Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2009
Datum publicatie
07-12-2009
Zaaknummer
200704690/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / situatie vrouwen in DRC / nova

De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 11 juni 2007 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling haar beroep op de situatie van vrouwen in de DRC zoals beschreven in de ambtsberichten niet geïndividualiseerd en geconcretiseerd heeft, zodat geen sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

De onder 2.2. genoemde rapporten dateren van voor het eerdere besluit van 22 maart 2006 en bevatten geen informatie over de mate van willekeurig geweld ten tijde van het besluit van 11 juni 2007.

Wel blijkt uit de ambtsberichten dat de algemene veiligheidssituatie in Noord-Kivu, alsmede de situatie voor vrouwen in de DRC, ten opzichte van de situatie aldaar ten tijde van het eerdere besluit van 22 maart 2006 zodanig is verslechterd dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aldus is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zodat het besluit van 11 juni 2007, wat betreft de weigering de vreemdeling een verblijfsvergunning op voormelde grond te verlenen, kan worden getoetst.

De staatssecretaris heeft niet onderkend dat met voormelde verslechterde veiligheidssituatie in Noord-Kivu en de verslechterde situatie voor vrouwen in de DRC, sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die voor de beoordeling van de aanvraag van de vreemdeling relevant kunnen zijn, zodat hij had moeten beoordelen of deze hem noopten tot het heroverwegen van het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op de weigering de vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag ten onrechte met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704690/1/V2.

Datum uitspraak: 30 november 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 29 juni 2007 in zaak nrs. 07/23909 en 07/23910 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft de Afdeling partijen medegedeeld dat de behandeling van de onderhavige zaak wordt aangehouden in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) op de door de Afdeling (bij verwijzingsuitspraak van 12 oktober 2007 in zaak nr. 200702174/1; www.raadvanstate.nl) gestelde prejudiciële vragen over de betekenis van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG

van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de richtlijn).

Bij arrest van 17 februari 2009 in zaak C-465/07; JV 2009/111, heeft het Hof voormelde vragen beantwoord.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2009, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. U.H. Hansma, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven 1 tot en met 4, in onderlinge samenhang bezien, klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn een voor de vreemdeling relevante wijziging van het recht is. Aldus heeft de voorzieningenrechter, volgens de staatssecretaris, miskend dat van een wijziging van het recht geen sprake is, aangezien artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn onder de reikwijdte van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) valt.

2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1; www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.1.3. De vreemdeling heeft eerder, voor zover thans van belang, op 16 maart 2006, een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 22 maart 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie deze aanvraag afgewezen. Het besluit van 11 juni 2007 is van gelijke strekking als het besluit van 22 maart 2006, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.1.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 juni 2009 in zaak nr. 200900815/1/V2 (www.raadvanstate.nl), kan artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn niet worden aangemerkt als een wijziging van het recht, omdat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de door artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn vereiste bescherming. De in de grieven vervatte klacht is terecht voorgedragen, maar de grieven kunnen, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.2. De vreemdeling heeft aan haar aanvraag, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat zij, indien zij moet terugkeren naar haar land van herkomst, de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC), alwaar zij voorafgaand aan haar vertrek haar normale woon- en verblijfplaats had in Goma, gelegen in de provincie Noord-Kivu, een reëel risico loopt op ernstige schade, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Daartoe heeft zij betoogd dat de algemene veiligheidssituatie in Noord-Kivu, en de situatie voor vrouwen in het bijzonder, is verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van het eerdere besluit. In dit verband heeft zij onder meer verwezen naar de algemene ambtsberichten inzake de DRC van de minister van Buitenlandse Zaken van december 2006 en mei 2007 (hierna: de ambtsberichten), het rapport 'Seeking justice: the prosecution of sexual violence in the Congo war' van Human Rights Watch van maart 2005 alsmede het rapport 'Mass rape - Time for Remedies' van Amnesty International van 26 oktober 2004.

2.2.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 11 juni 2007 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling haar beroep op de situatie van vrouwen in de DRC zoals beschreven in de ambtsberichten niet geïndividualiseerd en geconcretiseerd heeft, zodat geen sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

De onder 2.2. genoemde rapporten dateren van voor het eerdere besluit van 22 maart 2006 en bevatten geen informatie over de mate van willekeurig geweld ten tijde van het besluit van 11 juni 2007.

Wel blijkt uit de ambtsberichten dat de algemene veiligheidssituatie in Noord-Kivu, alsmede de situatie voor vrouwen in de DRC, ten opzichte van de situatie aldaar ten tijde van het eerdere besluit van 22 maart 2006 zodanig is verslechterd dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aldus is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zodat het besluit van 11 juni 2007, wat betreft de weigering de vreemdeling een verblijfsvergunning op voormelde grond te verlenen, kan worden getoetst.

De staatssecretaris heeft niet onderkend dat met voormelde verslechterde veiligheidssituatie in Noord-Kivu en de verslechterde situatie voor vrouwen in de DRC, sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die voor de beoordeling van de aanvraag van de vreemdeling relevant kunnen zijn, zodat hij had moeten beoordelen of deze hem noopten tot het heroverwegen van het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op de weigering de vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag ten onrechte met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft afgewezen.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2009

418-563.

Verzonden: 30 november 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak