Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6687

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200906963/1/M2 en 200906963/3/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2009 heeft het college krachtens artikel 8.25, eerste lid, van de Wet milieubeheer de bij besluit van 16 december 2008 aan [vergunninghouders] verleende milieuvergunning voor een veehouderij aan de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] ingetrokken. Dit besluit is, voor zover hier van belang, op 30 juli 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906963/1/M2 en 200906963/3/M2.

Datum uitspraak: 9 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rhenen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2009 heeft het college krachtens artikel 8.25, eerste lid, van de Wet milieubeheer de bij besluit van 16 december 2008 aan [vergunninghouders] verleende milieuvergunning voor een veehouderij aan de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] ingetrokken. Dit besluit is, voor zover hier van belang, op 30 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2009, hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 november 2009 waar [appellanten], van wie [gemachtigde] in persoon en vertegenwoordigd door drs. ing. B.A.S. Domhof, zijn verschenen.

In de omstandigheid dat het college ter zitting niet vertegenwoordigd was, heeft de voorzitter aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te schorsen.

De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting hervat op 9 november 2009, waar [appellanten], van wie [gemachtigde] in persoon en vertegenwoordigd door drs. ing. B.A.S. Domhof, en het college, vertegenwoordigd door A. van Brenk en J.G.M. Haverkamp, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting op 9 november 2009 toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Volgens het bestreden besluit is het college er bij verlening van de milieuvergunning van 16 december 2008 voor de veehouderij aan de [locatie 1]-[locatie 2] ten onrechte van uitgegaan dat de woning [locatie 2] deel uitmaakt van deze veehouderij. Na verlening van deze milieuvergunning is volgens het college gebleken dat deze woning reeds deel uitmaakt van een andere in de omgeving gelegen veehouderij waarvoor bij besluit van 29 juni 1982 een Hinderwetvergunning is verleend. Wat betreft de woning [locatie 2] wordt volgens het college niet voldaan aan de ingevolge artikel 5 van de Wet geurhinder en veehouderij vereiste minimumafstand van 25 meter tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en de buitenzijde van een dierenverblijf, aangezien de afstand tussen de woning en een van de veehouderij deel uitmakende vleesstierenstal 21,7 meter bedraagt. Ten gevolge hiervan en omdat het aantal vleesstieren en het aantal legkippen toeneemt, ontstaan volgens het college ontoelaatbare gevolgen voor het milieu in de zin van artikel 8.25, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Deze gevolgen kunnen niet worden voorkomen door op grond van artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning van 16 december 2008 aanvullende voorschriften te verbinden. Het college heeft de milieuvergunning van 16 december 2008 daarom op grond van artikel 8.25, eerste lid, van de Wet milieubeheer ingetrokken.

2.3. Ingevolge artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt.

2.4. [appellanten] voeren aan dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de woning [locatie 2] geen deel uitmaakt van de veehouderij waarvoor bij besluit van 16 december 2008 een milieuvergunning is verleend. Volgens hen blijkt uit een door de bewoonster van de woning opgestelde verklaring dat de woning wel tot deze veehouderij behoort. Voorts stellen zij zich op het standpunt dat, ook wanneer de woning van die veehouderij geen deel uitmaakt, de veehouderij geen ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu bij de woning veroorzaakt, omdat de woning slechts 3,3 meter dichter bij de veehouderij is gelegen dan volgens het college op grond van de Wet geurhinder en veehouderij is toegestaan.

2.4.1. Op 22 januari 2008 heeft [vergunninghouder] bij het college een aanvraag ingediend om een milieuvergunning voor de veehouderij aan de [locatie 1]-[locatie 2]. Volgens pagina 8 van deze aanvraag maakt de woning [locatie 2] van de veehouderij deel uit. Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] een milieuvergunning verleend voor de veehouderij. De genoemde aanvraag maakt blijkens dit besluit deel uit van de vergunning. Dit besluit is inmiddels onherroepelijk geworden. Dat, zoals het college betoogt, de bedrijfswoning niet als onderdeel van de inrichting had mogen worden aangevraagd en vergund omdat deze woning volgens het college onderdeel is van een in 1982 krachtens de Hinderwet verleende vergunning voor een naastgelegen veehouderij, brengt niet mee dat het besluit van 16 december 2008 gedeeltelijk - voor zover de woning als bedrijfswoning is vergund - nietig is of door het college kon worden ingetrokken.

2.4.2. Nu de woning [locatie 2] volgens het besluit van 16 december 2008 deel uitmaakt van de inrichting waarvoor vergunning is verleend, veroorzaakt de inrichting bij deze woning geen ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu in de zin van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Deze gevolgen kunnen zich immers uitsluitend voordoen buiten de inrichting. Het college heeft daarom ten onrechte geconcludeerd dat het op grond van artikel 8.25 bevoegd was de vergunning in te trekken.

De voorzitter komt derhalve niet toe aan de vraag of indien de woning niet van de veehouderij deel zou uitmaken, de omstandigheid dat de woning op 21,7 meter afstand van een tot de veehouderij behorende vleesstierenstal is gelegen voldoende zou zijn voor het oordeel dat de veehouderij ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt als bedoeld in artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer.

2.5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 29 juni 2009 komt voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rhenen van 29 juni 2009;

III. wijst het verzoek af;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rhenen tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.414,50 (zegge: veertienhonderdveertien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rhenen aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 300,00 (zegge: driehonderd euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009

262-578.