Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
200903334/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4208, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2006 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) het verzoek van [appellanten] om informatie met betrekking tot de aanleg van een brug over de Gaag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903334/1/H3.

Datum uitspraak: 9 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 april 2009 in zaak nr. 08/2228 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2006 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) het verzoek van [appellanten] om informatie met betrekking tot de aanleg van een brug over de Gaag afgewezen.

Bij besluit van 29 februari 2008 heeft de minister het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 april 2009, verzonden op 3 april 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 juni 2009 hebben [appellanten] toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2009, waar [appellanten], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.A. Diephuis, werkzaam bij het Ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2. Het betoog van [appellanten] richt zich tegen de overweging van de rechtbank volgens welke de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bescherming van de belangen van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob aan openbaarmaking van het document waarop het verzoek betrekking heeft, een e-mailbericht, in de weg staan. Zij hebben gesteld dat de persoonlijke levenssfeer niet kan worden aangetast door de openbaarmaking van het e-mailbericht en dat het openbaar maken geen onevenredig nadeel kan opleveren voor omwonenden.

2.2.1. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van het e-mailbericht is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank voor wat betreft de namen van de betrokken ambtenaren, hun e-mail- en postadressen en een telefoonnummer, de namen van omwonenden, die evenals [appellanten] nauw betrokken zijn geweest bij de Reconstructie Midden Delfland, en de gegevens die tot hen herleidbaar zijn, zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de minister de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige benadeling van de betrokken personen in dit geval zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van openbaarheid. In zoverre heeft de rechtbank terecht overwogen dat de openbaarmaking daarvan door de minister achterwege heeft mogen blijven.

2.2.2. Het e-mailbericht bevat daarnaast algemene feiten en mededelingen. In het bijzonder gaat het om de datum en het onderwerp van het e-mailbericht, de eerste zin met uitzondering van de namen, de tweede zin tot en met 'behalve', de derde zin tot en met '26-' en vanaf 'x', de vierde zin tot en met ':' en vanaf 'kan', de vijfde zin vanaf 'wil', de zesde zin en de afsluiting 'met vriendelijke groet'. Openbaarmaking van deze overige gegevens raakt de persoonlijke levenssfeer niet en levert geen onevenredige benadeling op. Derhalve is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de minister met betrekking tot deze overige gegevens ten onrechte heeft geweigerd deze met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob openbaar te maken. Ook overigens is niet gebleken dat met betrekking tot deze gegevens een van de in artikel 10 en 11 van de Wob genoemde weigeringsgronden van toepassing is.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de overige gegevens genoemd in overweging 2.2.2.. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 29 februari 2008 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking, voor zover hierin het besluit van 29 mei 2006 is gehandhaafd, in zoverre daarbij is nagelaten de overige gegevens genoemd in overweging 2.2.2. openbaar te maken. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Hiertoe zal zij het besluit van 29 mei 2006, in zoverre daarin is nagelaten de hiervoor bedoelde overige gegevens openbaar te maken, herroepen, de minister opdragen deze gegevens alsnog openbaar te maken en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 29 februari 2008.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 april 2009 in zaak nr. 08/2228, voor zover deze de overige gegevens genoemd in overweging 2.2.2. betreft;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 februari 2008, kenmerk DRR&R/2008/1273, voor zover het de overige gegevens genoemd in overweging 2.2.2. betreft;

V. herroept het besluit van de minister van 29 mei 2006, kenmerk TRCJZ/2006/1463, voor zover het de overige gegevens genoemd in overweging 2.2.2. betreft;

VI. willigt het verzoek om openbaarmaking in, voor zover het de overige gegevens genoemd in overweging 2.2.2. betreft;

VII. bepaalt dat de minister de overige gegevens genoemd in overweging 2.2.2. openbaar maakt;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 29 februari 2008, voor zover dit is vernietigd;

IX. gelast dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 373,00 (zegge: driehonderddrieënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009

290.