Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5858

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
200900704/1/M1 en 200900822/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Helder een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet bestuursrecht 8:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/1380
JOM 2010/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900704/1/M1 en 200900822/1/M1.

Datum uitspraak: 9 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 15 december 2008 in zaak nrs. AWB 07/3143 en AWB 07/3145 in het

geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder,

alsmede uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Helder een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank Alkmaar ingekomen op 26 november 2007, beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 15 december 2008, verzonden op 16 december 2008, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar voor zover dit ziet op het onderdeel feitelijk handelen en zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar wegens het niet zijn van belanghebbende. De voorzieningenrechter heeft het beroepschrift ter verdere behandeling van laatstgenoemd deel van het beroep doorgezonden naar de Afdeling, waar het op 30 januari 2009 is ingekomen (zaak nr. 200900822/1/M1). Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2009, hoger beroep ingesteld (zaak nr. 200900704/1/M1).

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft het hoger beroep en het beroep gevoegd ter zitting behandeld op 13 oktober 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. dr. G.L.J.J. Keulers, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Westerwal, J.M. Streunding en M.J. Nijssen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Algemeen

2.1. Op 16 juni 2007 heeft [appellant] bij één tot zowel het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) als tot het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (hierna: het college van burgemeester en wethouders) gericht schrijven een verzoek ingediend om vergoeding van de schade die [appellant] stelt te hebben geleden door een ontruiming in de periode van 28 januari 2002 tot en met 12 februari 2002 van de terreinen gelegen aan de [locaties] te Den Helder. De ontruiming geschiedde ter uitvoering van een besluit van het college van gedeputeerde staten van 14 februari 2001 en een besluit van het college van burgemeester en wethouders van 20 februari 2001. Bij beide besluiten werd besloten jegens [belanghebbende] bestuursdwang toe te passen.

2.2. Het college van gedeputeerde staten heeft bij besluit van 23 augustus 2007 het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het college van burgemeester en wethouders heeft bij besluit van 20 augustus 2007 het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.3. Het college van gedeputeerde staten heeft het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van het schadeverzoek bij besluit van 26 november 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

Het college van burgemeester en wethouders heeft het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van het schadeverzoek bij besluit van 30 oktober 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college is het bezwaar voor zover dit ziet op schade als gevolg van het besluit van 20 februari 2001 niet-ontvankelijk, aangezien [appellant] bij dit besluit geen belanghebbende was. Het bezwaar voor zover dit ziet op schade als gevolg van het feitelijk toepassen van bestuursdwang is volgens het college niet-ontvankelijk, omdat tegen dit feitelijk handelen geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstond.

2.4. De Afdeling heeft bij uitspraak van 20 augustus 2008, in zaak nr. 200801442/1 het beroep, dat [appellant] had ingesteld tegen het besluit van 26 november 2007 van het college van gedeputeerde staten, ongegrond verklaard.

2.5. De voorzieningenrechter heeft bij de aangevallen uitspraak het deel van het beroep dat betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [appellant] voor zover dit ziet op het onderdeel feitelijk handelen ongegrond verklaard. Hij heeft voorts het deel van het beroep dat betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [appellant] wegens het niet zijn van belanghebbende ter verdere behandeling naar de Afdeling doorgezonden.

Hoger beroep (zaak nr. 200900704/1/M1)

2.6. Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [appellant] voor zover dit ziet op schade als gevolg van feitelijk handelen. Ten aanzien hiervan overweegt de Afdeling ambtshalve als volgt.

2.6.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 in zaak nr. H01.96.0578/Q1 (JB 1997/118 en AB 1997, 229), is de bestuursrechter slechts bevoegd tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de beweerdelijk schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf.

Indien het beroep is gericht tegen een besluit op bezwaar van een bestuursorgaan, is de bestuursrechter wel bevoegd van het beroep kennis te nemen, maar is het bezwaar slechts ontvankelijk indien tegen de beweerdelijk schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf ook bezwaar en beroep open stond.

2.6.2. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 8.6, eerste lid, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit waartegen beroep bij een andere administratieve rechter kan of kon worden ingesteld.

Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan tegen een besluit op grond van deze wet of van een van de in het derde lid van dat artikel bedoelde wetten of wettelijke bepalingen beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2.6.3. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [appellant] voor zover dit ziet op schade als gevolg van feitelijk handelen, betreft schade die [appellant] stelt te hebben geleden door de tenuitvoerlegging van een bestuursdwangbesluit dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wet milieubeheer. Nu het, gelet hierop, feitelijk handelen in de sfeer van de Wet milieubeheer betreft, kan tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in zoverre ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer in eerste en enige aanleg bij de Afdeling beroep worden ingesteld. Hieruit volgt dat de voorzieningenrechter geen kennis kon nemen van het beroep voor zover dit ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [appellant] voor zover dit ziet op schade als gevolg van feitelijk handelen.

2.6.4. Gelet hierop is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de voorzieningenrechter het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar voor zover dit ziet op het onderdeel feitelijk handelen ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling de voorzieningenrechter alsnog onbevoegd verklaren kennis te nemen van het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2007, voor zover dit is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar voor zover dit ziet op het onderdeel feitelijk handelen.

2.6.5. De Afdeling is in eerste en enige aanleg bevoegd ook op dit deel van het beroep te beslissen. Zij zal hierna op beide delen van het beroep beslissen.

Beroep (zaken nrs. 20090704/1/M1 en 200900822/1/M1)

2.7. [appellant] betoogt aanspraak te maken op nadeelcompensatie op grond van het rechtsbeginsel van de 'égalité devant les charges publiques' (gelijkheid voor de openbare lasten), het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Voorts betoogt [appellant] dat het besluit van 20 februari 2001 ten onrechte niet aan hem is bekendgemaakt. Verder voert [appellant] aan dat zijn eigendommen hem ten onrechte zijn afgenomen en dat hij daartegen geen rechtsmiddelen kan aanwenden bij de nationale rechter. In dit verband doet hij een beroep op diverse internationale en Europese bepalingen, waaronder bepalingen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.

2.7.1. Zoals de Afdeling reeds in haar uitspraak van 20 augustus 2008, in zaak nr. 200801442/1 inzake de afwijzing van het verzoek van 16 juni 2007 door het college van gedeputeerde staten heeft overwogen, heeft het schadeverzoek van 16 juni 2007 uitsluitend betrekking op de schade die [appellant] stelt te hebben geleden door de feitelijke ontruiming.

2.7.2. Het college van burgemeester en wethouders heeft het verzoek van 16 juni 2007, gezien het hiervoor overwogene, ten onrechte mede opgevat als een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het besluit van 20 februari 2001. Nu het besluit van 20 augustus 2007 in zoverre niet de afwijzing van een aanvraag behelst, kon tegen dit besluit in zoverre geen bezwaar worden gemaakt. Gelet hierop heeft het college van burgemeester en wethouders het bezwaar voor zover dit ziet op schade als gevolg van het besluit van 20 februari 2001, zij het op onjuiste gronden, terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Aan een beantwoording van de vraag of [appellant] belanghebbende was bij het besluit van 20 februari 2001 komt de Afdeling dan ook niet toe. Evenmin kan worden toegekomen aan het betoog van [appellant] omtrent nadeelcompensatie op grond van het rechtsbeginsel van de 'égalité devant les charges publiques' en het betoog van [appellant] omtrent de bekendmaking van het besluit van 20 februari 2001.

2.7.3. Nu het verzoek uitsluitend betrekking heeft op de schade die [appellant] stelt te hebben geleden door de feitelijke ontruiming, moet dit worden aangemerkt als een claim ter zake van het feitelijk handelen. Hierover kan slechts een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Tegen het besluit van 20 augustus 2007 stond derhalve ook in zoverre geen bezwaar en beroep open. Gelet hierop heeft het college van burgemeester en wethouders het bezwaar ook voor zover dit ziet op schade als gevolg van feitelijk handelen terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.7.4. [appellant] kan ten aanzien van de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de tenuitvoerlegging van het bestuursdwangbesluit een vordering indienen bij de burgerlijk rechter. Anders dan [appellant] heeft betoogd, staat er dus wel degelijk een rechtsgang bij de nationale rechter open om zijn schadeclaim in te dienen.

2.7.5. Gelet op de rechtsoverwegingen 2.7.1 tot en met 2.7.4 is het beroep ongegrond.

Conclusie

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep ongegrond is verklaard voor zover dit is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [appellant] voor zover dit ziet op het onderdeel feitelijk handelen. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling de voorzieningenrechter voor dit deel alsnog onbevoegd verklaren.

Het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2007 is ongegrond.

Proceskosten

2.9. De Afdeling ziet aanleiding in dit geval het college van burgemeester en wethouders te veroordelen in de door [appellant] gemaakte proceskosten in het beroep bij de voorzieningenrechter en het hoger beroep, omdat het college in het besluit van 30 oktober 2007 een onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting had opgenomen.

Met betrekking tot het beroep bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Griffierecht

2.10. In deze situatie is er geen aanleiding om te bepalen dat het door [appellant] betaalde griffierecht door het college moet worden vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 41, vijfde lid, van die wet - het griffierecht dat [appellant] heeft betaald voor de behandeling van het beroep bij de voorzieningenrechter en het hoger beroep, door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 15 december 2008 in zaak nrs. AWB 07/3143 en AWB 07/3145, voor zover het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van 30 oktober 2007, kenmerk AU07.08049, ongegrond is verklaard voor zover dit beroep is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar voor zover dit ziet op het onderdeel feitelijk handelen;

III. verklaart de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar onbevoegd om van het bij hem ingestelde beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van 30 oktober 2007, kenmerk AU07.08049, kennis te nemen, voor zover dit is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar voor zover dit ziet op het onderdeel feitelijk handelen;

IV. verklaart het beroep ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Helder tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar en het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009

271-590.