Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5806

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
200904549/1/R3 en 200904549/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Werkendam (hierna: de raad) het bestemmingsplan "reparatieherziening kern Sleeuwijk ([locatie])" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904549/1/R3 en 200904549/2/R3.

Datum uitspraak: 2 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Werkendam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Werkendam (hierna: de raad) het bestemmingsplan "reparatieherziening kern Sleeuwijk ([locatie])" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2009 beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 november 2009, waar [appellanten], in de persoon van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door J. Boterblom, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn gehoord. Voorts is ter zitting [belanghebbende], in persoon en bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, als belanghebbende gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" voor het perceel [locatie] in Sleeuwijk, gemeente Werkendam (hierna: het perceel). Op het perceel exploiteert [belanghebbende] een koeriersbedrijf. Het plan maakt het mogelijk dat op het perceel een nieuw bedrijfsgebouw wordt opgericht ter vervanging van het bestaande gebouw om de bedrijfswagens te stallen en onderhouds- en reparatiewerkzaamheden te verrichten.

Aan het perceel is een bouwvlak toegekend met een lengte van 17 meter en een breedte van 10,50 meter. Voorts is een bedrijfsgebouw toegelaten met een maximale goothoogte van 3,10 meter en een maximale bouwhoogte van 7,25 meter.

2.3. [appellanten] stellen dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld voor zover dit de bouw van een bedrijfsgebouw mogelijk maakt op het perceel. Daartoe voeren zij aan dat zij in hun belangen worden geschaad door de omvang van het voorziene bedrijfsgebouw. Volgens hen is ten onrechte rekening gehouden met het deel van de bestaande bebouwing dat zonder bouwvergunning is opgericht. Verder is niet gebleken dat een bedrijfsgebouw met een omvang zoals is voorzien noodzakelijk is voor een efficiënte bedrijfsvoering. Volgens [appellanten] leidt het plan, gelet op de kwaliteiten van het gebied, tot een onevenredige aantasting van de omgeving. Verder zijn zij van mening dat het plan in ieder geval niet meer bebouwing mogelijk zou mogen maken dan thans feitelijk op het perceel aanwezig is. Voorts voeren [appellanten] aan dat recentelijk op het perceel nog twee gebouwen zonder bouwvergunning zijn opgericht waartegen door het gemeentebestuur niet wordt opgetreden.

2.4. In het huidige bestemmingsplan "Rijksstraatweg II Sleeuwijk" is aan het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden I" toegekend. Op de plankaart is geen bouwvlak aangegeven. Ingevolge de bouwvoorschriften van dit plan mag 70 procent van het perceel worden bebouwd met een goothoogte van maximaal 5 meter, waarbij een vrijstelling mogelijk is tot een goothoogte van maximaal 7 meter. Een maximale bouwhoogte is niet vastgesteld.

2.5. Ter zitting is vast komen te staan dat het bestaande bedrijfsgebouw met aanbouw een lengte heeft van 17,50 meter, een breedte van 10,60 meter, een goothoogte van 3,10 meter en dat de nokhoogte van het oorspronkelijke deel van het bedrijfsgebouw 6 meter bedraagt. Verder is niet in geschil dat de aanbouw aan de achterzijde van het oorspronkelijke bedrijfsgebouw zonder bouwvergunning is opgericht. Ter zitting is vast komen te staan dat de aanbouw een breedte heeft van 4,50 meter en een plat dak met een nokhoogte van 3 meter.

2.6. Gelet op de ligging van het perceel tussen de Rijksstraatweg, de Woudrichemsedijk en ‘t Zand, merken [appellanten] weliswaar terecht op dat het voorziene bedrijfsgebouw vanaf alle zijden te zien is, maar de raad heeft zich naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de ligging van het bouwvlak op het perceel, de invloed van de bedrijfsbebouwing op de omgeving met name wordt bepaald door de lengte en de hoogte van het gebouw en niet door de breedte daarvan. De breedte en de lengte van de in het plan voorziene bedrijfsbebouwing komt overeen met de breedte en de lengte van het bestaande bedrijfsgebouw. Het plan wijkt echter wat betreft de bouwhoogte van het bedrijfsgebouw af ten opzichte van het bestaande bedrijfsgebouw, met name wat betreft de aanbouw aan de achterzijde van het oorspronkelijke bedrijfsgebouw. De raad heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene bouwhoogte slechts beperkt hoger is dan de nokhoogte van de oorspronkelijke bebouwing. Wat betreft de bouwhoogte van de bebouwing aan de achterzijde van het oorspronkelijk bedrijfsgebouw wordt overwogen dat anders dan [appellanten] stellen de enkele omstandigheid dat de aanbouw zonder bouwvergunning is opgericht niet betekent dat de raad daarmee geen rekening mocht houden. Hij heeft in redelijkheid bij de belangenafweging kunnen betrekken dat ondanks dat de aanbouw zonder vergunning is opgericht, deze wel was toegestaan op grond van het huidige planologische regime. De raad heeft in dit verband verder kunnen betrekken dat, gelet op de vele controles ter plaatse, [belanghebbende] erop mocht vertrouwen dat de bebouwing zou mogen worden gehandhaafd. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uit een oogpunt van efficiënte bedrijfsvoering aangewezen is om één bedrijfsgebouw te realiseren, waarin zowel vrachtwagens kunnen worden gestald als onderhouds- en reparatiewerkzaamheden kunnen plaatsvinden en dat een bedrijfsgebouw met een aanbouw met hoogteverschillen, zoals door [appellanten] voorstellen, onwenselijk is.

Gelet op het vorenstaande en gelet op de afstand van ongeveer 10 meter van het bedrijfsgebouw tot de dichtstbijzijnde woning, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van [appellanten] met de onderhavige bebouwingsmogelijkheden niet onevenredig worden geschaad.

2.7. Verder is ter zitting vast komen te staan dat naast het oorspronkelijke bedrijfsgebouw met aanbouw twee andere bedrijfsgebouwen op het perceel zijn opgericht zonder bouwvergunning. Behoudens de mogelijkheid voor het vervangen van het oorspronkelijke bedrijfsgebouw met aanbouw, voorziet het onderhavige plan niet in bouwmogelijkheden voor deze twee gebouwen. De raad heeft ter zitting verklaard dat tegen deze bebouwing handhavend zal worden opgetreden. Nu het plan niet in bouwmogelijkheden voor laatstgenoemde bedrijfsgebouwen voorziet, is de raad in zoverre terecht voorbijgegaan aan het betoog van [appellanten].

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Smit-Colenbrander, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Smit-Colenbrander

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009

432.