Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK6145

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
200901216/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / artikel 8 EVRM / belangenafweging / evenredigheidstoetsing

Volgens paragraaf A5/2 van de Vc 2000, zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, is, indien wordt overgegaan tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, ook bij de eerste toelating - tenzij ook de gezinsleden Nederland (moeten) hebben verlaten - steeds sprake van inmenging. Beoordeeld dient te worden of de inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Voor de omstandigheden die bij deze belangenafweging dienen te worden betrokken, wordt verwezen naar paragraaf B2/10.2.3.

Volgens paragraaf B2/10.2.2, voor zover thans van belang, is sprake van inmenging in het familie- en gezinsleven indien de vreemdeling met toepassing van artikel 67 van de Vw 2000 ongewenst wordt verklaard, tenzij ook de gezinsleden Nederland moeten - hebben - verlaten. Ook indien geen sprake is van inmenging dient een belangenafweging tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling plaats te vinden. Het feit dat de afwijzende beslissing is gebaseerd op de regelgeving en in het belang is van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM, vormt op zichzelf niet zonder meer voldoende rechtvaardiging. De inmenging moet ook noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De beoordeling vergt een belangenafweging en komt neer op een evenredigheidstoetsing. Daarbij is de betreffende (afwijzings)grond slechts een van meerdere wegingsfactoren. Er zal telkens een op de concrete zaak toegespitste belangenafweging dienen plaats te vinden.

Volgens jurisprudentie van het EHRM (onder meer de uitspraak van 26 april 2007, nr. 16351/03, Konstatinov tegen Nederland; JV 2007/251) dient er, ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van de betreffende lidstaat.

De rechtbank heeft, gezien deze jurisprudentie en het voornoemde beleid, terecht geoordeeld dat de staatssecretaris, in het kader van het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het EVRM, een belangenafweging als bedoeld in paragraaf A5/2 en B2/10.2.2 van de Vc 2000 had moeten maken, waarbij de staatssecretaris de criteria neergelegd in het voormelde arrest van het EHRM van 2 augustus 2001 inzake Boultif had moeten betrekken. Dat de gezinsleden ten tijde van het besluit van 18 januari 2008 geen rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a, tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, hadden en Nederland dienden te verlaten maakt slechts, zoals ook volgt uit het voornoemde beleid, dat de ongewenstverklaring alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden in strijd zal zijn met artikel 8 van het EVRM.

De grief faalt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901216/1/V1.

Datum uitspraak: 8 december 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 15 januari 2009 in zaak nr. 08/6083 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ongewenst verklaard.

Bij besluit van 18 januari 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 januari 2009, verzonden op 21 januari 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 februari 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zich, in het kader van het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), in tegenspraak met het beleid zoals dat volgt uit paragraaf A5/2 en B2/10.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) op het standpunt heeft gesteld dat, nu geen sprake is van een inmenging in het recht op gezinsleven, niet hoeft te worden getoetst aan de criteria neergelegd in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 2 augustus 2001, nr. 54273/00, Boultif tegen Zwitserland (AB 2001, 341). Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank door te oordelen dat ook in het geval geen sprake is van een inmenging een belangenafweging conform paragraaf B2/10.2.3.1 van de Vc 2000 dient plaats te vinden en hij deze ten onrechte niet heeft gemaakt, de strekking en reikwijdte van artikel 8 van het EVRM heeft miskend. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris niet onderkend dat de vreemdeling, zijn echtgenote en hun kind geen van allen verblijf hier te lande is toegestaan en derhalve van hen mag worden verwacht dat zij gezamenlijk terugkeren naar het land van herkomst.

2.1.1. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de vreemdeling door de staatssecretaris ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel I, van die wet.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Volgens paragraaf A5/2 van de Vc 2000, zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, is, indien wordt overgegaan tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, ook bij de eerste toelating - tenzij ook de gezinsleden Nederland (moeten) hebben verlaten - steeds sprake van inmenging. Beoordeeld dient te worden of de inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Voor de omstandigheden die bij deze belangenafweging dienen te worden betrokken, wordt verwezen naar paragraaf B2/10.2.3.

Volgens paragraaf B2/10.2.2, voor zover thans van belang, is sprake van inmenging in het familie- en gezinsleven indien de vreemdeling met toepassing van artikel 67 van de Vw 2000 ongewenst wordt verklaard, tenzij ook de gezinsleden Nederland moeten - hebben - verlaten. Ook indien geen sprake is van inmenging dient een belangenafweging tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling plaats te vinden. Het feit dat de afwijzende beslissing is gebaseerd op de regelgeving en in het belang is van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM, vormt op zichzelf niet zonder meer voldoende rechtvaardiging. De inmenging moet ook noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De beoordeling vergt een belangenafweging en komt neer op een evenredigheidstoetsing. Daarbij is de betreffende (afwijzings)grond slechts een van meerdere wegingsfactoren. Er zal telkens een op de concrete zaak toegespitste belangenafweging dienen plaats te vinden.

2.1.2. Niet in geschil is dat sprake is van familie- en gezinsleven, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, tussen de vreemdeling en zijn echtgenote en hun kind. Evenmin is in geschil dat geen sprake is van inmenging.

2.1.3. Volgens jurisprudentie van het EHRM (onder meer de uitspraak van 26 april 2007, nr. 16351/03, Konstatinov tegen Nederland; JV 2007/251) dient er, ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van de betreffende lidstaat.

De rechtbank heeft, gezien deze jurisprudentie en het voornoemde beleid, terecht geoordeeld dat de staatssecretaris, in het kader van het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het EVRM, een belangenafweging als bedoeld in paragraaf A5/2 en B2/10.2.2 van de Vc 2000 had moeten maken, waarbij de staatssecretaris de criteria neergelegd in het voormelde arrest van het EHRM van 2 augustus 2001 inzake Boultif had moeten betrekken. Dat de gezinsleden ten tijde van het besluit van 18 januari 2008 geen rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a, tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, hadden en Nederland dienden te verlaten maakt slechts, zoals ook volgt uit het voornoemde beleid, dat de ongewenstverklaring alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden in strijd zal zijn met artikel 8 van het EVRM.

De grief faalt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie een griffierecht van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. De Vink

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2009

154-587.

Verzonden: 8 december 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak