Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
200903284/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Sneek (hierna: de raad) bij besluit van 28 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen A7" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903284/1/R2.

Datum uitspraak: 9 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Sneek (hierna: de raad) bij besluit van 28 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen A7" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders van Sneek namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door A.J. Rampen, is verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door drs. M. Huisman, ambtenaar in dienst van de gemeente.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan beoogt, voor zover hier van belang, een geactualiseerd juridisch kader te geven voor het reeds gerealiseerde deel De Hemmen I van het bedrijventerrein De Hemmen A7.

2.3. [appellant] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de aanduidingen "milieuzonering bedrijfscategorie 3" en "milieuzonering bedrijfscategorie 4a" ter plaatse van zijn perceel aan de Smidsstraat 2 en met de aanduidingen "milieuzonering bedrijfscategorie 4" en "milieuzonering bedrijfscategorie 4a" ter plaatse van zijn perceel aan de Smidsstraat 5 te Sneek (hierna: de percelen).

Volgens [appellant] verhindert de toegekende bestemming ten onrechte de exploitatie van een handelsonderneming in meubels en slaapkamerinrichtingen voor horecabedrijven en particulieren alsmede de exploitatie van een sport/fitness- en wellnessonderneming. In dit verband wijst hij op het op 29 januari 2009 uitgebrachte rapport van het distributie-planologisch onderzoek "DPO Gemeente Sneek" dat in opdracht van het gemeentebestuur is uitgebracht door LogiMark, waarin staat dat de clustering van grootschalige meubelbedrijven in de zone "Smidsstraat e.o." een minimaal bruto vloeroppervlak van 10.000 m2 dient te hebben teneinde met voldoende aantrekkingskracht een regiofunctie te kunnen gaan vervullen.

[appellant] betoogt verder dat ten onrechte de binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid op grond waarvan de vestiging van een grootschalig meubelbedrijf ter plaatse van zijn percelen onder voorwaarden in het voorheen geldende plan was toegestaan, in het voorliggende plan niet is overgenomen. [appellant] voert in dit verband verder aan dat ten onrechte en vooruitlopend op de herijking van het detailhandelsbeleid aan de noordzijde van de Smidsstraat met de aanduiding "detailhandel in meubelen, keukeninrichtingen en/of badkamers" een zone als meubelboulevard is aangewezen.

Voorts beroept [appellant] zich op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar het aan de overzijde van de Smidsstraat gelegen sportcentrum, dat als zodanig is bestemd en mag uitbreiden.

2.4. Volgens het college heeft het college van burgemeester en wethouders op grond van het bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen", vastgesteld door de raad op 25 mei 1993 en goedgekeurd door het college op 12 november 1993 (hierna: het voorheen geldende plan), een beperkt aantal vrijstellingen verleend voor detailhandelsactiviteiten in volumineuze goederen omdat deze activiteiten volgens het op 5 maart 2003 uitgebrachte eindrapport "Marktmogelijkheden locatie De Hemmen te Sneek" van het distributie-planologisch onderzoek dat in opdracht van Fernhout Projectontwikkeling B.V. is verricht door ECORYS-Kolpron, geen onevenredige afbreuk deden aan de destijds bestaande distributiestructuur binnen de gemeente. Volgens het college is het niet onredelijk om aan perifere detailhandel op het bedrijventerrein randvoorwaarden te verbinden teneinde onevenredige afbreuk aan de bestaande distributiestructuur binnen de gemeente te voorkomen. De herijking van het detailhandelsbeleid met behulp van een nieuw distributie-planologisch onderzoek acht het college in dit licht niet onredelijk. Voorts stelt het college zich met de raad op het standpunt dat de vestiging van een sport- en wellnessinrichting op een bedrijventerrein onwenselijk is.

2.5. Ingevolge artikel 4, lid A, eerste lid, eerste streepje, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart als "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de aanduiding "milieuzonering bedrijfscategorie 3" aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor bedrijfsdoeleinden, waarbij bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 t/m 3.2 van de als bijlage bij de voorschriften gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Voor zover de bedoelde gronden zijn voorzien van de aanduiding "milieuzonering bedrijfscategorie 4a", zijn ter plaatse bedrijfsactiviteiten in de categorieën 2 t/m 4.1 van de bijgevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Voor zover de bedoelde gronden zijn voorzien van de aanduiding "milieuzonering bedrijfscategorie 4", zijn ter plaatse bedrijfsactiviteiten in de categorieën 2 t/m 4.2 van de bijgevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan.

2.6. Voor zover [appellant] betoogt dat in het voorliggende plan ten onrechte niet de binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid met betrekking tot de vestiging van detailhandelsbedrijven uit het voorheen geldende plan is overgenomen, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

De keuze van de raad om op het bedrijventerrein een specifiek plandeel aan te wijzen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de aanduiding "detailhandel in meubelen, keukeninrichtingen en/of badkamers" zodat dit plandeel als meubelboulevard zal bijdragen aan de totstandkoming van een wervende entree van Sneek, heeft het college niet onredelijk behoeven te achten. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de voor dit plandeel krachtens artikel 19 van de WRO onherroepelijk verleende vrijstellingen in het plan zijn ingepast. Voor zover [appellant] ter zitting heeft betoogd dat de meubelboulevard binnen de planperiode niet gerealiseerd zal worden, heeft hij dit naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt.

Het college heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in afwachting van de herijking van het detailhandelsbeleid onvoldoende aanleiding bestaat reeds nu op andere percelen binnen het plangebied verdergaande detailhandelsmogelijkheden, zoals door [appellant] voorgestaan, te bieden. Daarbij kan de Afdeling, gelet op de omstandigheid dat aan de percelen van [appellant] de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de aanduidingen "milieuzonering bedrijfscategorie 3", "milieuzonering bedrijfscategorie 4" en "milieuzonering bedrijfscategorie 4a" is toegekend, [appellant] niet volgen in zijn standpunt dat hij door de bestemmingsregeling voor zijn percelen onevenredig in zijn bedrijfsexploitatie wordt beperkt, nu in zijn panden een omvangrijk aantal van de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten genoemde bedrijfsactiviteiten is toegestaan, waaronder - volgens de raad - de mede door hem voorgestane exploitatie van een groothandel in fitnessapparatuur.

2.6.1. De Afdeling overweegt voorts dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, nu het bedrijventerrein zich primair richt op producerende bedrijven en niet op maatschappelijke, sportgerelateerde voorzieningen, een fitnesscentrum in de panden van [appellant] niet wenselijk is.

Vast staat dat het bestaande sportcentrum aan de Smidsstraat reeds op grond van artikel 4, lid A, onder 2, sub f, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan positief was bestemd, waarbij binnen de bestemming van bestaande recreatieve voorzieningen was voorzien in uitbreiding van de bestaande inrichting voor de sportieve recreatie tot een gezamenlijke grondoppervlakte van ten hoogste 1.500 m2.

Voor zover [appellant] een vergelijking maakt met voormeld sportcentrum, overweegt de Afdeling, dat het college en de raad zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie.

2.6.2. Eerst ter zitting heeft [appellant] nog een lijst met fitnesscentra in en rond Sneek ingebracht ter onderbouwing van zijn beroepsgrond dat elders op bedrijventerreinen wel fitnesscentra zijn toegestaan. Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met het fitnesscentrum nabij het zwembad is ter zitting gebleken dat dit fitnesscentrum zich niet bevindt op een bedrijventerrein, maar deel uitmaakt van een cluster van verzorgende bedrijven. Voor zover [appellant] voorts heeft verwezen naar het fitnesscentrum aan de Alexanderweg, is - voor zover de raad bekend - aan de gronden ter plaatse daarvan de bestemming "Gemengde doeleinden" toegekend. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Ook in hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door [appellant] genoemde situaties overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.6.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen voor zijn percelen en voor de meubelboulevard aan de Smidsstraat niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009

371-602.