Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5848

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
200901058/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 11 oktober 2007, 30 oktober 2007 en 23 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte (hierna: het college) geweigerd [appellant] en anderen een persoonsgebonden vrijstelling te verlenen voor de permanente bewoning van hun recreatiewoningen op [park] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het terrein).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901854/1/H1.

Datum uitspraak: 9 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 februari 2009 in zaken nrs. 08/600, 08/601, 08/602, 08/604, 08/605, 08/606, 08/607, 08/609 en 08/610 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 11 oktober 2007, 30 oktober 2007 en 23 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte (hierna: het college) geweigerd [appellant] en anderen een persoonsgebonden vrijstelling te verlenen voor de permanente bewoning van hun recreatiewoningen op [park] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het terrein).

Bij afzonderlijke besluiten van 28 februari 2008 heeft het college de door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) de door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 april 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2009, waar [appellant], W.A.M. Groot Zwaaftink en G.L.H. Bronswijk, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door B. Bolink en M. Luikens, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, gemeente Raalte" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het terrein de bestemming "Terrein voor verblijfs- en dagrecreatie, categorie V".

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor het recreatief verblijf in zomerhuizen, sta- en toercaravans en overige kampeermiddelen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, is het verboden de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in de bestemming bepaalde.

Ingevolge het vierde lid wordt onder verboden gebruik in verband met de bestemming "Terrein voor verblijfs- en dagrecreatie, categorie V" in ieder geval verstaan een gebruik van zomerhuizen ten behoeve van permanente bewoning.

2.2. [appellant] en anderen gebruiken hun recreatiewoningen voor permanente bewoning, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985), zoals dat van

1 juni 2007 tot 1 juli 2008 luidde, komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning ten behoeve van bewoning, mits:

1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij gestelde regels of de Reconstructieweg concentratiegebieden;

3e. de aanvrager voor, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en sedertdien onafgebroken bewoont.

Ingevolge het vijfde lid wordt vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onder g, in elk geval geweigerd, indien verlening in strijd zou zijn met door de gemeente op 31 oktober 2003 gevoerd handhavingsbeleid ten aanzien van het gebruik van recreatiewoningen.

2.4. Vaststaat dat voldaan wordt aan de in artikel 20, eerste lid, onder g, van het Bro 1985 neergelegde vereisten. Voorts is niet in geschil dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel, zodat het college bevoegd was de gevraagde vrijstellingen te verlenen.

Het college heeft aan de weigering aan de weigering de gevraagde vrijstellingen te verlenen onder meer ten grondslag gelegd dat het toestaan van permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd is met het op 2 november 2004 door hem vastgestelde "Beleid inzake permanente bewoning van recreatiewoningen" (hierna: het handhavingsbeleid).

2.5. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat, gelet op het gestelde in de nota van toelichting op artikel 20, vijfde lid, van het Bro 1985 (Stb. 2007, 107), in een geval als het onderhavige de motivering van de weigering vrijstelling te verlenen aan strenge eisen dient te voldoen. De rechtbank heeft volgens [appellant] en anderen evenwel nagelaten de besluiten op bezwaar aan de hand van die maatstaf te beoordelen en aldus niet onderkend dat die besluiten daaraan niet voldoen. Daartoe betogen zij dat het college eraan voorbij is gegaan dat in de buurgemeente Ommen in soortgelijke gevallen wel vrijstelling is verleend en dat het college de permanente bewoning bewust - passief - heeft gedoogd nu het daarvan op de hoogte was maar er niet tegen optrad. Het op 2 november 2004 vastgestelde handhavingsbeleid kan hun derhalve niet worden tegengeworpen, aldus [appellant] en anderen.

2.5.1. Dit betoog faalt. In haar advies ten behoeve van de besluiten op bezwaar heeft de commissie Bezwaarschriften van de gemeente Raalte de activiteiten opgesomd die het college heeft ontplooid in het kader van het handhavingsbeleid met betrekking tot het recreatiegebied de Stoevinghe, waarbij zij heeft vermeld dat het beleid van de voormalige gemeente Heino ten aanzien van dat gebied na de gemeentelijke herindeling van 2001 is voortgezet. Voorts is in dat advies vermeld dat op initiatief van het college in de koopovereenkomsten tussen de betreffende projectontwikkelaar en de kopers van de recreatiewoningen een kettingbeding is opgenomen, inhoudende dat deze woningen niet voor permanente bewoning mogen worden gebruikt. Ter motivering van de besluiten op bezwaar heeft college mede naar het oordeel van de commissie Bezwaarschriften verwezen.

Gelet op deze handhavingsactiviteiten en andere handelingen, en gelet op het feit dat bij bestuurlijke herindelingen steeds is aangesloten bij bestaand beleid met betrekking tot de permanente bewoning van recreatieverblijven, heeft het college aannemelijk gemaakt dat het niet heeft berust in permanente bewoning en het steeds duidelijk en consequent heeft uitgedragen dat bewoning van recreatiewoningen is toegestaan.

Dat in de buurgemeente Ommen naar gesteld in soortgelijke gevallen wel vrijstelling wordt verleend, is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet relevant. Het in die gemeente gevoerde beleid behoort niet tot de verantwoordelijkheid van het college. De rechtbank heeft evenzeer met juistheid geoordeeld dat het feit dat [appellant] en anderen op het adres van hun recreatiewoning staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en gemeentelijke belasting betalen geen grond biedt voor de conclusie dat de permanente bewoning van de recreatiewoningen door het college wordt gedoogd. Dat in de periode 2004 tot 2008 niet daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan het handhavingsbeleid, heeft, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, uitsluitend een budgettaire oorzaak.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat de weigering van het college de gevraagde vrijstelling te verlenen op een ontoereikende motivering berust.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009

531.