Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
200907818/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2007 heeft het dagelijks bestuur van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (hierna: DCMR) een verzoek van de stichting Stichting Natuur en Milieu (hierna: de stichting) om openbaarmaking van informatie, gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907818/2/H3.

Datum uitspraak: 3 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:

1. de vereniging Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie, gevestigd te Den Haag,

2. het dagelijks bestuur van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2009 in zaak nr. 08/4053 in het geding tussen:

de stichting Stichting Natuur en Milieu, gevestigd te Utrecht,

en

het dagelijks bestuur van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2007 heeft het dagelijks bestuur van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (hierna: DCMR) een verzoek van de stichting Stichting Natuur en Milieu (hierna: de stichting) om openbaarmaking van informatie, gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 3 september 2008 heeft DCMR het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en alsnog een deel van de verzochte informatie openbaar gemaakt.

Bij uitspraak van 9 september 2009, verzonden op 10 september 2009, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 september 2008 vernietigd voor zover daarbij de in het besluit van 8 november 2007 vervatte weigering tot openbaarmaking van nader aangeduide informatie is gehandhaafd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 3 september 2008.

Tegen deze uitspraak hebben de vereniging Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (hierna: de VNPI) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2009, en DCMR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2009, hoger beroep ingesteld.

De VNPI heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 22 oktober 2009. DCMR heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 2 november 2009.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2009, heeft de VNPI de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2009, heeft DCMR de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 19 november 2009, waar DCMR, vertegenwoordigd door mr. B.J.M. Verras en ing. R.A.C. Ruigrok, beiden werkzaam bij DCMR, de VNPI, vertegenwoordigd door mr. M.C. de Smidt, advocaat te Amsterdam, en [adjunct-directeur], en [adviseur], en de stichting, vertegenwoordigd door mr. M.A. Robesin, werkzaam bij de stichting, en drs. ing. J.G. Vollenbroek, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob), blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, is het eerste lid, aanhef en onder c, niet van toepassing voor zover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.

2.3. De stichting heeft DCMR verzocht om openbaarmaking van IPPC-informatiedocumenten van een aantal nader aangeduide ondernemingen. In beroep bij de rechtbank heeft zij te kennen gegeven dat haar verzoek is beperkt tot de IPPC-informatiedocumenten van de raffinaderijen Shell Nederland Raffinaderij B.V., Esso Nederland B.V., Kuwait Petroleum Europoort B.V. en BP Raffinaderij Rotterdam B.V.

2.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat DCMR ten onrechte openbaarmaking van de zogeheten concentratie- en debietgegevens uit de IPPC-documenten achterwege heeft gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat DCMR zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de concentratiegegevens uit de IPPC-informatiedocumenten niet zijn aan te merken als milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu, zoals bedoeld in artikel 10, vierde lid, eerste volzin, van de Wob. Ingevolge die bepaling dienen de concentratiegegevens volgens de rechtbank openbaar gemaakt te worden. Aangezien op basis van reeds eerder openbaar gemaakte informatie in combinatie met de concentratiegegevens de debietgegevens kunnen worden berekend, bestaat geen beletsel ook die gegevens openbaar te maken, aldus de rechtbank.

2.5. De verzoeken van DCMR en de VNPI strekken ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat DCMR aan de uitspraak van de rechtbank geen gevolg hoeft te geven alvorens de Afdeling op de daartegen ingestelde hoger beroepen heeft beslist.

2.5.1. DCMR en de VNPI hebben een spoedeisend belang bij hun verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening, nu het gevolg geven aan de uitspraak van de rechtbank ertoe zou leiden dat de bodemprocedure haar voorwerp verliest.

2.5.2. De voorzitter zal de verzoeken van DCMR en de VNPI inwilligen. Naar het oordeel van de voorzitter vergt de beantwoording van de vraag of de rechtbank in haar oordeel kan worden gevolgd, een beoordeling waarvoor de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent. Voorts is van de zijde van de stichting niet gebleken van zwaarwegende belangen die zich ertegen verzetten dat het oordeel van de Afdeling over de hoger beroepen van DCMR en de VNPI wordt afgewacht. Voor zover de stichting heeft betoogd dat zij de thans opgevraagde informatie nodig heeft in door haar gevoerde procedures over actualisatie en handhaving van vergunningen die zijn verleend op grond van de Wet milieubeheer, wordt overwogen dat die wet de mogelijkheid biedt in die procedures te verzoeken om openbaarmaking van informatie. Gelet hierop, ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.7. In deze situatie brengt een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State met zich dat - naar analogie van artikel 41, vijfde lid, van die wet - de secretaris van de Raad van State het door DCMR en de VNPI gestorte griffierecht aan hen terugbetaalt.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat het dagelijks bestuur van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond geen gevolg hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2009 in zaak nr. 08/4053, totdat de Afdeling op zijn hoger beroep en dat van de vereniging Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie heeft beslist;

II. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan het dagelijks bestuur van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond en de vereniging Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie het voor de behandeling van de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening verschuldigde griffierecht vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. de Winter, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. De Winter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2009

546.