Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6167

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
200907462/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / asielaanvraag / dublinclaim / uitzettingshandelingen niet mogelijk / voortvarendheid

Aan het vereiste van de voortvarendheid wordt geen afbreuk gedaan indien, gelet op de omstandigheden van het geval, in de periode waarin nog op de asielaanvraag van de desbetreffende vreemdeling moet worden beslist, het verrichten van (verdere) handelingen ter voorbereiding van de uitzetting die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting niet mogelijk is. Die situatie doet zich hier voor. Niet gebleken is dat de staatssecretaris voorafgaande aan het te nemen besluit op de asielaanvraag van de vreemdeling, reeds handelingen als vorenbedoeld had kunnen verrichten. De effectuering van de overdracht van de vreemdeling aan Italië op grond van het reeds door dat land afgegeven claimakkoord kan eerst ter hand worden genomen indien een besluit op de asielaanvraag is genomen.

Het voorgaande neemt niet weg dat in het geval de lopende asielprocedure het verrichten van (verdere) handelingen ter voorbereiding van de uitzetting in de weg staat, van de staatssecretaris in beginsel kan worden gevergd dat hij, om de duur van de bewaring zo beperkt mogelijk te houden, een spoedige beslissing op de asielaanvraag neemt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/34

Uitspraak

200907462/1/V3.

Datum uitspraak: 30 november 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 17 september 2009 in zaak nr. 09/31500 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2008 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 september 2009, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu zijn asielaanvraag in behandeling is genomen en Italië zich al bereid heeft verklaard hem over te nemen, de omstandigheid dat nog op de asielaanvraag moet worden beslist geen reden is voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van de vreemdeling werkt. Daartoe betoogt de vreemdeling het volgende. De rechtbank heeft aldus miskend dat het aanhangig zijn van een asielprocedure niet afdoet aan de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om het onderzoek dat nodig is voor de uitzetting zo spoedig mogelijk aan te vangen en dat de staatssecretaris vanaf de inbewaringstelling tot aan de zitting bij de rechtbank geen enkele handeling ter voorbereiding van de uitzetting heeft verricht. De staatssecretaris heeft geen contact opgenomen met de Italiaanse autoriteiten om een afspraak te maken voor de overdracht. Evenmin is hem verzocht om zijn asielaanvraag in te trekken. Voorts is tot dusver ter zake van die aanvraag nog geen schriftelijk voornemen tot afwijzing daarvan uitgebracht, aldus de vreemdeling.

2.2. Niet in geschil is dat de staatssecretaris tot aan de zitting bij de rechtbank geen handelingen ter voorbereiding van de uitzetting heeft verricht.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2007 in zaak nr. 200707471/1, www.raadvanstate.nl) is inbewaringstelling op de voet van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, nu die slechts is geoorloofd met het oog op de uitzetting van de vreemdeling, onrechtmatig indien de staatssecretaris na inbewaringstelling geen handelingen ter voorbereiding van de uitzetting verricht. Bij een vreemdeling die, zoals in dit geval, een asielaanvraag heeft ingediend, moeten totdat op die aanvraag is beslist handelingen ter voorbereiding van de uitzetting waarbij contact moet worden gelegd met het land van herkomst van de desbetreffende vreemdeling in beginsel achterwege blijven. Dat betekent echter niet dat in een dergelijk geval in het geheel geen handelingen ter voorbereiding van de uitzetting kunnen plaatsvinden. De staatssecretaris kan daarom in zijn algemeenheid niet, tot op de asielaanvraag is beslist, steeds handelingen ter voorbereiding van de uitzetting in het geheel achterwege laten. In zoverre is de klacht van de vreemdeling terecht voorgedragen.

De grief leidt evenwel niet tot het ermee beoogde doel. Aan het vereiste van de voortvarendheid wordt geen afbreuk gedaan indien, gelet op de omstandigheden van het geval, in de periode waarin nog op de asielaanvraag van de desbetreffende vreemdeling moet worden beslist, het verrichten van (verdere) handelingen ter voorbereiding van de uitzetting die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting niet mogelijk is. Die situatie doet zich hier voor. Niet gebleken is dat de staatssecretaris voorafgaande aan het te nemen besluit op de asielaanvraag van de vreemdeling, reeds handelingen als vorenbedoeld had kunnen verrichten. De effectuering van de overdracht van de vreemdeling aan Italië op grond van het reeds door dat land afgegeven claimakkoord kan eerst ter hand worden genomen indien een besluit op de asielaanvraag is genomen.

Het voorgaande neemt niet weg dat in het geval de lopende asielprocedure het verrichten van (verdere) handelingen ter voorbereiding van de uitzetting in de weg staat, van de staatssecretaris in beginsel kan worden gevergd dat hij, om de duur van de bewaring zo beperkt mogelijk te houden, een spoedige beslissing op de asielaanvraag neemt. Hoewel de asielaanvraag van de vreemdeling reeds dateert van 21 november 2008, kan uit de dossierstukken worden opgemaakt dat eerst op 28 augustus 2009 een geslaagd dactyloscopisch onderzoek heeft kunnen plaatsvinden en pas toen is kunnen blijken dat reeds een claimakkoord van Italië ten behoeve van de vreemdeling voorhanden was. Op dezelfde dag heeft, voorafgaand aan de inbewaringstelling van de vreemdeling, in het kader van de behandeling van zijn asielaanvraag een nader gehoor plaatsgevonden, waarna de vreemdeling tot 25 september 2009 in de gelegenheid is gesteld correcties en aanvullingen op het rapport van dat nader gehoor uit te brengen. Ten tijde van de zitting van de rechtbank was die termijn nog niet verstreken. Onder deze omstandigheden kan de vreemdeling niet worden gevolgd in zijn betoog dat de staatssecretaris in de door hem te betrachten voortvarendheid te kort is geschoten, omdat zich sedert de inbewaringstelling in de asielprocedure geen verdere ontwikkelingen hebben voorgedaan.

De grief faalt.

2.3. Grief 2 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest Ahlers, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Soest-Ahlers

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2009

343.

Verzonden: 30 november 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak