Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5865

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
200809149/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2008, kenmerk 2008-41828, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) aan het Ontwikkelingsbedrijf gemeente Amsterdam (hierna: het Ontwikkelingsbedrijf) een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de berging van baggerspecie in put 19, vak 20H in het Gooimeer, in de omgeving van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Eemmeer, Gooimeer en IJmeer".

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/5427
ABkort 2010/3
JM 2010/15 met annotatie van Zijlmans
JOM 2010/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809149/1/R2.

Datum uitspraak: 9 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Antislib Platform Gooimeer, gevestigd te Naarden,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2008, kenmerk 2008-41828, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) aan het Ontwikkelingsbedrijf gemeente Amsterdam (hierna: het Ontwikkelingsbedrijf) een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de berging van baggerspecie in put 19, vak 20H in het Gooimeer, in de omgeving van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Eemmeer, Gooimeer en IJmeer".

Het college heeft bij besluit van 18 november 2008, kenmerk 2008-63831, het daartegen gemaakte bezwaar van de stichting Stichting Antislib Platform Gooimeer (hierna: APG) ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Antislib Platform Gooimeer (hierna: APG) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gelijktijdig met de zaak 200805338/1, behandeld op 14 september 2009, waar APG, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhof, advocaat te Amsterdam, en vergezeld door H.N.F. Verhagen, drs. J.F.X. van Oosterhout, ing. M. van Breugel en ing. R.A.A. van Aalderen, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H. Geerdink, advocaat te Den Haag, en bijgestaan door ing. M. Doevendans, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord het Ontwikkelingsbedrijf, vertegenwoordigd door mr. drs. F. Onrust,, advocaat te Amsterdam, en bijgestaan door ing. T.P.P. van der Bruggen, ing. H.J. Monen en drs. M.F.W. Waitz, ambtenaren in dienst van de gemeente Amsterdam.

2. Overwegingen

Procesbelang

2.1. Het college stelt dat APG geen belang meer heeft bij deze procedure, omdat de in geding zijnde vergunning op 1 juli 2009 is verlopen en het Ontwikkelingsbedrijf geen nieuwe aanvraag heeft ingediend.

De Afdeling overweegt dat het belang bij een inhoudelijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van de verleende vergunning kan zijn gelegen in de omstandigheid dat APG het inhoudelijke oordeel van de Afdeling kan betrekken bij eventuele toekomstige aanvragen voor een vergunning voor het storten van baggerspecie in put 19, vak 20H in het Gooimeer.

Ter zitting is namens het Ontwikkelingsbedrijf meegedeeld dat nog meer baggeractiviteiten zijn voorzien en dat in de nabije toekomst mogelijk opnieuw een aanvraag zal worden ingediend voor het storten van baggerspecie in put 19, vak 20H in het Gooimeer. Derhalve is het niet onaannemelijk dat voor put 19, vak 20H opnieuw een vergunningaanvraag zal worden ingediend. Gelet op het voorgaande heeft APG belang bij een inhoudelijk oordeel.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden om zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorwaarden of beperkingen, van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

2.2.1. Ingevolge artikel 19e, aanhef en onder a, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houden gedeputeerde staten bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied.

2.2.2. Artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor nieuwe projecten of andere handelingen waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van het gebied maakt waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

2.2.3. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998, wijst Onze Minister gebieden aan ter uitvoering van richtlijn (EEG) nr. 79/409 (hierna: de Vogelrichtlijn) en richtlijn (EEG) nr. 92/43 (hierna: de Habitatrichtlijn). Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Voor zover hier van belang, behoren tot de instandhoudingsdoelstelling in ieder geval de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voor zover vereist ingevolge de Vogelrichtlijn.

2.2.4. Ingevolge artikel V, eerste lid, van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Nbw 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen gelden de besluiten van de minister houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.

2.2.5. Bij besluit van 18 november 1994 zijn het gebied Eemmeer en de ondiepe delen van het Gooimeer en het IJmeer inclusief oeverlanden aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogelrichtlijn. Blijkens het aanwijzingsbesluit zijn deze gebieden van grote betekenis als fourageer-, rust- en ruigebied voor tal van watervogels, met name tijdens de najaarstrek en de winterperiode. De slikranden langs de kust zijn van belang als foerageergebied en slaapplaats voor doortrekkende steltlopers. De moerasvegetaties en wilgenstruwelen zijn van groot belang als broedgebied.

Daarnaast is voor het gebied "Eemmeer en Gooimeer Zuidoever" een ontwerpbesluit tot aanwijzing als Natura 2000-gebied in procedure gebracht. Uit de toelichting bij dit ontwerpbesluit volgt dat de aanwijzing van het Eemmeer, Gooimeer en IJmeer als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn wordt gewijzigd, voor zover van toepassing op de deelgebieden Eemmeer en Gooimeer. Deze deelgebieden zullen samen het Natura 2000-gebied "Eemmeer en Gooimeer Zuidoever" vormen. Het Natura 2000-gebied "Eemmeer en Gooimeer Zuidoever" behoort tot het Natura 2000-landschap "Meren en Moerassen" en is onder meer van betekenis voor de vogelsoorten kleine zwaan, nonnetje, visdief, aalscholver, grauwe gans, smient, krakeend, slobeend, tafeleend, kuifeend en meerkoet.

Inhoudelijke beoordeling vergunde baggerstort

2.3. De vergunning heeft betrekking op het storten en bergen van baggerspecie in put 19, vak 20H in het Gooimeer ter hoogte van de plaats Naarden. Deze baggerstortlocatie ligt op een afstand van ongeveer 500 meter van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Eemmeer, Gooimeer en IJmeer" (hierna: de SBZ). De baggerspecie zal worden gestort in de diepste delen - meer dan 18 meter onder NAP - van deze voormalige zandwinput. Aan de Nbw-vergunning is een aantal voorschriften verbonden, waaronder het voorschrift dat put 19, vak 20H een diepte moet behouden van ten minste 15 meter onder NAP, de te storten baggerspecie uitsluitend mag bestaan uit de voormalige klassen 0, 1 en 2 (thans klasse A als bedoeld in het Besluit Bodemkwaliteit), tijdens het storten het gebruik van de schroef wordt geminimaliseerd en dat bij windkracht 7 of hoger het niet is toegestaan om te storten.

2.4. In opdracht van het Ontwikkelingsbedrijf is naar eventuele negatieve effecten van baggerstort in put 19, vak 20H onderzoek gedaan door Bureau Visser, natuur- en landschapadvies, hetgeen heeft geresulteerd in het rapport "Natuurscan baggerstort Gooimeer" van maart 2008 (hierna: de Natuurscan). De conclusie van de Natuurscan is dat geen sprake is van significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de SBZ. In de Natuurscan is onder andere onderzocht in hoeverre het gestorte slib zich via de slibwolk tot buiten put 20AD kan verspreiden en de eventuele nadelige effecten daarvan voor de SBZ.

2.5. APG verwijst in haar beroepschrift naar de beroepsgronden die zijn vermeld in haar beroepschrift tegen de vergunningverlening voor baggerstort in put 20AD (zaak nr. 200805338/1), welke zij wenst te herhalen. Aldus betoogt APG dat het storten van baggerspecie zal leiden tot aantasten van de natuurwaarden van de SBZ, met name als gevolg van de verspreiding van de zogeheten 'slibwolk' die ontstaat tijdens het storten van de baggerspecie. Daarnaast zijn in het Gooimeer meerdere stortlocaties voor baggerspecie vergund en zijn in het bestreden besluit de mogelijke cumulatieve effecten daarvan voor de SBZ onvoldoende onderzocht en had een onafhankelijke instantie voorafgaand aan de verlening van de vergunning onderzoek moeten doen naar de cumulatieve effecten van de diverse vergunde baggerstortactiviteiten in het Gooimeer. Verder betoogt APG dat het storten van vervuild slib een voedselverrijkend effect op het water (eutrofiëring) tot gevolg zal hebben, mede omdat vanuit het gestorte slib - als het eenmaal op de bodem van de put ligt - nog steeds stoffen vrijkomen in het water (diffusie). Dit zal leiden tot een toename van de bloei van blauwalg in het Gooimeer, terwijl het Gooimeer reeds te kampen heeft met overlast door blauwalgbloei. Door de toename van blauwalgbloei is het storten van vervuild slib in strijd met het project 'Bestrijding Eutrofiëring Zuidelijke Randmeren'. Voorts zullen de vogelsoorten waarvoor de SBZ is aangewezen zowel auditieve als visuele hinder ondervinden als gevolg van de baggerstort door middel van schepen. Daarnaast betoogt APG dat het niet te voorkomen is dat ook vervuild slib van klasse 3 en 4 in het Gooimeer terecht komt en dat het probleem van drijvende restfractie na het storten niet wordt opgelost. Bovendien heeft volgens APG het college bij de vergunningverlening onvoldoende onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze wijze van berging van baggerspecie en eventuele alternatieven - zoals landdepots - ten onrechte niet in de besluitvorming meegewogen. Daar voegt APG in onderhavige zaak aan toe dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de Kaderrichtlijn Water.

2.5.1. De Nbw-vergunning voor baggerstort in put 19, vak 20H bevat bijna volledig gelijkluidende voorschriften als de Nbw-vergunning voor baggerstort in put 20AD. Voorts zijn beide putten voormalige zandwinputten met een vergelijkbare diepte en steile wanden. Tevens is ter plaatse van beide putten de stroomsnelheid van het water minder dan 0,5 meter per seconde en liggen beide putten nabij of in de drukbevaren vaargeul die ongeveer in het midden van het Gooimeer ligt. Ter onderbouwing van de Natuurscan wordt naar dezelfde rapporten verwezen als in het rapport 'Stort van baggerspecie in de zandwinput in het Gooimeer bij Huizen, ecologische beoordeling en toetsing van de effecten', opgesteld in april 2007 door ingenieursbureau BCC, dat aan de verlening van de Nbw-vergunning voor baggerstort in put 20AD ten grondslag is gelegd.

Nu de beroepsgronden van APG tegen de verlening van een vergunning voor baggerstort in put 19, vak 20H nagenoeg dezelfde zijn als die in het beroepschrift tegen put 20AD worden aangevoerd, wordt voor het oordeel van de Afdeling ten aanzien van die beroepsgronden, behoudens de hierna in 2.6. besproken beroepsgrond, verwezen naar de uitspraak van heden in zaak nr. 200805338/1.

Hetgeen APG heeft aangevoerd met betrekking tot verspreiding van het slib tot in de SBZ, het verrichten van een onderzoek naar de cumulatieve effecten door een onafhankelijke instantie, de toename van eutrofiëring en diffusie, de auditieve en visuele verstoring van vogels in de SBZ, het voorkomen van de stort van voormalige slibklasse 3 en 4, de verwijdering van drijvende restfractie en de noodzaak van de baggerstort, geeft gelet op eerdergenoemde uitspraak van heden waarvan de desbetreffende overwegingen van overeenkomstige toepassing zijn, geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.6. Ten aanzien van het betoog van APG dat geen rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van de stort van baggerspecie op verschillende locaties in het Gooimeer, overweegt de Afdeling als volgt.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.6.2 in eerdergenoemde uitspraak van heden in zaak nr. 200805338/1, dienen in dit geval Nbw-vergunningen voor baggerstort die reeds zijn verleend ten tijde van de vergunningverlening voor baggerstort in put 19, vak 20H dan wel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bij de beoordeling van eventuele cumulatieve effecten te worden betrokken. Daarbij is van belang dat gezien de specifieke aard en effecten van de te vergunnen activiteiten, in dit geval negatieve cumulatieve effecten als gevolg van meer stortlocaties niet op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Aangezien ten tijde van de vergunningverlening voor de onderhavige stortlocatie wel zekerheid bestond over verlening van een Nbw-vergunning voor vergelijkbare activiteiten in hetzelfde meer, omdat de vergunning voor baggerstort in put 20AD reeds op 18 januari 2008 was verleend, had met die baggerstortlocatie rekening gehouden dienen te worden bij de beoordeling van de mogelijke significante gevolgen voor de SBZ.

In de Natuurscan die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd wordt aan de mogelijke cumulatieve effecten voor de SBZ geen aandacht besteed. Het standpunt in het bestreden besluit dat de cumulatieve effecten van meer baggerstortlocaties in het Gooimeer niet leiden tot significante gevolgen voor de SBZ berust derhalve niet op een deugdelijk onderzoek.

2.7. Voorzover APG betoogt dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met de Kaderrichtlijn Water (richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, PbEG L 327/1), overweegt de Afdeling dat deze richtlijn geen normen bevat die het college in het kader van de onderhavige vergunningaanvraag ingevolge de Nbw 1998 in acht had behoren te nemen. Dit betoog faalt.

2.8. Gelet op het hiervoor overwogene in 2.6 is de conclusie dat hetgeen APG heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 18 november 2008, kenmerk 2008-63831;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij de stichting Stichting Antislib Platform Gooimeer in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 348,59 (zegge: driehonderdachtenveertig euro en negenenvijftig cent), waarvan € 322,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan de stichting Stichting Antislib Platform Gooimeer het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009

12-571.