Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5087

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
200900263/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van varkens- en zoogkoeienhouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 4 december 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900263/1/M2.

Datum uitspraak: 2 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van varkens- en zoogkoeienhouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 4 december 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door L.H.M.M. van de Kerkhof, werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Eerst ter zitting hebben [appellanten] ten aanzien van artikel 7.28 van de Wet milieubeheer argumenten naar voren gebracht. Dit is in dit stadium van de procedure, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze argumenten daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

2.2. [appellanten] vrezen voor geur- en geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. Zij stellen zich met betrekking tot het aspect geurhinder op het standpunt dat de vergunningaanvraag getoetst had moeten worden aan de op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) in plaats van aan de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie). Volgens [appellanten] blijkt uit de considerans van het bestreden besluit dat vóór 1 januari 2007 nog geen aanvraag was ingediend, maar enkel de aanmeldnotitie MER en de bij de aanvraag behorende plattegrondtekening waren overgelegd. Voorts voeren [appellanten] aan dat bij de beoordeling van de geur- en geluidhinder ten onrechte geen rekening is gehouden met de in de nabijheid van de inrichting gelegen woning [locatie]. Deze woning kan, anders dan het college stelt, volgens hen niet aangemerkt worden als bedrijfswoning, omdat een gedeelte van de woning wordt verhuurd aan mensen die geen enkele relatie met het bedrijf hebben.

2.2.1. Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder in werking getreden. Daarbij is de Wet stankemissie ingetrokken. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder blijft, indien een aanvraag om een vergunning is ingediend vóór 1 januari 2007, het vóór deze datum ten aanzien van een zodanige aanvraag geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

2.2.2. Blijkens de datumstempel is op 21 december 2006 bij het college een op 15 december 2006 gedateerde aanvraag van [vergunninghouder] om een oprichtingsvergunning ingekomen. Hieruit volgt dat vóór 1 januari 2007 een aanvraag is ingediend. Het is niet aannemelijk geworden dat, zoals [appellanten] ter zitting hebben aangevoerd, deze aanvraag na 1 januari 2007 zodanig is gewijzigd dat gesproken dient te worden van een nieuwe aanvraag. Het college heeft gelet hierop overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder de aanvraag terecht getoetst aan de Wet stankemissie.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.2.3. Op de bij de aanvraag behorende tekening is als onderdeel van de inrichting de woning [locatie] opgenomen. Gelet hierop is vergunning gevraagd om deze woning als een bij de inrichting behorende bedrijfswoning te gebruiken. Dat het feitelijk gebruik van de woning ten tijde van het indienen van de aanvraag afwijkt van de aangevraagde situatie, doet daar niet aan af. Het college heeft gelet op hetgeen is aangevraagd de woning [locatie] terecht buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de geur- en geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting.

De beroepsgrond faalt ook in zoverre.

2.3. [appellanten] voeren aan het bestreden besluit zich niet verdraagt met Richtlijn 92/43/EEG (hierna: de Habitatrichtlijn). Zij stellen zich in dit verband op het standpunt dat niet vaststaat dat de emissie van ammoniak ten gevolge van de vergunde inrichting geen significante effecten heeft voor de kwaliteit van de door de Habitatrichtlijn beschermde natuurgebieden 'Weerterbos' en 'Ringselven en Kruispeel'. Voorts heeft het college volgens hen ten onrechte nagelaten te toetsen of er significante effecten kunnen optreden ten gevolge van andere aspecten dan ammoniak.

2.3.1. De gebieden 'Weerterbos' en 'Ringselven en Kruispeel' zijn gebieden van communautair belang (hierna: habitatgebieden) in de zin van de Habitatrichtlijn.

2.3.2. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen kan hebben voor een gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven nadat zij zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van een gebied niet zal aantasten.

Vaststaat dat het bestreden besluit betrekking heeft op een plan of project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van de betrokken gebieden. Blijkens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2004, zaak C-127/02, JM 2004/112, dient te worden bezien of het college op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor de gebieden, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan.

2.3.3. Het college betoogt dat met de vergunde situatie een afname van de ammoniakemissie plaatsvindt ten opzichte van de emissie van een eerder op dezelfde locatie gevestigde melkrundveehouderij, waarop het destijds geldende Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer van toepassing was. Ter zitting is aannemelijk geworden dat de bedoelde melkrundveehouderij al sinds lange tijd niet meer aanwezig is op deze locatie. Reeds hierom kan de stelling van het college dat verlening van de vergunning leidt tot een afname van de ammoniakdepositie - en daarmee tot de conclusie dat nadelige gevolgen voor de habitatgebieden zijn uitgesloten - niet worden gevolgd.

Nu het college voor het overige in de motivering van het besluit slechts de vraag heeft opgeworpen of de bijzonder geringe ammoniakdepositie vanuit de inrichting op de habitatgebieden wel significante nadelige gevolgen kan hebben, maar deze vraag niet ontkennend heeft beantwoord, is ook in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd waarom vergunningverlening in overeenstemming met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn kan worden geacht.

De conclusie is dat het besluit in dit opzicht in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering.

2.4. [appellanten] voeren aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de stofhinder ten gevolge van verkeer dat over de zandwegen Vaartdijk en Venweg van en naar de inrichting rijdt.

2.4.1. De stofhinder vanwege het vrachtverkeer van en naar een inrichting kan niet meer aan het in werking zijn van een inrichting worden toegerekend indien het verkeer zich door zijn rijgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Niet gebleken is dat het vrachtverkeer zich door zijn rijgedrag ter plaatse van de zandwegen Vaartdijk en Venweg nog onderscheidt van het overige verkeer. Het college heeft gelet hierop terecht de ter plaatse van deze wegen eventueel veroorzaakte stofhinder ten gevolge van verkeer van en naar de inrichting niet bij de beoordeling van de aanvraag betrokken.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten] voeren aan dat het verlenen van de vergunning in strijd is met het geldende bestemmingsplan en dat de vergunning daarom had dienen te worden geweigerd. Het college is er volgens hen ten onrechte van uitgegaan dat geen strijd met het bestemmingsplan bestaat.

2.5.1. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer (zoals deze bepaling bij wet van 25 juni 2009 met terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 is gewijzigd) kan in afwijking van het eerste lid de vergunning worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.5.2. In het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" hebben de gronden waarop de inrichting is gelegen de bestemming "agrarische bedrijven" met de nadere aanduiding "O - omschakelingsregeling van toepassing". Ingevolge artikel 2.1, lid A, sub 3, van het bestemmingsplan zijn deze gronden bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden uitsluitend ten behoeve van de uitoefening van niet meer dan één agrarisch bedrijf per bestemmingsvlak in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf, een ten dele grondgebonden agrarisch bedrijf of een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, beide laatste uitsluitend voor zover al bestaand en uitgezonderd een glastuinbouwbedrijf.

2.5.3. Het college betoogt dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding "O - omschakelingsregeling van toepassing", zodat artikel 2.1, lid A, sub 3, van het bestemmingsplan niet geldt. Dit betoog slaagt niet. Het college van gedeputeerde staten heeft blijkens het dictum van zijn besluit omtrent goedkeuring van 9 november 1999, kenmerk 609941, goedkeuring onthouden aan artikel 2.1, lid B, onder 1, sub h, waarin is bepaald welke bebouwingsregels gelden bij de aanduiding "O - omschakelingsregeling van toepassing". Er is blijkens dit dictum geen goedkeuring onthouden aan de aanduiding op de plankaart als zodanig, noch aan artikel 2.1, lid A, sub 3.

2.5.4. Nu de vergunning ziet op de vestiging van een nieuw niet-grondgebonden agrarisch bedrijf op gronden met de aanduiding "O - omschakelingsregeling van toepassing" is er sprake van strijd met het bestemmingsplan. Nu het college zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat geen strijd met het bestemmingsplan bestaat, berust het bestreden besluit ook in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet een deugdelijke motivering.

De beroepsgrond slaagt.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient bij het opnieuw nemen van een besluit te beoordelen of de strijd met het bestemmingsplan hem al dan niet aanleiding geeft om de vergunning te weigeren. Een nieuwe beoordeling van de effecten van de ammoniakdepositie op de habitatgebieden kan achterwege blijven, omdat deze gebieden inmiddels onder de werking van de Natuurbeschermingswet 1998 vallen, welke wet thans het exclusieve kader is voor het beoordelen van de bedoelde effecten.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Someren van 26 november 2008;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Someren tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 683,99 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en negenennegentig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Someren aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009

262-578.