Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6707

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200902740/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2004, voor zover thans van belang, heeft de raad van de gemeente Valkenswaard (hierna: de raad) de aan [appellant sub 2] en [vijf partijen] (hierna: [appellant sub 2] en anderen) en [appellant sub 1] in eigendom toebehorende percelen (hierna: de percelen), zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende kadastrale tekening, aangewezen als gronden, waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) van toepassing zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902740/1/H3.

Datum uitspraak: 16 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Waalre,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Dommelen, gemeente Valkenswaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 maart 2009 in de zaken nrs. 08/530, 08/1570, 08/1586 in het geding tussen:

[wederpartijen]

en

de raad van de gemeente Valkenswaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2004, voor zover thans van belang, heeft de raad van de gemeente Valkenswaard (hierna: de raad) de aan [appellant sub 2] en [vijf partijen] (hierna: [appellant sub 2] en anderen) en [appellant sub 1] in eigendom toebehorende percelen (hierna: de percelen), zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende kadastrale tekening, aangewezen als gronden, waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) van toepassing zijn.

Bij besluit van 26 januari 2006 heeft de raad de geldigheidsduur van dat besluit met een jaar verlengd.

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) aan de raad een voorstel gedaan om onder meer de percelen aan te wijzen als gronden, waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.

Bij besluit van 26 april 2007 heeft de raad de percelen aangewezen als gronden, waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.

Bij besluit van 27 maart 2008 heeft de raad, voor zover thans van belang, het door [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 26 januari 2006 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de door hen en [appellant sub 1] tegen het besluit van 26 april 2007 gemaakte bezwaren ongegrond.

Bij uitspraak van 5 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant sub 2] en anderen en het door[appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2009, en [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft de gronden aangevuld bij brief van 18 mei 2009.

[appellant sub 2] en anderen hebben bij onderscheiden brieven van 15 mei, 26 juni, 24 september en 1 oktober 2009 nadere stukken ingediend. [appellant sub 1] heeft dat bij brief van 30 september 2009 gedaan, de raad bij brief van 2 oktober.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2009, waar [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], [appellant sub1], vertegenwoordigd door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W.H.F. Gerritsen, J.A.W.M. Loeffen, beiden werkzaam bij De Lorijn Raadgevers o.g, en C.J.J.A. Sandkuijl, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg, zoals die luidde ten tijde van belang, kunnen bij besluit van de gemeenteraad gronden, begrepen in een structuurplan, waarbij aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming, of in een bestemmingsplan, worden aangewezen als gronden, waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van toepassing zijn.

Ingevolge het tweede lid komen voor een aanwijzing, als bedoeld in het eerste lid, alleen in aanmerking de gronden, waaraan bij het structuurplan, onderscheidenlijk het bestemmingsplan een niet-agrarische bestemming is toegedacht, onderscheidenlijk gegeven en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.

Ingevolge het vierde lid geldt een besluit, als bedoeld in het eerste lid, dat betrekking heeft op in een structuurplan begrepen gronden voor een daarbij te stellen termijn van ten hoogste twee jaar. De gemeenteraad kan die termijn éénmaal met ten hoogste één jaar verlengen.

2.2. Bij besluit van 26 april 2007 heeft de raad het bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid" vastgesteld. In dit plan zijn de percelen opgenomen. Bij besluit van 11 december 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan dit bestemmingsplan gedeeltelijk goedkeuring onthouden en voor het overige verleend. De Afdeling heeft dat besluit bij uitspraak van 25 maart 2009 in zaak nr. 200800772/1 gedeeltelijk vernietigd en aan het bestemmingsplan gedeeltelijk goedkeuring onthouden en voor het overige verleend.

In het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.3. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de raad het door hen tegen het besluit van 26 januari 2006 gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3.1. Dit betoog faalt. De bij het besluit van 26 januari 2006 gevestigde voorkeursrechten zijn met de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit van 28 november 2006 vervallen. [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij niettemin belang hebben bij het door hen gemaakte bezwaar.

2.4. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat, zelfs indien hun stelling dat het aanwijzingsbesluit van 16 september 2003 niet tijdig is opgevolgd door een nieuw aanwijzingsbesluit juist is, dit niet betekent dat de aanwijzingsbesluiten van 28 november 2006 en 26 april 2007 onrechtmatig zijn, heeft miskend dat de door het college bij het besluit van 16 september 2003 op de percelen gevestigde voorkeursrechten tot uiterlijk 18 september 2006 gelding hadden. Nu voor die dag geen ontwerp-bestemmingsplan ter inzage was gelegd, moeten de voorkeursrechten worden geacht op die dag te zijn vervallen, aldus [appellant sub 2] en anderen

2.4.1. Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, ook indien het aanwijzingsbesluit van 16 september 2003 niet tijdig door een nieuwe aanwijzingsbesluit is opgevolgd, dit niet meebrengt dat de aanwijzingsbesluiten van 28 november 2006 en 26 april 2007 onrechtmatig zijn. Ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorkeursrechten moeten worden geacht op 18 september 2006 te zijn vervallen. De raad heeft op de percelen bij besluit van 29 januari 2004 krachtens artikel 2 van de Wvg voorkeursrechten gevestigd. Deze voorkeursrechten golden ingevolge artikel 2, vierde lid, voor ten hoogste twee jaar. Bij het besluit van 26 januari 2006 heeft de raad deze termijn krachtens artikel 2, vierde lid, met een jaar verlengd.

2.5. [appellant sub 2] en anderen verwijzen in hun hoger beroepschrift voorts naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2009. Anders dan zij hiermee kennelijk beogen te betogen, heeft deze uitspraak niet tot gevolg dat het aanwijzingsbesluit van 26 april 2007 is vervallen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond.

In het hoger beroep van [appellant sub 1]

2.7. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid" behorende voorschriften, zoals die luidden ten tijde van belang, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Natuur- uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor:

a. natuurbehoud, herstel en (verdere) ontwikkeling van een natuurgebied met natuurwaarden, landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische en waterhuishoudkundige waarden;

b. een waterbergings-/inundatiegebied;

c. de instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige biotopen en het ontwikkelen van ecologische verbindingszones;

d. het aanbrengen en in stand houden van landschappelijk/ecologisch waardevolle elementen;

e. extensief agrarisch medegebruik, waaronder begrepen volkstuinen en dahliavelden ten behoeve van het bloemencorso;

f. extensief dagrecreatief medegebruik, waaronder in ieder geval wordt begrepen de aanleg en instandhouding van fiets- en voetpaden en een uitkijkplatform;

g. houtopstanden en overige groenvoorzieningen;

h. waterhuishoudkundige voorzieningen;

(…)

Onder "extensief agrarisch medegebruik" wordt ingevolge artikel 1, onder 134, een vorm van grondgebonden landbouw, zoals beweiding in lage veebezetting en de verbouw van akkerbouwproducten, in hoofdzaak gericht op de instandhouding en/of vergroting van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, verstaan.

2.8. De rechtbank heeft uit artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften afgeleid dat aan het perceel van [appellant sub 1] (hierna: het perceel) een natuurbestemming is toegekend. Dat aan het perceel medebestemmingen, zoals "extensief agrarisch medegebruik", zijn toegekend maakt de hoofdbestemming tot natuur volgens haar niet anders. Deze hoofdbestemming is niet agrarisch van aard en wijkt voorts af van het thans feitelijk plaatsvindende agrarische gebruik. Volgens haar is aan de toepassingsvereisten, als gesteld in artikel 2 van de Wvg, voldaan.

2.9. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het beoogde gebruik, waaronder de medebestemming "extensief agrarisch medegebruik", niet van het huidige agrarische gebruik afwijkt. Bovendien is volgens hem als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2009 geenszins zeker dat de plannen, met het oog waarop het voorkeursrecht is gevestigd, zullen worden uitgevoerd.

2.9.1. Aan het perceel is in het bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid" de bestemming "Natuur- uit te werken" toegekend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dat betekent dat op het perceel een niet-agrarische bestemming rust. Uit de omschrijving van de betekenis van de term extensief agrarisch medegebruik, dat binnen deze bestemming onder meer is toegelaten, volgt dat ook dit gericht moet zijn op de instandhouding en/of vergroting van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en dat het medegebruik ook ten dienste moet staan van deze waarden. De aan het perceel toegekende natuurbestemming moet nog worden uitgewerkt. Dat na de uitwerking van de bestemming in een uitwerkingsplan een bepaalde vorm van extensief agrarisch medegebruik van de percelen niet is uitgesloten, is onvoldoende voor het oordeel dat in dit geval ten tijde van het besluit op bezwaar niet aan het vereiste van artikel 2, tweede lid, van de Wvg, dat sprake moet zijn van gebruik dat afwijkt van het plan, was voldaan. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat ten tijde van de vestiging van het voorkeursrecht aan de vereisten daarvoor was voldaan. Ten tijde van het besluit van 26 april 2007 was het aan dit besluit ten grondslag gelegde bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid" vastgesteld. De Wvg vereist voor het vestigen van een voorkeursrecht geen in rechte onaantastbaar bestemmingsplan. De door [appellant sub 1] vermelde uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2009 dateert van na het besluit op bezwaar en doet niet af aan de bevoegdheid van de raad het voorkeursrecht te vestigen. Reeds daarom kan de stelling van [appellant sub 1] dat na deze uitspraak geenszins zeker is dat aan de in het bestemmingsplan voorziene woningbouw en bedrijventerrein uitvoering zal worden gegeven, geen doel treffen, nog daargelaten dat de raad heeft gesteld dat het realiseren van de bestemming "Natuur - uit te werken" een op zichzelf staande ontwikkeling betreft, waaraan nog steeds uitvoering kan worden gegeven. Ook de gestelde omstandigheid dat [appellant sub 1] voor het perceel over een in rechte onaantastbare bouwvergunning beschikt, waarmee bij de uitwerking van de bestemming rekening moet worden gehouden, leidt niet tot het oordeel dat ten tijde van belang geen voorkeursrecht gevestigd mocht worden, als is gebeurd.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond.

In beide hoger beroepen

2.11. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Idema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009

512.