Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6711

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200903678/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de verbreding van de uitweg van het perceel van de [vergunninghouder] aan de [locatie te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903678/1/H3.

Datum uitspraak: 16 december 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de op 10 april 2009 verzonden uitspraak van de rechtbank Breda in zaak nr. 08/1509 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de verbreding van de uitweg van het perceel van de [vergunninghouder] aan de [locatie te [plaats].

Bij besluit van 2 oktober 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het door [appellant] tegen het besluit van 10 maart 2006 gemaakte bezwaar.

Bij uitspraak van 6 februari 2008 in zaak nr. 200704717/1 heeft de Afdeling het door [vergunninghouder] daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar heeft [appellant] bij brief van 26 maart 2008 beroep ingesteld.

Bij besluit van 10 april 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het aanpassen van een bestaande uitweg naar de openbare weg.

Bij besluit van 13 juni 2008 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 10 maart 2006 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het door [appellant] tegen het besluit van 10 april 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij ongedateerde uitspraak, verzonden op 10 april 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant] tegen het besluit van 13 juni 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[Vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.W.M.F.J. van den Brule en C. Prins, ambtenaren in dienst van de gemeente, is verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard.

2.2. Ingevolge artikel 2.1.4.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Breda 2004 is het verboden om zonder vergunning van het college:

a. een uitweg te maken naar de weg;

b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Ingevolge het derde lid kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van de gevraagde uitwegvergunning. Volgens hem is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van de ter zitting afgelegde verklaring van deskundige Geervliet, inhoudende dat het veiliger en doelmatiger is als vrachtwagens linksaf achteruit de uitweg van [vergunninghouder] inrijden. Hij wijst daarbij op een rapport van de voormalige Raad voor de Transportveiligheid. Verder had het college volgens hem het advies van verkeerskundige Geervliet niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen.

2.3.1. Het betoog faalt. Het door [appellant] genoemde rapport bevestigt juist hetgeen de deskundige Geervliet ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard en in zijn advies naar voren heeft gebracht, nu in het rapport vermeld staat dat het achteruit inrijden van uitritten eigenlijk alleen linksafslaand mogelijk is en dat een vrachtautobestuurder alleen bij een linksafslaande achteruitrijmanoeuvre voldoende zicht op de uitrit heeft. De stelling dat in alle deskundigenberichten en adviezen die over dit onderwerp zijn uitgebracht de voorkeur wordt gegeven aan rechtsafslaand achteruit inrijden, is door [appellant] niet onderbouwd omdat hij niet heeft gespecificeerd op welke adviezen en deskundigenberichten hij doelt. Hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd is onvoldoende voor het oordeel dat het advies van de verkeerskundige gebreken vertoont en door het college niet mede als grondslag voor de besluitvorming gebruikt mocht worden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van de gevraagde uitwegvergunning.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.

176-640.