Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5798

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
200903128/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ4415, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2007 heeft de minister voor Ontwikkelingssamenwerking (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] om subsidie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903128/1/H2.

Datum uitspraak: 9 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 maart 2009 in zaak nr. 08/1517 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2007 heeft de minister voor Ontwikkelingssamenwerking (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] om subsidie afgewezen.

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 juni 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. N.U.N. Kien, advocaat te Rotterdam, en [directeur] van [appellante], en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.H. van den Borne en H.C.A. von Frijtag Drabbe, beiden ambtenaar in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn verschenen.

Voorts zijn [adviseur] van [appellante], en L. Beumer en H.J. Wiegland, beiden adviseur van het ministerie, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader bepaald en worden nadere regels voor die verstrekking vastgesteld.

Ingevolge artikel 2 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken kan subsidie worden verstrekt voor bij ministeriële regeling aangeduide activiteiten. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in dit besluit geregelde onderwerpen en kunnen de bedragen, genoemd in dit besluit, worden gewijzigd.

Ingevolge artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (hierna: de subsidieregeling) kan de minister subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan bevordering van duurzame vergroting van werkgelegenheid en economische groei in ontwikkelingslanden door versterking van het bedrijfsleven in die landen of van transacties in het economisch verkeer met een vernieuwend of stimulerend effect op de verbetering van het milieu in ontwikkelingslanden.

Ingevolge artikel 7.3, aanhef en onder h, komen met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in artikel 7.2, voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van invoer van Nederlandse kapitaalgoederen, werken of diensten in ontwikkelingslanden.

Ingevolge artikel 1 van het besluit van de minister van 5 mei 2006 tot vaststelling van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de subsidieregeling (Stcrt. 2006, nr. 97, p. 10) gelden voor subsidieverlening op grond van de artikelen 7.2 en 7.3, onder h, van de subsidieregeling in het kader van het programma voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties (ORET) voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 de als bijlage bij dat besluit gevoegde beleidsregels (hierna: de beleidsregels).

Volgens paragraaf 2.1 van de beleidsregels dient de aanvrager in de bij de aanvraag over te leggen stukken aannemelijk te maken dat zijn aanvraag aan de criteria voldoet.

Volgens paragraaf 3.4 moeten ORET-schenkingen investeringen in de infrastructuur in ontwikkelingslanden, die een positieve bijdrage leveren aan de duurzame economische ontwikkeling en het ondernemersklimaat, faciliteren. Om die positieve bijdrage te kunnen bepalen wordt het project getoetst op, onder meer, financieel-economische effecten. Deze worden zo realistisch mogelijk ingeschat door te kijken naar economische en financiële aspecten.

Met betrekking tot de economische duurzaamheid wordt gekeken naar de economische baten die direct voortvloeien uit het project en die terechtkomen in het ontvangende land. Deze opbrengsten kunnen dus ook terechtkomen bij andere partijen dan de directe afnemers van het ORET-project. Te denken valt hierbij aan de bijdrage aan de lokale economie, aan extra overheidsinkomsten, extra werkgelegenheid, aan het voorziene effect op de betalingsbalans, etc. Het totaaleffect moet ruim positief zijn.

Met betrekking tot de financiële duurzaamheid moet het project tijdens zijn levensduur voldoende inkomsten opbrengen om de investeringskosten (minus de ORET-subsidie) en de kosten van de bedrijfsvoering plus vervangingen te financieren. Men dient daarmee aan te tonen dat de investering met ORET-subsidie wel financieel haalbaar is. Voor deze toets zal worden gekeken naar de geaccumuleerde cash flow aan het eind van de technische of economische levensduur van het project. Indien deze positief is, wordt het project financieel haalbaar geacht. Indien een project geen of onvoldoende inkomsten oplevert kan een overheidsgarantie, met betrekking tot de dekking van operationele uitgaven en vervangingsinvesteringen, uitkomst bieden.

2.2. [appellante] heeft een aanvraag om subsidie gedaan voor het project Assin Fosu Water Works & Supply dat tot doel heeft de levering van drinkwater in de districten Assin North and Assin South in Ghana.

Bij besluit van 14 december 2007 heeft de minister deze aanvraag afgewezen, omdat het project leidt tot een ruime overcapaciteit in het zichtjaar 2030 ten aanzien van de drinkwatervoorziening in de Assin Fosu regio, rekening houdend met de verwachte bevolkingsgroei over 20 jaar en voorts omdat onvoldoende informatie is verstrekt om de aanvraag volledig te kunnen toetsen aan de criteria van het programma voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties.

Het besluit op bezwaar strekt tot handhaving van de afwijzing, onder aanvulling van de motivering. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het gemiddelde drinkwaterverbruik van 60 liter per persoon per dag dat [appellante] bij de aanvraag als uitgangspunt heeft genomen te hoog is, gelet op een aandeel van 74 procent 'standpipes' en 26 procent directe of huisaansluitingen.

2.3. [appellante] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] met de door aan haar aanvraag ten grondslag gelegde gegevens niet aannemelijk heeft gemaakt dat het project economisch duurzaam is. De rechtbank is naar zij meent ten onrechte voorbijgegaan aan door [appellante] overgelegde stukken. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom de verklaringen van de waterdeskundigen Witteveen en Bos niet tot een ander oordeel leiden.

2.3.1. Uit de beleidsregels volgt dat het aan de aanvrager van de subsidie is om aannemelijk te maken dat de investering economisch duurzaam en financieel haalbaar is. De rechtbank diende derhalve te beoordelen of de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de prognoses met betrekking tot de waterbehoefte per persoon per dag en de bevolkingsgroei die [appellante] aan haar aanvraag ten grondslag heeft gelegd, niet voldoende aannemelijk zijn.

2.3.2. De rechtbank heeft, onbestreden in hoger beroep, overwogen dat blijkens de aanvraag in het projectgebied 74 procent van de bevolking gebruik zal maken van standpipes en 26 procent van directe of huisaansluitingen.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de waterbehoefte bij het gebruik van standpipes naar verwachting gemiddeld niet meer dan 35 liter per persoon per dag zal bedragen. De minister heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een brief van de Ghana Water Company Limited van 16 januari 2008, waaruit blijkt dat in het algemeen wordt uitgegaan van een watergebruik van 30 liter per persoon per dag bij gebruik van standpipes, op de notitie "Technical Notes for Emergencies" van de World Health Organisation (hierna: de WHO) en een brief van Aqua Vitens Rand Limited, waarin wordt uitgegaan van een waterbehoefte van 37 liter per persoon per dag in kleine gemeenschappen waar naar verwachting overwegend gebruik wordt gemaakt van standpipes. Anders dan [appellante] stelt, is in de notitie van de WHO niet louter informatie opgenomen over de waterbehoefte in noodsituaties, maar ook over de waterbehoefte op langere termijn en over de relatie tussen reistijd naar een waterpunt en de waterafname, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister deze notitie niet mede heeft kunnen betrekken in zijn beoordeling.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het blijkens voornoemde brief van Ghana Water Company Limited aannemelijk is dat bij huisaansluitingen uitgegaan kan worden van een waterbehoefte van 80 liter per persoon per dag. De minister heeft dan ook tot de conclusie kunnen komen dat, gelet op de onbestreden verdeling in standpipes en huisaansluitingen, een gewogen gemiddeld watergebruik kan worden geschat op 47 liter per persoon per dag in plaats van de door [appellante] verwachte 60 liter per persoon per dag. [appellante] is uitgegaan van andere berekeningen, waarbij per grootte van de leefgemeenschap een prognose van de waterbehoefte is gemaakt. Deze leiden evenwel niet tot het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de prognose van een waterbehoefte van 47 liter per persoon per dag meer aannemelijk is dan de door [appellante] verwachte waterbehoefte. Daarbij is van belang dat [appellante] in haar berekeningen niet is uitgegaan van de verhouding tussen standpipes en directe huisaansluitingen zoals die uit de aanvraag blijkt.

2.3.3. Met betrekking tot de te verwachten bevolkingsaanwas heeft [appellante] zich gebaseerd op de Census 2000, alsmede op de cijfers van de officiële website van de Ghanese districten: www.ghanadistricts.com. Uit de cijfers van Census 2000 blijkt een verwacht groeipercentage van 2,7 procent. Uit de cijfers van genoemde website blijkt dat voor de regio Assin North een groeipercentage geldt van 2,9 procent en voor de gehele regio Assin een groeipercentage van 2,1 procent. Voor de regio Assin South is geen groeipercentage beschikbaar. Gelet op deze, door [appellante] zelf aangeleverde gegevens, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een groeipercentage van 3,0 procent niet aannemelijk is en dat moet worden uitgegaan van een bevolkingsgroei van 2,7%. De minister is niet gehouden [appellante] te volgen in haar standpunt dat het cijfer kan worden afgerond naar boven omdat de bevolkingsgroei door de verbeterde watervoorziening mogelijk toeneemt. De minister heeft kunnen oordelen dat de gevolgen van de drinkwatervoorziening op de bevolkingsgroei in de komende 20 jaren daarvoor te ongewis zijn. Het betoog faalt.

2.3.4. Nu de minister de door [appellante] overgelegde prognoses met betrekking tot de waterbehoefte per persoon per dag en tot de bevolkingsaanwas in de eerste 20 jaar niet aannemelijk heeft hoeven te achten en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een redelijke prognose van de gemiddelde waterbehoefte, alsmede van de bevolkingsgroei substantieel lager ligt dan [appellante] meent, heeft de minister tot het oordeel kunnen komen dat het project overgedimensioneerd is en de aanvraag, gelet op de beleidsregels, terecht afgewezen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009

362.