Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6157

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
200902770/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dublin-verordening / interstatelijk vertrouwensbeginsel / geen ruimte voor toetsing of in lidstaat juiste inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden

De Nederlandse rechter dient in beginsel niet te treden in de vraag of de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke autoriteiten van een lidstaat tot een inhoudelijk juist oordeel zijn gekomen naar aanleiding van het door de vreemdeling in die lidstaat ingediende asielverzoek. Evenmin is het aan de Nederlandse rechter te onderzoeken of de Nederlandse autoriteiten of de Nederlandse rechter op grond van het aan de in de respectievelijke lidstaten ingediende asielverzoek ten grondslag gelegde feitencomplex tot een ander oordeel zouden zijn gekomen. De voorzieningenrechter heeft door dit wel te doen zich ten onrechte niet beperkt tot de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de tekortkomingen in de Bulgaarse asielprocedure van dien aard zijn dat moet worden geconcludeerd ten aanzien van hem niet kan worden vastgesteld of hij de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico's loopt indien hij naar zijn land van herkomst moet terugkeren en hij daardoor het risico loopt dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen inzake non-refoulement jegens hem niet zal nakomen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902770/1/V3.

Datum uitspraak: 9 december 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 24 maart 2009 in zaak nrs. 08/43901 en 08/43904 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 april 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn reactie betoogt de vreemdeling dat het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de schriftelijke lastgeving in opdracht is ondertekend en niet blijkt of de ondertekenaar bevoegd is hoger beroep in te stellen.

2.2. Op 20 juli 2005 is de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst 2005 (Stcrt. 2005, 136; hierna: de regeling) in werking getreden.

Het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft bij artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de regeling en de daarbij behorende bijlage, voor zover thans van belang, senior procesvertegenwoordigers van de Procesdirectie Procesvertegenwoordiging gemachtigd tot het aanwenden van rechtsmiddelen.

Uit de overgelegde machtiging blijkt en niet bestreden is dat de indiener van het hoger-beroepschrift senior procesvertegenwoordiger is en namens de staatssecretaris dit beroepschrift heeft ingediend. De enkele omstandigheid dat de machtiging per opdracht is ondertekend, doet aan vorenstaande niet af.

Het betoog van de vreemdeling faalt.

2.3. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) wordt onder het behandelen van een asielverzoek verstaan: alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een asielverzoek overeenkomstig het nationale recht, met uitzondering van de procedures waarbij wordt bepaald welke lidstaat krachtens de bepaling van deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de Verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, is de lidstaat die krachtens de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek verplicht het asielverzoek volledig te behandelen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder e, is de lidstaat die krachtens de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek verplicht een onderdaan van een derde land wiens verzoek is afgewezen en die zich ophoudt in een andere lidstaat zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen, volgens de in artikel 20 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, komt de verantwoordelijkheid van een lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek te vervallen indien hij na de afwijzing van het verzoek de nodige maatregelen heeft genomen en ten uitvoer heeft gelegd om ervoor te zorgen dat de onderdaan van een derde land zich begeeft naar zijn land van herkomst of naar een ander land waar hij legaal mag binnenkomen.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, wordt van de mogelijkheid om op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening het asielverzoek zelf te behandelen, terughoudend gebruik gemaakt.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.2, voor zover thans van belang, wordt ten principale op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.

2.4. De voorzieningenrechter heeft, voor zover thans van belang, het volgende overwogen.

"2.5.2. Verzoeker heeft een vertaalde kopie overgelegd van de uitspraak van de rechtbank te Sliven (Bulgarije) van 13 februari 2008. In die uitspraak is het beroep tegen de afwijzing van zijn asielverzoek ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Blijkens de tekst van die uitspraak heeft eiser in Bulgarije aan zijn asielverzoek ten grondslag gelegd dat hij tot oktober 2006 in de stad Nadzhaf heeft gewerkt als bewaker voor het Amerikaanse bedrijf KBR, en dat hij in augustus 2007 daarom met de dood werd bedreigd door een man van het leger van Mahdi. Een vergelijkbare verklaring heeft verzoeker afgelegd in Nederland.

In de uitspraak van de Bulgaarse rechter is de ongegrondverklaring van het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag als volgt gemotiveerd:

"Uit het standpunt van de Directie Internationaal Recht bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzake het Staatsagentschap voor asielzoekers bij de Ministerraad blijkt, dat er geen regio's zijn waar de internationale en de Irakese manschappen de illegale bewapende eenheden of terroristische groepen niet kunnen tegenwerken. De tegenwerking wordt tot stand gebracht óf door de Irakese veiligheidstroepen zelf in de provincies, waar de controle over de veiligheid aan hen is overgedragen, óf door de internationale en de Irakese krachten gezamenlijk, of door speciale eenheden van de internationale en de Irakese krachten voor het stoppen van de wapen-, mensen- of geldsmokkel bij de grens tussen Iran en Syrië."

De rechtbank begrijpt die overweging aldus, dat de rechtbank op grond van overheidswege verstrekte informatie oordeelt dat het verkrijgen van bescherming in Irak in zijn algemeenheid en te allen tijde mogelijk is.

2.5.3. Paragraaf 3.4.9. van het algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over Irak van 27 juni 2008, waarop verzoeker zich heeft beroepen, luidt - voor zover thans van belang - als volgt:

"Personen die kenbaar werkzaam zijn of waarvan wordt vermoed dat zij voor de nieuwe regering, de coalitie, de MNF-I, internationale organisaties, waaronder hulporganisaties, buitenlandse overheden, buitenlandse journalisten en persagentschappen, westerse bedrijven en ambassades of het Iraakse leger werken en hun directe familieleden, lopen een zeer hoog risico doelwit te worden van aanslagen, ontvoering of moord. (…)

Internationale en Amerikaanse bedrijven zijn veelal werkzaam in Irak als Contractor en hebben derhalve geen vestiging in Irak. Onder andere de Amerikaanse bedrijven KBR, L-3 Communications, Triple Canopy, DynCorp International en Parsons Corporation hebben in Irak lokale werknemers in dienst. (…)

Lokale medewerkers van internationale troepen kunnen slechts op bescherming rekenen zolang zij bij deze troepen zijn. Eenmaal thuis worden zij niet door de betreffende internationale troepen beschermd."

2.5.4. De vraag of hetgeen verzoeker stelt dat hem is overkomen is aan te merken als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een behandeling als verboden door artikel 3 EVRM, is in de Bulgaarse noch in de Nederlandse procedure aan de orde geweest. De rechter zal zich daarom onthouden van een oordeel op dit punt.

Uit het vorenstaande blijkt van een verschil tussen de Bulgaarse en de Nederlandse door de overheid verstrekte informatie ten aanzien van de mogelijkheid van het verkrijgen van bescherming in Irak tegen de problemen als die verzoeker heeft ondervonden als gevolg van zijn werkzaamheden voor het Amerikaanse veiligheidsbedrijf KBR. Omdat de Bulgaarse rechter (kennelijk) voor een niet onbelangrijk deel zijn oordeel baseert op die informatie, die op dit onderdeel afwijkt van de informatie waarop de Nederlandse rechter een oordeel (mede) baseert, bestaat de mogelijkheid dat overdracht van verzoeker aan Bulgarije in strijd zal zijn met het verbod van refoulement, dan wel met artikel 3 EVRM."

2.5. In de enige grief betoogt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter, door te overwegen als hij heeft gedaan, heeft miskend dat het niet aan de rechter is om in het kader van een procedure waarbij artikel 30, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in het geding is, het toelatingsbeleid van Nederland te beoordelen ten opzichte van dat van een ander land. Uit de door de vreemdeling overgelegde uitspraak van de Bulgaarse rechter blijkt niet dat de procedurele waarborgen in het geval van de vreemdeling niet zouden worden nageleefd. Onder verwijzing naar de beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 2 december 2008 in zaak nr. 32733/08, K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2009/41) betoogt de staatssecretaris dat, indien de vreemdeling het niet eens is met de uitspraak van de Bulgaarse rechter, hij vanuit Bulgarije een procedure aanhangig kan maken bij het EHRM. Gelet op het vorenstaande bestaat er geen aanleiding om de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening in behandeling te nemen, aldus de staatssecretaris.

2.6. Niet in geschil is dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De vreemdeling stelt dat Nederland het asielverzoek aan zich dient te trekken op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening omdat Bulgarije, door hem uit te zetten naar zijn land van herkomst, de refoulementverboden neergelegd in het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM, zal schenden.

2.6.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening is Bulgarije gehouden het asielverzoek volledig te behandelen, hetgeen, gelet op de begripsomschrijving in artikel 2, aanhef en onder e, en het bepaalde in artikel 16, vierde lid, mede omvat dat de verantwoordelijke lidstaat de nodige maatregelen neemt en ten uitvoer legt om ervoor te zorgen dat de vreemdeling wiens asielverzoek is afgewezen die lidstaat verlaat. In het kader van dat artikelonderdeel is voorts, voor zover thans van belang, eerst dan sprake van concrete aanwijzingen dat Bulgarije zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens de vreemdeling niet zal nakomen, indien deze aannemelijk heeft gemaakt dat hij, voordat kan worden vastgesteld of hij de in voormelde verdragen genoemde risico’s loopt, naar het land van herkomst wordt uitgezet.

2.6.2. De Nederlandse rechter dient in beginsel niet te treden in de vraag of de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke autoriteiten van een lidstaat tot een inhoudelijk juist oordeel zijn gekomen naar aanleiding van het door de vreemdeling in die lidstaat ingediende asielverzoek. Evenmin is het aan de Nederlandse rechter te onderzoeken of de Nederlandse autoriteiten of de Nederlandse rechter op grond van het aan de in de respectievelijke lidstaten ingediende asielverzoek ten grondslag gelegde feitencomplex tot een ander oordeel zouden zijn gekomen. De voorzieningenrechter heeft door dit wel te doen zich ten onrechte niet beperkt tot de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de tekortkomingen in de Bulgaarse asielprocedure van dien aard zijn dat moet worden geconcludeerd ten aanzien van hem niet kan worden vastgesteld of hij de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico's loopt indien hij naar zijn land van herkomst moet terugkeren en hij daardoor het risico loopt dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen inzake non-refoulement jegens hem niet zal nakomen.

2.6.3. Uit de door de vreemdeling overgelegde Nederlandse vertaling van de uitspraak van de administratieve rechtbank te Sliven van 13 februari 2008 blijkt dat het door de vreemdeling in Bulgarije ingediende asielverzoek inhoudelijk is behandeld en dat hij tegen de op dat verzoek genomen beslissing een rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden. In die uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de bedreiging door iemand van het Leger van Mahdi niet berust op gegronde vrees voor vervolging vanwege ras, religie, het behoren tot een bepaalde sociale groep of vanwege een politieke mening en/of overtuiging en tevens dat deze niet kan worden betiteld als reëel gevaar voor zware ingrepen als de doodstraf of executie, marteling of onmenselijke of vernederende behandeling of straf, zware of persoonlijke bedreiging voor het leven of de persoonlijkheid van de burger vanwege geweld bij een binnenlands of internationaal gewapend conflict.

Gelet op het vorenstaande is, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, in de Bulgaarse procedure, voordat de vreemdeling zou worden verwijderd naar het land van herkomst, vastgesteld dat de vreemdeling niet de in het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM genoemde risico's loopt. Derhalve is er geen grond voor het oordeel dat Bulgarije zijn verplichting om op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening het asielverzoek volledig te behandelen niet is nagekomen en die lidstaat het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM niet heeft geëerbiedigd. Indien de vreemdeling zich niet kan verenigen met de uitkomst van de procedure in Bulgarije, kan hij desgewenst vanuit die lidstaat een procedure aanhangig maken bij het EHRM. In dat verband is van belang dat de vreemdeling, indien Bulgarije hem, na overdracht, ter uitvoering van de verplichting voortvloeiend uit de Verordening zou willen uitzetten naar Irak, een klacht kan indienen bij het EHRM en zo nodig kan verzoeken om een interim measure om te voorkomen dat, alvorens het EHRM op zijn klacht heeft beslist, hij wordt uitgezet naar Irak. Gesteld noch gebleken is dat Bulgarije hem de mogelijkheid zal onthouden om dat te doen.

2.6.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de grief slaagt.

2.7. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 december 2008 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op het vorenoverwogene, nog moet worden beslist.

2.8. Aan de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond dat het tijdsverloop tussen de datum waarop de vreemdeling zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend en de datum waarop de staatssecretaris bij de Bulgaarse autoriteiten heeft verzocht om terugname onredelijk lang is komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de voorzieningenrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen niet in hoger beroep is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop de grond betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans buiten het geding.

2.9. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat hij op grond van het ter zake in Nederland gevoerde beleid aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

2.9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 29 mei 2002 in zaak nr. 200202088/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht) respectievelijk van 21 november 2007 in zaak nr. 200703526/1; www.raadvanstate.nl) kan een verschil in uitzettings- of beschermingsbeleid niet voeren tot het oordeel dat de staatssecretaris het asielverzoek aan zich had moeten trekken. Het naar de stelling van de vreemdeling gunstiger Nederlandse beleid met betrekking tot bepaalde groepen Iraakse asielzoekers kan, mede gelet op die uitspraken, niet worden aangemerkt als een concrete aanwijzing dat Bulgarije de op dat land rustende internationale verplichtingen jegens hem niet zal nakomen.

2.10. De vreemdeling heeft in beroep voorts, onder verwijzing naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 18 juli 2008 in zaak nr. Awb 08/12214, betoogd dat de opvang in Bulgarije te wensen overlaat.

2.10.1. Dat betoog baat hem niet, reeds omdat voormelde uitspraak een voorlopig oordeel betreft en de staatssecretaris in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift onweersproken heeft gesteld dat het betreffende beroep in die zaak door de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 23 december 2008 in zaak nr. Awb 08/12211 ongegrond is verklaard.

2.11. Het inleidend beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 24 maart 2009 in zaak nr. 08/43901;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009

345.

Verzonden: 9 december 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak