' mag worden gerealiseerd.

2.8.3. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan, voor zover daarin straatverlichting wordt mogelijk gemaakt, in strijd is met artikel 7, tweede lid, van de uitwerkingsregels of een goede ruimtelijke ordening nu door middel van onderzoek is aangetoond dat geen verstorend effect optreedt voor vleermuizen doordat geen verblijfplaatsen en vaste aanvliegroutes zijn aangetroffen. Bovendien is door de beperking dat alleen aan de rand van de bestemming verlichting mag worden opgericht rekening gehouden met de aard van de bestemmingen.

2.8.4. De stelling van de stichting en de vereniging dat ten onrechte in de voorschriften voor lantaarnpalen voor wat betreft de bestemming 'Cultuurhistorisch Park' een hoogte van maximaal 4,5 meter is vastgesteld mist feitelijke grondslag. Naar aanleiding van de zienswijze is de hoogte in de betreffende voorschriften aangepast naar 3,5 meter.

Ook het betoog dat in de voorschriften ten onrechte niet is bepaald dat verlichting geel-wit moet zijn kan niet slagen nu, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.8.2 is overwogen, in het plangebied geen verblijfplaatsen en vaste aanvliegroutes van vleermuizen zijn aangetroffen.

2.9. De stichting en de vereniging betogen verder dat ten onrechte voor de subbestemming 'Waardevolle boom' in artikel 7, achtste lid, van het plan een vrijstelling is opgenomen voor met de bestemming strijdig gebruik als genoemd in het zevende lid. Dit is volgens hen in strijd met artikel 15 van de WRO.

Ook dit betoog treft geen doel nu de vrijstelling in artikel 7, achtste lid, ziet op de bebouwingsvoorschriften als genoemd in artikel 7, tweede lid. Daartegen verzet artikel 15 van de WRO zich niet.

2.10. Tot slot betogen de stichting en de vereniging dat de in artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften opgenomen verplichting om bij de gestapelde woningen ondergronds te parkeren in strijd is met de in artikel 12 opgenomen verplichting dat beneden een bepaalde diepte alleen gegraven mag worden indien een aanlegvergunning is verleend. Zij stellen dat indien geen aanlegvergunning kan worden verleend nog steeds de verplichting bestaat om ondergronds te parkeren. In de beantwoording van de zienswijze is tegemoet gekomen aan dit bezwaar en is aan artikel 11, tweede lid, toegevoegd: "Indien geen aanlegvergunning wordt verkregen dient het parkeren elders in het hoofdgebouw te worden opgenomen". De stichting en de vereniging hebben geen redenen aangevoerd waarom met deze aanpassing van de voorschriften niet tegemoet is gekomen aan hun zienswijze, zodat het beroep op dit punt faalt.

2.11. De conclusie is dat hetgeen de stichting en de vereniging hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009

429-608.