Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5058

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
200902243/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een honden- en kattenpension op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 februari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902243/1/M2.

Datum uitspraak: 2 december 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een honden- en kattenpension op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 februari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2009, waar [appellanten] in persoon en vertegenwoordigd door mr. drs. I.F.M. Kwint, en het college, vertegenwoordigd door A. Lohuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de geluidsgrenswaarden die in de vergunning zijn opgenomen niet kunnen worden nageleefd, zodat deze grenswaarden feitelijk neerkomen op een impliciete weigering van de gevraagde vergunning. Hiertoe stelt [appellant] onder meer dat de bronsterkte van blaffende honden, waarvan het college bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is uitgegaan, te laag is ingeschat en onjuist is. Daarbij verwijst hij naar de adviezen van het door hem ingeschakelde adviesbureau Lichtveld Buis & Partners van 18 april 2008 en 18 maart 2009. Verder stelt [appellant] dat de controlemetingen die in opdracht van [vergunninghouder] door bureau Wensink akoestiek & milieu zijn uitgevoerd, niet representatief zijn, omdat niet is gemeten bij een volledige bezetting of bij een representatieve bedrijfssituatie. Naar de mening van [appellant] had het college zich niet mogen baseren op dit onderzoek.

2.2. In voorschrift 1.8.1 van de vergunning zijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) grenswaarden gesteld van 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 1.8.2 mogen de piekwaarden (LAmax) niet meer bedragen dan 53, 51 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Niet in geschil is, en de Afdeling gaat daar dan ook van uit, dat deze geluidsgrenswaarden in redelijkheid toereikend zijn te achten ter voorkoming of voldoende beperking van geluidhinder.

2.3. In het akoestisch rapport van Adviesburo Van der Boom van 19 maart 2008, nr. 06-289, dat bij de vergunningaanvraag is gevoegd en deel uitmaakt van het bestreden besluit, is geconcludeerd dat de gestelde grenswaarden voor het equivalente geluidsniveau van 40, 35 en 30 dB(A) en voor het maximaal geluidsniveau van 60, 55 en 50 dB(A) kunnen worden nageleefd. Daarbij is uitgegaan van gemiddelde bronvermogenniveaus voor blaffende honden van circa 84 dB(A) en van maximale geluidsniveaus van circa 110-113 dB(A).

In het door [appellant] bij de zienswijze tegen het ontwerpbesluit ingebrachte advies van Lichtveld, Buis & Partners van 18 april 2008 wordt geconcludeerd dat in het hierboven genoemde rapport van 19 maart 2008 met te lage bronsterktes en maximale geluidsniveaus wordt gerekend.

Naar aanleiding daarvan heeft Wensink akoestiek & milieu in opdracht van het college nader onderzoek uitgevoerd, hetgeen heeft geresulteerd in het rapport van 9 oktober 2008. In dit rapport wordt op grond van uitgevoerde metingen geconcludeerd dat in de praktijk ten gevolge van het blaffen van in de inrichting aanwezige honden geen hogere bronsterkte dan 113 dB(A) zal optreden. Het gestelde in het rapport geeft geen aanleiding voor het oordeel dat niet onder representatieve omstandigheden is gemeten.

Vervolgens heeft Adviesburo Van der Boom, in opdracht van [vergunninghouder], een aanvullend akoestisch rapport uitgebracht, nr. 26-289 versie 27 januari 2009, dat bij de aanvraag is gevoegd. In dit rapport is geconcludeerd dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij de maatgevende woning ten hoogste 30 dB(A) overdag, 34 dB(A) 's avonds en 17 dB(A) 's nachts bedraagt. De maximale waarden bedragen respectievelijk 53, 51 en 38 dB(A). Deze niveaus worden - zo is in dat rapport vermeld - mede bewerkstelligd door de plaatsing van 2 meter hoge schermen rond de buitenrennen aan de noordzijde en het dichtmaken van de noordwestelijke hondenverblijven. Deze geluidsbeperkende maatregelen zijn in voorschrift 1.8.4 van de vergunning voorgeschreven. Verder is in het rapport rekening gehouden met het acceptatiebeleid van honden - honden afkomstig uit de africhting- en politiesport worden niet geaccepteerd - en met de in de inrichting gehanteerde praktijk dat honden die langdurig of hard blaffen in een westelijke of zuidelijk ren worden geplaatst, goed afgeschermd van woningen. In het rapport is deze bedrijfsvoering vastgelegd, zodat, nu het rapport is gewaarmerkt als deeluitmakend van de vergunning, [vergunninghouder] hieraan is gehouden.

In het advies van Lichtveld, Buis & Partners van 18 maart 2009 worden de bronsterktes waarvan Adviesburo Van der Boom en Wensink akoestiek & milieu zijn uitgegaan, opnieuw bekritiseerd.

Op verzoek van [vergunninghouder] heeft Adviesburo Van der Boom in augustus 2009 geluidmetingen uitgevoerd in de nieuwe situatie (na plaatsing van de afschermingen), om te toetsen of het rekenmodel dat is gehanteerd in het akoestisch onderzoek dat bij de vergunningaanvraag is gevoegd, overeenkomt met de werkelijkheid. Blijkens het rapport van

29 augustus 2009 komen de gemeten en berekende waarden van de langtijdgemiddelde geluidsniveaus vrijwel overeen en zijn de gemeten maximale geluidsniveaus aanzienlijk lager dan is berekend. In het rapport wordt geconcludeerd dat de geluidsbeperkende voorzieningen effectief zijn en de dat de inrichting aan de stellen eisen - als berekend in dat onderzoek - kan voldoen.

Gelet op de hiervoor vermelde akoestische onderzoeken moet worden geconcludeerd dat de inrichting met de beoogde en vergunde bedrijfsvoering aan de in de vergunning gestelde geluidsgrenswaarden kan voldoen.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009

190.