Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
200903609/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een carport op het perceel [locatie] te Zoeterwoude (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903609/1/H1.

Datum uitspraak: 9 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zoeterwoude,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 april 2009 in zaak nr. 08/2704 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een carport op het perceel [locatie] te Zoeterwoude (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 april 2009, verzonden op 10 april 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. Stam, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat de aangevraagde carport een bouwvergunningplichtig bouwwerk is.

2.2. Op het perceelsgedeelte waar de carport is voorzien rust ingevolge het bestemmingsplan "Hoge Rijndijk (1997) en Hoge Rijndijk, 1e herziening (2000)" de bestemming "Tuinen (T)".

2.3. Ingevolge artikel 44 van de Woningwet moet de bouwvergunning onder meer worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 1, onder 4, van de planvoorschriften wordt onder bouwwerk verstaan elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge artikel 1, onder 5, van de planvoorschriften wordt onder gebouw verstaan elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge artikel 1, onder 14, wordt onder overkapping verstaan, een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming Tuinen (T) bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen en voor het parkeren.

Ingevolge het tweede lid mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwvergunning ten onrechte heeft geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de voorziene carport dient te worden aangemerkt als gebouw zoals bedoeld in de planvoorschriften, en om die reden in strijd is met artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften. De voorziene carport dient volgens [appellant] te worden aangemerkt als overkapping die past binnen de bestemming "Tuinen (T)" en waarvoor, gelet op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb), een lichte bouwvergunning verleend had moeten worden. Voor toetsing van het bouwplan aan het bestemmingsplan is, gelet hierop, geen plaats, aldus [appellant].

2.4.1. [appellant] bestrijdt niet - en ook de Afdeling gaat daarvan uit - dat voor de carport een bouwvergunning is vereist. Ingevolge artikel 44 van de Woningwet dient een bouwvergunning geweigerd te worden indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan. Het bouwplan dient derhalve aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan getoetst te worden. Daarvoor is, anders dan [appellant] betoogt, niet van belang of de carport wellicht kan worden aangemerkt als overkapping als bedoeld in het Bblb, nu de carport in ieder geval geen bouwvergunningvrij bouwwerk ingevolge het Bblb is. Er bestaan voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een bouwwerk dat als overkapping in de zin van het Bblb kan worden aangemerkt, niet tevens als gebouw als bedoeld in artikel 1, onder 5, van de planvoorschriften kan worden aangemerkt. Of de voorziene carport als overkapping kan worden aangemerkt, is, wat daar verder van zij, derhalve voor de toetsing aan het bestemmingsplan niet van belang.

De voorziene carport wordt, gezien van de straatkant, aan de linkerzijde ondersteund door drie palen. Het dak van de carport is aan de achterzijde bevestigd aan de voorgevel van twee reeds bestaande garages en aan de rechterzijde bevestigd aan zijgevel van [appellant] s woning. Door deze constructie heeft de carport zowel aan de achterzijde als aan de rechterzijde een wand. Daarmee is hier sprake van een overdekte ruimte die gedeeltelijk met wanden omsloten is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 november 2006 in zaak nr.<a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200601791/1&verdict_id=15639&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200601791/1&utm_term=200601791/1">200601791/1</a>), is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gebouw zoals in de planvoorschriften omschreven, niet relevant of de wanden dragend zijn. Voorts staat vast dat de ruimte overdekt is en voor mensen toegankelijk. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat sprake is van een gebouw als bedoeld in artikel 1, onder 5, van de planvoorschriften en dat de carport derhalve in strijd is met artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem in de gelegenheid had moeten stellen zijn bouwplan aan te passen.

2.5.1. Dit betoog slaagt evenmin. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college, nadat werd geconstateerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, [appellant] in de gelegenheid had moeten stellen zijn bouwplan aan te passen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 18 mei 2000 in zaak nr. 199902765/1), is het college weliswaar onder omstandigheden gerechtigd en in bepaalde gevallen zelfs verplicht om de indiener van de aanvraag in de gelegenheid te stellen die aanvraag te wijzigen of aan te vullen, maar daarbij moet het gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard. Daarvan zou in het onderhavige geval geen sprake zijn. Om de strijd met het bestemmingsplan weg te nemen zal de constructie van de voorziene carport zo gewijzigd dienen te worden dat niet langer sprake is van een gebouw. Daarmee kan niet meer van hetzelfde bouwplan worden gesproken.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009

357-580.