Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5089

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
200808770/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Echtenerpolder Hoeve B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkensbedrijf op het perceel Koopmanweg 30 te Echtenerbrug. Dit besluit is op 5 november 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/1920
JOM 2010/21
JOM 2010/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808770/1/M2.

Datum uitspraak: 2 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Echtenerpolder Hoeve B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkensbedrijf op het perceel Koopmanweg 30 te Echtenerbrug. Dit besluit is op 5 november 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Er zijn door [appellanten] nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door J. van Dalfsen, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.A.E. Poepjes en A. Hooymans, zijn verschenen. Voorts is Echtenerpolder Hoeve B.V., vertegenwoordigd door ing. L. Polinder, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellanten] de beroepsgrond, inhoudende dat het college niet bevoegd zou zijn de gevraagde vergunning te verlenen, ingetrokken.

2.2. [appellanten] vrezen geurhinder. Zij voeren aan dat het college ten onrechte een woning aan de Koopmanweg 28 niet heeft betrokken bij de in dat verband verrichte beoordeling. Voorts staat volgens hen onvoldoende vast dat zal worden voldaan aan de in de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) gestelde geurnorm van 8 odour units per kubieke meter lucht. Zij voeren hiertoe aan dat uit het geuronderzoek weliswaar blijkt dat aan deze geurnorm wordt voldaan, maar dat onzeker is of hieraan wordt voldaan als de luchtwasser bij stal 1 aan de westzijde wordt geplaatst en bij stal 8 aan de zuidzijde.

2.2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object gelegen buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt de geurbelasting vanwege een veehouderij berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel "V-stacks vergunning".

2.2.2. In een tekening bij de vergunningaanvraag, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, is duidelijk aangegeven dat de woning aan de Koopmanweg 28 onderdeel is van de inrichting. Gelet hierop is vergunning aangevraagd om deze woning als een bij de inrichting behorende bedrijfswoning te gebruiken. Het college heeft gelet op hetgeen is aangevraagd de woning aan de Koopmanweg 28 terecht buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de geurhinder in het kader van onderhavige vergunningverlening.

Voorts blijkt uit een tekening bij de vergunningaanvraag dat de luchtwasser bij stal 1 aan de zuidzijde van stal 1 wordt geplaatst en de luchtwasser bij stal 8 aan de westzijde. Gelet hierop is het college bij de beoordeling van de geurhinder terecht van het realiseren van de luchtwassers op deze locaties uitgegaan. Voor zover [appellanten] vrezen dat de luchtwassers in afwijking van de verleende vergunning op een andere locatie in de stallen zullen worden gerealiseerd overweegt de Afdeling dat die grond betrekking heeft op het niet naleven van de voorschriften die aan de verleende vergunning verbonden zijn. Dat heeft echter geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

Uit de met toepassing van het verspreidingsmodel "V-stacks vergunning" opgestelde berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 20 van het milieueffectrapport, blijkt dat bij plaatsing van de luchtwassers op de in de tekening vermelde locaties de geurbelasting op de relevante geurgevoelige objecten in de omgeving van de inrichting 7,97 odour units per kubieke meter of minder bedraagt. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze berekeningen onjuist zijn. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wet geurhinder niet aan verlening van de gevraagde vergunning in de weg staat.

De beroepsgrond inzake geurhinder faalt.

2.3. [appellanten] voeren aan dat de uitstoot van ammoniak gevolgen heeft voor de flora en fauna in de directe omgeving van de inrichting. In dit verband wijzen zij erop dat in de onmiddellijke omgeving van de inrichting vogels zoals de zwarte stern, ijsvogel, grutto, zilverreiger en visarend broeden.

2.3.1. Het aspect soortenbescherming dient primair aan de orde te komen in het kader van de beoordeling of een ontheffing krachtens de Flora- en faunawet is vereist en kan worden verleend. Voor zover de Wet milieubeheer een aanvullende toets kent overweegt de Afdeling dat in het milieueffectrapport is vermeld dat het gebied Schoteruiterdijken, waar het [appellanten] om te doen is, een gebied is dat behoort tot de provinciale ecologische hoofdstructuur, maar dat dit geen zeer kwetsbaar gebied of speciale beschermingszone is. Het gebied bestaat uit een beheersgebied en een natuurgebied. Het gebied Schoteruiterdijken begint op een afstand van ongeveer 60 meter vanaf de inrichting. In het milieueffectrapport is vermeld dat op 2 punten, het dichtst bij de inrichting, de ammoniakdepositie toeneemt. Dit is een gevolg van de verplaatsing van het emissiepunt van stal 1. Op iets grotere afstand neemt de ammoniakdepositie af. De oppervlakte van het gebied Schoteruiterdijken waar de ammoniakdepositie afneemt is groter dan de oppervlakte van het gebied Schoteruiterdijken waar de ammoniakdepositie toeneemt. Onder deze omstandigheden heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat mogelijke nadelige gevolgen van het in werking zijn van de inrichting zich niet in zodanige mate zullen voordoen dat daarom nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden of de vergunning had moeten worden geweigerd.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellanten] voeren aan dat het college niet duidelijk heeft verklaard waarom bij de vergunningverlening niet het in het milieueffectrapport beschreven meest milieuvriendelijke alternatief is gevolgd. Ook hebben zij in dit verband aangevoerd dat het varkensbedrijf verliesgevend is.

2.4.1. Ingevolge artikel 7.37, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer vermeldt de motivering van een besluit in ieder geval hetgeen is overwogen omtrent de in het milieueffectrapport beschreven alternatieven.

2.4.2. Het college heeft in het bestreden besluit een afweging gemaakt met betrekking tot de in het milieueffectrapport beschreven alternatieven. Daarbij heeft het zich op het standpunt gesteld dat door toepassing van het meest milieuvriendelijke alternatief de bestaande stallen ingrijpend gewijzigd zullen moeten worden hetgeen kapitaalvernietiging en hogere financiƫle lasten voor de ondernemer, alsmede een groter gebruik van bouwstoffen met zich brengt. Voorts zullen de extra reducties van geur, ammoniak en stof gepaard gaan met een toename van het verbruik van energie, water en grondstoffen. Verder zal de afvalstoffenstroom in de vorm van spuiwater bij toepassing van het meest milieuvriendelijke alternatief toenemen. Volgens het college weegt de meerinvestering, mede gelet op het hogere verbruik van energie, water en grondstoffen, niet op tegen de extra reductie van emissies.

2.4.3. Het college heeft in de motivering van het bestreden besluit weergegeven wat het heeft overwogen omtrent, voor zover hier van belang, het meest milieuvriendelijke alternatief. In zoverre is voldaan aan de motiveringsplicht van artikel 7.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Het college dient te beslissen op basis van de aanvraag. Uit de redactie noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7.37 van de Wet milieubeheer kan worden afgeleid dat een vergunning voor het in de aanvraag gekozen alternatief moet worden geweigerd vanwege de omstandigheid dat een milieuvriendelijker alternatief voorhanden is. De beroepsgrond geeft geen aanleiding voor het oordeel dat bij het bestreden besluit in strijd met het recht niet het meest milieuvriendelijke alternatief is gevolgd. Voor zover [appellanten] hebben gesteld dat het varkensbedrijf waarop de bij het bestreden besluit verleende vergunning betrekking heeft, verliesgevend is, is dit, indien al juist, in het kader van de onderhavige vergunningverlening niet relevant.

2.4.4. De beroepsgrond faalt.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.6. [appellanten] vrezen voor gezondheidschade ten gevolge van fijn stof. Zij betogen dat hiernaar nader onderzoek had moeten worden verricht.

2.6.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen, als de uitoefening van hun bevoegdheid te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, hun bevoegdheid uitoefenen, als aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening - kort gezegd - niet leidt tot het overschrijden, of het tot op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.6.2. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het in het kader van de aanvraag uitgevoerde onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit, op het standpunt gesteld dat het in werking zijn van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting niet leidt tot overschrijding van voormelde grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof). [appellanten] hebben dit niet bestreden. Gelet hierop heeft het college zich wat betreft het aspect zwevende deeltjes zonder verder onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat met het oog op de bescherming van de gezondheid van de mens geen nadere voorschriften aan de vergunning behoefden te worden verbonden alsmede dat, voor zover hier van belang, er geen grond bestaat de gevraagde vergunning te weigeren.

2.7. [appellanten] vrezen voor besmetting met de mrsa bacterie. Zij betogen dat hiernaar nader onderzoek had moeten worden verricht.

2.7.1. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting een zodanig risico op besmetting van omwonenden met de mrsa bacterie kan opleveren dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden, dan wel de gevraagde vergunning om die reden had moeten worden geweigerd.

De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellanten] voeren aan dat stal 8 vanwege de grote omvang ervan ontsierend zal zijn in het landelijke gebied.

2.8.1. De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets. Stal 8 is ongeveer 85 meter lang, 53 meter breed en 12 meter hoog. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze omvang niet zodanig is dat stal 8 visuele hinder meebrengt in een mate die zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of het stellen van nadere voorschriften.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hulst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009

402.