Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
200902729/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het kappen van twee bomen op het perceel [locatie] in [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2010, 15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902729/1/H2.

Datum uitspraak: 9 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 maart 2009 in zaak nr. 08/442 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van

Leidschendam-Voorburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het kappen van twee bomen op het perceel [locatie] in [plaats].

Bij besluit van 7 december 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2009, verzonden op 6 maart 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 mei 2009.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 19 november 2009.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4.5.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Leidschendam-Voorburg 2003 (hierna: de APV) moet de vergunning worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

Ingevolge artikel 4.5.3a kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Hierbij kan als criterium de boomwaarde worden gehanteerd.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vereniging van eigenaren (hierna: de vereniging) eigenaar is van het perceel alsmede van de daarop aanwezige houtopstand en dat de meerderheid van de leden van de vereniging tegen de kap is. Volgens hem is door de indiening van de aanvraag en de verlening van de kapvergunning inbreuk gemaakt op het recht op het ongestoord genot van eigendom van de vereniging en haar leden. Hij wijst er daarbij op dat is afgeweken van de op het aanvraagformulier vermelde eis dat de eigenaar van de grond waarop de boom staat, moet instemmen met een aanvraag om een kapvergunning.

Volgens [appellant] heeft door de miskenning van de eigendomsrechten van de vereniging en haar leden geen eerlijke behandeling van de zaak plaatsgevonden in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

2.2.1. Zoals de Afdeling in deze zaak eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 november 2007 in zaak nr. 200702918/1) heeft de vergunninghouder als appartementseigenaar van de benedenwoning recht op het uitsluitend gebruik van de tuin en verder toebehoren, waaronder de met de grond verenigde bomen, wat ertoe leidt dat hij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.5.3, eerste lid, van de APV kon indienen. Met deze uitspraak staat in rechte vast dat de aanvrager gerechtigd was de kapvergunning aan te vragen. De rechtbank is hiervan terecht uitgegaan. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de inbreuk op het eigendomsrecht van de vereniging en haar leden alsmede over het niet voldoen aan de op het aanvraagformulier gestelde vereiste van toestemming van de eigenaar, komt neer op een herhaling van hetgeen hij in de eerdere procedure naar voren heeft gebracht en door de Afdeling is verworpen. Dit kan thans niet meer aan de orde worden gesteld. Van strijd met artikel 6 van het EVRM is geen sprake.

Het betoog faalt.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college in het kader van belangenafweging onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de inkijk door de achterburen in zijn woning ten gevolge van de kap, faalt. Gelet op de stukken, in het bijzonder de foto's van de situatie ter plaatse, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de inkijk van de achterburen in de bovenwoning van [appellant] ten gevolge van de kap niet zodanig is, dat kan worden geoordeeld dat de belangenafweging kennelijk onredelijk is.

Voorts kan niet staande worden gehouden dat de verlening van de kapvergunning leidt tot een privacyschending die strijd met artikel 8 van het EVRM oplevert dan wel dat daarmee in strijd met artikel 14 van het EVRM een ongerechtvaardigd onderscheid is gemaakt tussen de leden van de vereniging met betrekking tot de uitoefening van hun rechten.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009

47-609.